Echo van Kallisto

Hoofdstuk 37 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Echo van Kallisto · hoofdstuk 37 van 40

37. De holte

De kooi zakte langzaam, schommelend aan de kabel, door een schacht die bij elke honderd meter breder werd.

Mara stond rechtop, met een hand om de stang, en keek naar buiten. De wand gleed voorbij: eerst ruw steen, geel en grijs, met aders van zwart. Daarna ijs, doorzichtig als glas, waarin ze haar eigen lamp zag weerkaatsen. Daarna iets anders. De groene draden, zo dun als haar, die in het ijs hingen als haren in water. Ze werden dikker naarmate ze zakte. Ze begonnen te gloeien, stil, pulserend, als een slapend hart.

Op de radio kraakte Pavels stem. "Duizend meter. Alles goed?"

"Alles goed."

"Je hoort me?"

"Ik hoor je."

"Dat is mooi. Ik hoor jou ook." Hij zweeg even. "Zing maar niet voor je beneden bent. Het wezen is nerveus. Laat het eerst zien wie je bent."

"Ik denk dat het dat al weet."

"Dan laat je het nog eens zien."

Ze glimlachte. Ze boog zich naar de ronde ruit en keek omlaag. Veertienhonderd meter. Vijftienhonderd. De draden stonden nu zo dicht tegen elkaar dat ze een gordijn vormden, een zacht, blauw-groen schijnsel, dat de wanden van de schacht in een vreemd, onderwaterlicht zette. Het werd warmer. Ze trok haar jas open.

Ma.

Het kwam niet door de radio. Het kwam door de kabel, door het staal, door haar handpalmen. Het was een toon die ze kende. Ze sloot haar ogen en liet hem door zich heen gaan.

Ma. Komt.

"Ik kom," zei ze zacht.

Blij.

"Ik ook."

Bij tweeduizend honderd meter hield de schacht op.

* * *

Het was geen holte. Het was een kathedraal.

Ze had verwacht dat het een grot zou zijn, een kale, ronde ruimte in het ijs, zoals op de tekeningen van Yara. Maar wat de kooi binnenzweefde, was iets wat geen tekening kon vangen. Een koepel, honderd meter hoog, van helder blauw ijs, waarvan de wanden bedekt waren met duizenden, honderdduizenden, miljoenen draden, die in een zacht, groen-gouden licht gloeiden en trilden. Ze zag ze bewegen. Ze zag ze buigen, strekken, zoeken. Als een weiland in de wind, onderwater.

In het midden, op een platform van ijs, hingen ze.

Zes cocons. Elk zo groot als een mens, doorzichtig, gevuld met een zacht licht, aan een web van draden opgehangen in de lucht. Ze draaiden langzaam, bijna onmerkbaar, als slapers in een hangmat. In elk van hen zag ze een gestalte: een man, een vrouw, een man, een vrouw, een man, een vrouw. Ze lagen op hun rug, met gesloten ogen, met hun armen langs hun lichaam en groene draden die door hun kleren heen kropen, in hun borst, hun hals, hun slapen. Hun gezichten waren kalm. Ze zagen eruit als mensen die droomden.

Mara hield haar adem in. De kooi kwam tot stilstand, vijf meter boven het platform, met een zachte, laatste schok.

"Pavel," fluisterde ze. "Ik ben er."

"Ik hoor je." Hij klonk ver weg en ademloos. "Wat zie je?"

"Ik zie ze." Ze slikte. "Alle zes."

"Leven ze?"

"Ik denk het." Ze zag een borstkas rijzen en dalen, in de derde cocon, heel langzaam. "Ja. Ze ademen."

Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil. Daarna klonk er iets wat ze nog nooit had gehoord: Pavel, die huilde, zacht, met zijn hand voor de microfoon.

* * *

Ze opende de deur van de kooi en stapte op het platform. Het ijs was warm onder haar voeten, als een tegelvloer boven een verwarming. Overal om haar heen ruiste het licht, als wind in gras.

