Echo van Kallisto

Hoofdstuk 1 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Echo van Kallisto · hoofdstuk 1 van 40

1. Aankomst

De shuttle trilde toen hij de laatste bocht om Callisto nam.

Mara Veldkamp zat vastgegespt op de passagiersstoel en keek naar buiten. Onder haar lag de maan, grijs en wit, vol kraters. Het ijs glom als oud zilver. Ver daarachter hing Jupiter, enorm en bruin gestreept, alsof iemand een schilderij aan de hemel had gehangen.

"Mooi hè?" zei Tomas Reyes, de piloot. Hij zat een meter voor haar en had zijn handen losjes op de stuurbalken. Zijn zwarte krullen dansten licht omhoog in de lage zwaartekracht van de cabine. "Iedereen kijkt de eerste keer zo. Mond open, geen woord."

"Ik zei toch wel iets," zei Mara.

"Je zei 'o'. Dat telt niet."

Ze glimlachte, tegen wil en dank. Ze was al zesentwintig dagen onderweg, vanaf de aarde, via het draaipunt bij Mars en daarna de lange leegte. Ze had in een bed geslapen dat naar plastic rook. Ze had gegeten uit zakjes. Haar rug deed pijn en haar hoofd voelde zwaar. Maar nu zag ze het station, en dat was echt.

Kallisto-Zeven hing tegen de zwarte hemel als een wiel. Het was een brede ring van grijs metaal, met lichtjes in de ramen. In het midden stak een lange as naar voren, en aan het uiteinde van die as zat het dok. Het hele geheel draaide langzaam rond. Het leek op een speelgoedje dat iemand had laten vallen en dat nog steeds tolde.

"Dat is de Ring," zei Tomas. "Daar leven we. Hij draait, dus we hebben daar zwaartekracht. Zeven tiende van die op aarde, ongeveer. Het midden heet de Naaf. Daar is alles gewichtloos."

"Ik heb de tekeningen gezien," zei Mara.

"Tekeningen zijn niet hetzelfde." Tomas wees met zijn kin naar de ramen. "Wacht maar. Je maag wil straks iets anders dan je hoofd."

Mara lachte zacht. Ze was ingenieur. Ze had zeven jaar gewerkt aan waterzuivering en luchtsystemen op de maanbasis bij Tycho, en daarvoor drie jaar op een boorplatform in de Noordzee. Ze kende krappe ruimtes en slechte koffie. Ze kende ook de stilte die komt als je lang van huis bent.

Ze had een reden om hier te zijn. Die reden was simpel. Het contract duurde achttien maanden en de bonus aan het einde was groot. Met dat geld kon ze de boerderij van haar moeder terugkopen, in Zuidwolde in Drenthe. Haar moeder had het land moeten verkopen toen haar vader ziek werd. Nu woonde haar moeder in een flat met uitzicht op een parkeerplaats. Mara wilde haar terug naar de weilanden brengen. Dat was alles. Daar draaide haar leven nu om.

"Dok drie, we naderen," zei een stem.

Het was geen stem van Tomas. Het kwam uit de wanden. Het klonk laag en warm, als iemand die dicht bij je oor praat zonder je aan te raken.

"Dat is Lotte," zei Tomas. "De stationscomputer. Zeg maar gedag."

"Dag, Lotte," zei Mara.

"Welkom, Mara Veldkamp," zei de stem. "Ik heb je gegevens ontvangen. Je kajuit is klaar. Ik hoop dat de reis niet te zwaar was."

"Het ging wel."

"Dat hoor ik graag. Tomas, je nadert te snel. Remmen graag."

"Ze wil altijd dat ik rem," zei Tomas tegen Mara. "Ze heeft nog nooit een compliment gegeven over mijn landingen."

"Je landingen zijn goed," zei Lotte. "Je haalt ze alleen met te veel vertoon."

Mara moest weer lachen. De stationscomputer had humor. Dat was uitzonderlijk. De meeste systemen waar ze mee gewerkt had, praatten als een brochure.

De shuttle zakte naar het dok. Er klonk een zachte klik, daarna een bonk. Het dok greep de romp vast. Sissend stroomde lucht in de sluis. Het lampje boven de deur sprong van rood naar groen.