Ze liep naar de cocons. Ze bleef staan bij de eerste en keek in het gezicht van een vrouw met kort, donker haar, een scherpe neus, een litteken boven haar wenkbrauw. Een foto in het dossier had haar Rania Aziz genoemd. Haar ogen waren dicht. Haar lippen waren iets geopend. Ze leek op het punt te staan iets te zeggen.

"Hallo, Rania," zei Mara zacht.

Er gebeurde niets.

Ze liep naar de tweede, de derde, de vierde. Ze bleef lang staan bij de vijfde, een jonge man met sproeten en een kleine, ronde bril die scheef op zijn neus hing, vastgegroeid in het gloeiende web. Lars Visser, dacht ze. Hij was tweeëntwintig geweest.

Bij de zesde bleef ze staan.

Het was een vrouw. Ze lag een stukje apart van de anderen, iets hoger, in het midden van het web. Haar haar was kort en donker, in een waaier om haar hoofd gespreid. Ze droeg een witte jas, versleten, met een naamplaatje dat nog net leesbaar was.

A. Wolters. Arts.

Mara keek naar haar gezicht. Het was een mooi gezicht, breed over de jukbeenderen, met een kleine, scheve neus en lange, zware wimpers. Het was het gezicht van de foto op de ladekast in Sanders hut. Het leefde. Het had een kleur.

"Annelies," zei ze.

De ogen gingen open.

* * *

Het was geen schrikbeeld. Het was het allerzachtste ontwaken dat Mara ooit had gezien. De oogleden trilden, de wimpers bewogen, en daaronder verscheen een paar groene ogen, helder, rustig, die haar aankeken als een vrouw die uit een lange, goede slaap kwam.

Mara.

De stem kwam niet uit haar mond. Het kwam uit de cocon, uit de draden, uit de lucht. Maar de lippen bewogen mee, heel zacht, een fractie te laat.

"Hallo," zei Mara. Haar stem was een fluistering. "Ik ben er."

Je bent gekomen.

"Ik heb het beloofd."

Ja. De ogen sloten en gingen weer open. Ik zie je. Je bent mooier dan in mijn droom.

"Dank je."

Ben je bang?

"Ja."

Dat is goed. Ik ook. Annelies glimlachte, en het was een glimlach die Mara kende, uit de foto's, uit Sanders verhalen, uit de leidingen. Het wezen is ook bang. Maar het is blij. Het heeft zo lang gewacht.

"Annelies." Mara kwam dichterbij. "Ik moet iets doen. Ik moet uitzenden. Er is een schotel boven. Ze heeft een signaal nodig. Een versterker."

Dat ben ik.

"Jij?"

Wij. Het wezen en ik. De zes. We zijn de klankkast. Ze zweeg. Je moet je handen op het ijs leggen. Aan de rand. Waar het het dichtst bij is.

"En dan?"

Dan zing je. En wij zingen mee.

Mara draaide zich om. Aan de rand van het platform, op de plek waar het ijs overging in de draden, stond een ronde, gladde steen, groot als een tafel. Ze liep erheen. Haar hand begon te kloppen toen ze dichterbij kwam.

"Femke," zei ze in de radio. "Ben je daar?"

"Ik ben er." Femke klonk gehaast. "Ik zie je op de camera. Lieve hemel, Mara, het is... het is zo mooi."

"Ik weet het. Ben je klaar?"

"We zijn klaar. De schotel staat. Het bestand is geladen. Als je zegt nu, start ik de zender."

"Is het vier uur twaalf?"

"Over twee minuten."

Mara legde haar handen op de steen. Het ijs lichtte op, onder haar vingers, in een brede, golvende cirkel die zich over het hele platform verspreidde. De draden bewogen mee, als een veld dat zich naar haar toe boog. In de cocons begonnen de gezichten te gloeien.

Zing, zei Annelies.

"Femke," fluisterde Mara. "Nu."

* * *

Boven, op het platform bij de put, stond Femke bij de zender, met haar vingers boven een knop. Naast haar stond Yara, met haar ogen op een scherm. Pavel zat bij de lier. Tomas stond bij het landingsveld, met een verrekijker. Elias, aan de rand van de put, stond met zijn rug naar hen toe en keek naar het zwarte gat.

"Drie," zei Yara.

"Twee."

"Een."

Femke drukte.

Het gebeurde zonder geluid. Op het scherm, naast het bestand, sprong een grafiek omhoog. Een dunne lijn, een draad van licht, die plotseling honderd keer dikker werd. Het apparaat ruiste. Boven hun hoofden draaide de schotel een fractie bij.

En diep onder hen begon de put te zingen.

Het was niet het lied van Mara. Het was iets groters. Het kwam uit de holte, door de schacht omhoog, door de wanden van de boortoren, door het staal, door het beton, door de laarzen van de mensen, in hun botten. Een toon, zo laag dat je hem voelde in je maag. Daarna een tweede, hoger. Daarna een koor, duizenden stemmen, tegelijk. Mensen, kinderen, vrouwen, mannen, in alle talen die de Echo ooit had gehoord. Het zong Wortel in het donker, in tweehonderd klanken tegelijk, en daaroverheen, zuiver als een klok, de stem van Mara.

Femke stond daar met open mond. Er liepen tranen over haar wangen.

"Het werkt," zei ze. "Het werkt. Kijk naar de meter. Honderdveertig keer. Honderdveertig keer sterker."

"Het gaat naar de Aarde," zei Yara. "Het gaat naar de Aarde, Femke."

Pavel lachte, schor, bij de lier. Elias stond doodstil. Alleen zijn schouders trilden.

Toen zei Tomas, vanaf het landingsveld, met een heel vreemde stem: "Jongens."

Ze keken op.

* * *

Aan de hemel, boven de bergrug aan de rand van het veld, hing een licht. Het was een klein licht, geel en ongelijk, dat langzaam daalde, met een lage, fluitende zucht. Het zakte tot boven de bergen. Het draaide. Het richtte zijn neus naar de put.

"Dat is een shuttle," zei Tomas. Zijn stem trilde. "Een Helix-shuttle. Een grote. Hij is vroeg."

"Hoe vroeg?"

"Een kwartier. Hij heeft gelogen over de tijd." Hij liet de verrekijker zakken. "Hij zet nu aan voor de landing."

Elias draaide zich om. Zijn gezicht was bleek en kalm, zoals dat van een man die al lang had geweten wat er zou komen.

"Dat is Reinders," zei hij. "Ze komt altijd eerder."

"Ze heeft nog tien minuten nodig om de zender te vinden," zei Yara. "We hebben nog tien minuten uitzending."

"Dat is niet genoeg," zei Femke. "De data zijn zes gigabyte. We zijn pas op twintig procent."

"Dan hou ik haar tegen," zei Elias.

Ze keken hem aan. Hij had zijn handen in zijn zakken en zijn bril een beetje scheef, en op zijn gezicht lag iets wat ze nog niet eerder had gezien: een kleine, kinderlijke, onwrikbare vastberadenheid.

"Elias," zei Pavel. "Ze heeft veertien mensen."

"Ik weet het."

"Ze hebben wapens."

"Ik weet het." Hij haalde zijn schouders op. "Ik heb er een bril tegenover."

Hij liep weg, het veld op, naar de plek waar de shuttle zou landen. Ze zagen hem gaan, een kleine, rechte gestalte in een nette jas, die steeds kleiner werd in het grijze licht.

"Hij is gek," zei Tomas.

"Ja," zei Femke, zacht. "Maar hij is ook dapper."

* * *

Het gebeurde op het moment dat de shuttle landde.