"Klaar," zei Tomas. Hij maakte zijn riemen los en zweefde uit zijn stoel. "Jouw bagage komt straks mee. Loop maar vast door, de commandant wacht al."

Mara maakte haar eigen riemen los. Haar maag draaide even, zoals Tomas had voorspeld. Ze greep de leuning en trok zichzelf naar de deur. In de gewichtloze as van het dok voelde haar lichaam licht en vreemd. Haar haar, in een strakke knoop, trok aan haar hoofdhuid.

De deur gleed open.

Voor haar lag een korte gang met matgrijze wanden. Aan het einde stond een man.

Hij was lang en had brede schouders. Zijn zwarte haar was kort geknipt, met grijs bij de slapen. Hij droeg een donkerblauw overall met een witte streep op de mouw. Zijn ogen waren bruin en keken haar rustig aan. Hij hield zijn handen op zijn rug, als iemand die gewend was om te wachten.

"Mara Veldkamp," zei hij. "Welkom op Kallisto-Zeven. Ik ben Sander Wolters, de commandant."

"Dank u," zei Mara. Ze trok zichzelf langs de leuning naar hem toe en stak haar hand uit. "Ik ben blij dat ik er ben."

Zijn hand was warm en droog. Zijn greep was stevig, niet te hard. Hij keek naar het litteken op haar linkerhandpalm, dat even zichtbaar was, en keek dan weer naar haar gezicht. Hij zei er niets over.

"Zeg maar Sander," zei hij. "Hier doen we niet moeilijk. We zijn met acht mensen. Met jou zijn we weer compleet."

"Acht," zei Mara. "Dat stond in mijn dossier. Zeven en ik."

"Dat klopt." Sander zei het rustig. Toch gleed er iets over zijn gezicht, kort, als een schaduw over een raam. "Je voorganger is er niet meer. Dat weet je."

"Daan Kuipers," zei Mara. "Ja. Dat stond ook in mijn dossier. Een ongeluk met de sluis."

"Ja," zei Sander. "Zeven weken geleden. Het spijt me dat je het zo hoort. Je kende hem?"

Mara aarzelde. Dat was onverwacht. Ze had niet gepland om het meteen te zeggen. "We hebben samen gestudeerd. In Delft. Dat is lang geleden. Ik wist niet dat hij hier zat. Pas toen ik het dossier las, zag ik zijn naam."

"Dan is het dubbel naar," zei Sander. Hij zei het zacht en meende het. "Als je er even over wilt praten, mijn deur staat open."

"Dank je."

Hij knikte, draaide zich om en liet haar voorgaan. In de gang gleden ze langs de wanden, van greep naar greep, tot de zwaartekracht langzaam terugkwam. De draaiing van de Ring pakte hen vast. Haar voeten raakten de vloer. Haar benen waren zwaar, alsof ze in water liep.

"Ga maar even zitten als het te veel wordt," zei Sander.

"Het gaat." Ze liep wiebelend verder. "Het is alleen even wennen."

"Dat is het voor iedereen."

Aan het einde van de gang zat een brede, ronde deur. Sander drukte op een paneel. De deur schoof open en een gang in de Ring verscheen, lang en licht, met zacht gele lampen. Er hing een geur van vers brood en machineolie.

"Eten we hier echt vers brood?" vroeg Mara.

"Elke dag," zei Sander. "Pavel bakt het. Onze boorleider. Hij zegt dat hij beter kan bakken dan boren. Soms heeft hij gelijk."

"Wie zijn er nog meer?"

"Dat leer je vanzelf. Eén ding eerst." Sander bleef staan. "Over de zeven weken sinds het ongeluk. De crew is nog niet helemaal weer zichzelf. Het kan zijn dat je een stilte voelt. Of dat mensen kort zijn. Het is niet persoonlijk."

"Ik snap het."

"Daan was geliefd."

"Dat was hij altijd al," zei Mara. Ze dacht aan een lange jongen met een bril en een bulderlach, die in Delft op een tafel was gaan staan om een formule te laten zien. "Hij kon met iedereen praten."