De motoren ruisten, het stof woei op, de poten raakten de grond. De luiken openden. Er stapten mannen uit, in zwarte pakken, met helmen en grote, zwarte tassen. Zes. Negen. Twaalf. Ze liepen in een rij, rustig, geoefend, zonder haast.

En in het midden, op een stap achter hen, liep een magere vrouw van vijfenvijftig, met kortgeknipt grijs haar en een donkerblauw uniform. Ze droeg geen helm. Ze liep zonder haast, met haar handen op haar rug.

Elias stond midden op het veld. De mannen bleven staan, in een halve cirkel. Reinders bleef op twee meter van hem staan.

"Elias," zei ze.

"Hendrika."

"Je ziet er moe uit."

"Ik ben moe." Zijn stem trilde, maar hij hield haar blik vast. "Ik wil dat je terugkeert, Hendrika. Ik wil dat je de mannen terugstuurt. Het is voorbij."

"Dat denk ik niet." Ze keek langs hem, naar de put, naar de boortoren, naar het groene, gouden licht dat uit het gat omhoogsijpelde. Ze luisterde. Over het veld, door de kou, klonk het koor van de Echo. Ze bleef er lang naar kijken.

"Het is mooi," zei ze zacht.

"Ja."

"Het is ook gevaarlijk."

"Dat weet ik niet meer."

"Jij weet het niet meer." Het klonk bijna treurig. Ze draaide haar hoofd een fractie, naar de man naast haar. "Kapitein Dahl. Het Nachtveer-pakket."

De man knikte. Hij gaf een teken. Twee mannen liepen naar de shuttle en kwamen terug met een grote, grijze cilinder, zo groot als een brandblusser, met een rode band om het midden.

"Nee," zei Elias.

"Het is het enige wat we kunnen doen."

"Mara zit beneden!"

"Dat weet ik." Reinders keek hem aan. Haar bleke ogen waren vlak en vermoeid. "Daarom heeft de cilinder een timer. Vijftien minuten. Ik haal haar liever levend naar boven dan dood. Dat heb ik haar gezegd." Ze draaide haar hoofd een fractie, naar de put. "Zeg het haar, Elias. Zij kan kiezen. Ze heeft vijftien minuten om omhoog te komen."

"Ze komt niet."

"Dan is het haar keuze."

Ze knikte. De mannen liepen naar de rand van de put. Een van hen knielde en stelde de cilinder in. Op het kleine, rode paneel verschenen cijfers, die begonnen terug te tellen.

14:59.

14:58.

Boven het veld zong de put door, hoog en zuiver, alsof niemand het had gehoord.

Alle hoofdstukken
  1. 1 Aankomst
  2. 2 Rondleiding
  3. 3 Het gat in de logs
  4. 4 De waterpomp
  5. 5 Elias Vos
  6. 6 Basis Beneden
  7. 7 Vier uur twaalf
  8. 8 De handtekening
  9. 9 Het luistert
  10. 10 De antenne
  11. 11 De tape
  12. 12 De deur die openging
  13. 13 Het oude dossier
  14. 14 Levende cellen
  15. 15 Haar naam
  16. 16 De gesloten gang
  17. 17 Koffie voor twee
  18. 18 Wat Lotte vergat
  19. 19 De tuin zonder gewicht
  20. 20 Nachtveer
  21. 21 Het lab van Ilse
  22. 22 Lotte kiest
  23. 23 Pavel in de put
  24. 24 Een zieke commandant
  25. 25 Wat Daan wist
  26. 26 De handtekening
  27. 27 Bij het ijs
  28. 28 Wat je vasthoudt
  29. 29 De evacuatie
  30. 30 Het antwoord van de aarde
  31. 31 De Ring valt stil
  32. 32 Wat Elias wist
  33. 33 Wortel
  34. 34 De stem uit de muur
  35. 35 De vertaler
  36. 36 De Zeeslang
  37. 37 De holte
  38. 38 Annelies
  39. 39 Het antwoord
  40. 40 Wortel in het licht