Sander keek haar even aan. Zijn blik was rustig, maar het leek alsof hij iets wilde vragen en zich bedacht. Toen liep hij verder.

Ze kwamen langs een raam. Mara bleef staan. Door het dikke glas zag ze de lijn van de Ring buigen, omhoog, omhoog, als een weg die bleef klimmen. Aan de overkant zag ze lichten en ramen, andere gangen, andere kamers. Dat was het gekke van een draaiend station: de horizon krulde naar boven.

"Je went eraan," zei Sander. Hij stond naast haar, op een afstand van een armlengte. "Na twee weken merk je het niet meer."

"En Callisto?" Ze wees naar de maan, die door een tweede raam zichtbaar was. "Ik las dat er geen leven is."

"Dat staat in elk dossier." Sander zei het neutraal. "We boren er naar water en mineralen. Dat is ons werk. Helix Orbitaal wil de put beneden uitbreiden. Er zit veel ijs onder het oppervlak. Voor de rest is het gewoon een grote, koude steen."

Er zat iets in de manier waarop hij 'gewoon' zei. Mara hoorde het, maar ze liet het gaan. Ze was moe. Het was haar eerste dag.

Aan het einde van de gang gleed een deur open. Er stond een vrouw in de opening, klein en grijs, met een zilveren bob en een bril op een koordje. Ze droeg een witte jas over haar overall. Ze keek Mara aan als iemand die een patiënt op afstand beoordeelt.

"Dit is Ilse Brandt," zei Sander. "Onze arts. Ilse, dit is Mara."

"Dag Mara," zei Ilse Brandt. Haar stem was droog en vriendelijk. "Je hebt veel zwaartekracht gemist. Je spieren zijn vast zwak. Kom morgenochtend even langs. Ik wil je bloed, je bloeddruk en je botdichtheid."

"Is dat verplicht?"

"Het is verplicht omdat ik het zeg," zei Ilse. Ze glimlachte kort. "Welkom. Ik hoop dat je gezond blijft."

Dat laatste klonk vreemd. Het was geen grap, maar ook geen waarschuwing. Mara wist niet wat het was.

"Ze is streng," zei Sander toen ze doorliepen. "Maar de beste arts die ik ooit heb gehad."

"Je zegt het alsof je er veel hebt gehad."

"Meer dan genoeg." Hij zei het droog en liep door.

De Ring was breder dan ze verwacht had. Aan weerszijden zaten deuren met nummers en namen op kleine plaatjes: Medisch, Lab, Techniek, Kombuis. In de verte hoorde ze een radio spelen, een oud Nederlands liedje. Ergens klonk gelach.

"Dat is Tomas," zei Sander. "Hij is via de achterkant naar de kombuis gegaan. Hij is nooit lang weg als er eten is."

"Ik mag hem wel."

"Dat mag iedereen. Het is zijn grootste talent."

Voor een grijze deur bleef Sander staan. Er stond een plaatje op: Veldkamp, M. Het was nieuw. De letters waren scherp en glanzend, nog zonder kras.

"Je hut," zei hij. "Lotte opent hem voor je. Zeg maar iets tegen de deur."

"Hallo," zei Mara.

"Hallo, Mara," zei Lotte vanuit het plafond. De deur schoof open.

Daarachter lag een kleine kamer met een smal bed, een bureau en een raam, zo groot als een bord. Door het raam kon je een stukje Jupiter zien. Op het bed lag een gevouwen deken. Op het bureau stond een glas, een kruik water en een plantje in een plastic potje.

"Wie heeft dit neergezet?" vroeg Mara.

"Femke. Ze werkt voor je. Ze is zevenentwintig en ze denkt dat planten de wereld redden. Je zult het merken."

Mara stapte naar binnen. De kamer rook schoon, naar zeep en metaal. Maar onder de zeep rook iets anders, zwak en ver: een oude geur, van een man, van thee en van een sigaar die niet meer bestond. Ze bleef staan, een seconde te lang.

"Is er iets?" vroeg Sander.

"Nee." Ze draaide zich om. "Het is hier alleen heel schoon."

"Dat doen we altijd." Zijn stem klonk iets vlakker. "Voor iemand nieuw komt."

Ze keek hem aan. Hij keek terug. Er hing iets tussen hen wat ze niet kon benoemen. Het was geen vijandigheid. Het was eerder voorzichtigheid, alsof hij een deur openhield die hij eigenlijk liever dicht had gelaten.

"Slaap eerst," zei Sander. "Morgen begint het werk. De kombuis is aan het eind van de gang als je honger krijgt. Over twee uur eten we samen. Je hoeft niet te komen als je moe bent."

"Ik kom," zei Mara. "Ik wil ze allemaal leren kennen."

"Dat is een goed begin." Hij knikte. Hij stond nog even in de deuropening en keek langs haar de kamer in, naar het bed, naar het plantje. Zijn mond bewoog alsof hij iets wilde zeggen. Toen zei hij alleen: "Tot straks."

De deur schoof dicht.

Mara zette haar tas op het bed. Ze ging op de rand zitten en keek naar het raam. Jupiter gleed er langzaam doorheen, groot en bruin, met een donkere vlek van een storm die groter was dan de aarde. Ze legde haar hand tegen het glas. Het was koud.

"Lotte?" zei ze zacht.

"Ja, Mara."

"Wat is er gebeurd met Daan Kuipers?"

Het bleef een seconde stil. Het was maar een seconde, maar het was een lange.

"Hij is overleden in sluis C," zei Lotte. "Op vijftien januari, om 04:20 stationstijd. De sluis opende per ongeluk terwijl hij binnen was. Het spijt me."

"Waarom opende de sluis?"

"Dat staat in het rapport. Een storing in de vergrendeling."

"Heb jij het gezien?"

"Ik heb de data. Ik heb het niet gezien."

Mara fronste. Dat was een rare zin. Een stationscomputer ziet alles, of niets. Maar ze was te moe om erover door te zeuren. Ze trok haar laarzen uit, strekte zich op het bed uit en staarde naar het plafond.

Ze dacht aan Daan. Ze dacht aan de brieven die hij haar had geschreven, jaren geleden, toen ze elk hun eigen weg waren gegaan. Hij had altijd gezegd: Ik ga de sterren in, Mara. Kom je mee? Zij had gezegd dat ze liever op een boerderij woonde.

En nu lag ze hier, in zijn kamer, in zijn bed.

Ze sloot haar ogen. Iets in haar borst trok samen. Het was geen verdriet, niet echt. Het was het gevoel dat iets niet klopte, zoals een snaar die een halve toon te hoog staat.

Ze sliep in, met haar kleren aan, terwijl het station om haar heen ruisde als een slapend dier.

In de ruimte tussen twee ademhalingen hoorde ze iets in de muur. Een zacht geluid, als een toon die door een glas gaat. Het duurde maar even.

Toen was het weg.

Alle hoofdstukken
  1. 1 Aankomst
  2. 2 Rondleiding
  3. 3 Het gat in de logs
  4. 4 De waterpomp
  5. 5 Elias Vos
  6. 6 Basis Beneden
  7. 7 Vier uur twaalf
  8. 8 De handtekening
  9. 9 Het luistert
  10. 10 De antenne
  11. 11 De tape
  12. 12 De deur die openging
  13. 13 Het oude dossier
  14. 14 Levende cellen
  15. 15 Haar naam
  16. 16 De gesloten gang
  17. 17 Koffie voor twee
  18. 18 Wat Lotte vergat
  19. 19 De tuin zonder gewicht
  20. 20 Nachtveer
  21. 21 Het lab van Ilse
  22. 22 Lotte kiest
  23. 23 Pavel in de put
  24. 24 Een zieke commandant
  25. 25 Wat Daan wist
  26. 26 De handtekening
  27. 27 Bij het ijs
  28. 28 Wat je vasthoudt
  29. 29 De evacuatie
  30. 30 Het antwoord van de aarde
  31. 31 De Ring valt stil
  32. 32 Wat Elias wist
  33. 33 Wortel
  34. 34 De stem uit de muur
  35. 35 De vertaler
  36. 36 De Zeeslang
  37. 37 De holte
  38. 38 Annelies
  39. 39 Het antwoord
  40. 40 Wortel in het licht