Echo van Kallisto

Hoofdstuk 10 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Echo van Kallisto · hoofdstuk 10 van 40

10. De antenne

Mara had geleerd dat de dag van een ramp vaak mooi begint.

Op de zeventiende maart scheen het licht van Jupiter door de ramen van de Naaf, zacht en goudbruin. Het station draaide rustig. De nacht was voorbij zonder dat er iets gebeurd was. In Schacht 7 had de bandrecorder acht uur lang gedraaid. Pavel had hem om zes uur opgehaald en in zijn kamer gezet. Ze zou hem later beluisteren.

Nu stond ze in de sluis van het dok, in een wit ruimtepak, met haar helm onder haar arm.

"Kun je de handschoenen nog even laten zien?" vroeg Sander.

Ze hield haar handen omhoog. Hij controleerde de sluitringen een voor een. Daarna de riem, de slangen, de kleine zuurstoftank op haar rug en de zakmotor met stikstofstralen die aan haar heupen hing. Zijn handen waren kalm en snel. Hij zei geen woord meer dan nodig.

"Je tank is vol," zei hij. "De motor ook. Ik heb het zelf gecontroleerd. Tomas rijdt de wagen en blijft op tien meter. Als er iets is, zeg je het."

"Zeg ik het."

"En je blijft aan de lijn."

"Ik blijf aan de lijn." Ze trok de helm over haar hoofd. Hij hielp haar met de klemmen. De wereld werd klein en stil. Ze hoorde alleen haar eigen adem.

"Communicatiecheck," klonk Sanders stem in haar oren.

"Luid en duidelijk."

"Tomas?"

"Luid, duidelijk en een beetje te blij," zei Tomas. Hij zat al in de open buitenboordwagen, een klein platform met stuurstangen en twee zitplaatsen, vastgeklikt aan de rand van het dok. Hij zwaaide met een gehandschoende hand.

"Lotte?" vroeg Mara.

"Ik hoor je," zei Lotte. Haar stem klonk gedempt. "Ik zal meekijken. Alle camera's op de arm staan aan. Ik kijk naar je."

"Dank je."

De binnendeur van de sluis sloot achter haar. Het licht boven de buitendeur sprong van rood naar groen. Mara voelde een koude rilling over haar rug. Het was niet de angst die ze zich van tevoren had voorgesteld. Het was nuchterder: de wetenschap dat tussen haar en de leegte één laagje stof zat.

De buitendeur ging open.

* * *

De antenne zat aan het uiteinde van de Naaf, op een lange, dunne arm die van het station af wees, naar de maan. De schotel zelf was zo groot als een huis, een wit bord van geraamte en folie, gericht op de aarde. Hij stond stil. De Ring draaide langzaam achter haar, een reusachtig wiel dat heel traag voorbijgleed.

Mara trok zichzelf langs de leuning naar buiten. Ze klikte haar veiligheidslijn vast aan de ring bij de sluis, een dikke gevlochten kabel van twintig meter. Ze trok eraan. Hij hield.

"De lijn is vast," meldde ze.

"Ik zie het," zei Tomas. "Ik rijd voor je uit."

De buitenboordwagen gleed weg, een stille wagen op koude gasstralen. Mara volgde hem handje over handje langs de arm. Onder haar hing Callisto, een zwarte schijf met kratertjes. Boven haar was de hemel een hoop sterren. Het was bijna onwerkelijk mooi.

"Hoe is het uitzicht?" vroeg Sander, vlak naast haar oor.

"Je bent hier."

"Ik zit in de sluis. Ik kijk mee op het scherm." Er klonk een kleine glimlach in zijn stem. "Maar ik wil het van jou horen."

"Het is mooi. Het is heel stil."

"Dat is het."

Ze bereikte de voet van de schotel na twintig minuten. Daar zat een metalen kast met een klep. Ze opende hem met haar gereedschap. Binnenin liepen kabels en een rij bouten, en bovenin zat de ontvanger, een ronde cilinder met een flikkerend rood lampje.

"Daar is het," zei ze. "De voedingseenheid. Het lampje knippert. Dat betekent een slechte verbinding."

"Kun je het oplossen?"

"Ik denk het. Een moment."

Ze hing haar gereedschapstas aan een haak en begon de bouten los te draaien. Het werk ging gestaag. Haar handen waren snel, haar hoofd rustig. Dit was wat ze kon. Dit was haar plek, onder een sterrenhemel, met een sleutel in haar hand.

Maar na tien minuten merkte ze dat er iets niet klopte.

De voedingseenheid was niet kapot. De kabels zaten goed vast. De bouten waren vers aangedraaid. Het rode lampje knipperde niet door een slechte verbinding. Het knipperde omdat iemand het had ingesteld.

"Tomas," zei ze langzaam. "Er is niets kapot."

"Wat?"

"Dit is geen storing. Iemand heeft de eenheid zo ingesteld dat hij een foutmelding geeft. Het lampje is een lokker."

"Een wat?"

"Een lokker. Ze wilden dat ik hier kwam."

Ze draaide zich om. Ze zag Tomas op de wagen, tien meter achter haar, met zijn gezicht verlicht door het groene scherm van zijn stuurpaneel. Hij leek bezorgd.

"Sander," zei ze. "Hoor je me?"

Er kwam geen antwoord.

"Sander?"

Alleen een zwak, sissend geruis klonk in haar oren. Daarna een tweede geluid, dunner en hoger, als een fluitketel. Het kwam van de schotel. Het kwam van de voedingseenheid waar haar hand nog op lag.

Een stoorzender, dacht ze. Hij zendt nu uit.

"Tomas! Ik heb geen verbinding met de sluis! Kun je me horen?"

"Ik hoor je!" Zijn stem was kleiner geworden, krakend. "Maar de sluis niet. Ik heb ook geen... Lotte? Lotte, kun je..."

De rest verdronk in ruis.

Mara liet de sleutel los. Ze trok zich langs de arm naar achteren, met haar hart bonzend, in de richting van de wagen. Ze dacht aan de lijn, aan de twintig meter kabel. Ze wilde de lijn volgen terug naar het dok. Ze greep hem met haar rechterhand.

Hij gaf mee.

Het was een kleine, zachte beweging. Een slap trekje, als aan een draad die vrij is. Ze keek naar haar hand. In haar handschoen lag het uiteinde van de lijn, vijf meter lang. Het uiteinde was glad en strak, zonder gerafelde vezels. Het was met een mes doorgesneden. Niet helemaal. Voor driekwart, zodat het even had gehouden.

Ze wist meteen wat dat betekende.

"Tomas!" schreeuwde ze. Het hielp niet. Ze hoorde zichzelf alleen in haar eigen helm.

De ruimte trok aan haar.

Het was het eerste wat ze voelde: een zachte, langzame trek, als een hand die haar heel voorzichtig meenam. Door de kracht waarmee ze zich had afgezet, dreef ze van de arm weg. Eerst een halve meter. Dan een hele. Haar handen graaiden naar de rand van de schotel en grepen koude lucht.

"Nee," fluisterde ze. "Nee, nee, nee."

Ze tastte naar de zakmotor aan haar heupen. Ze greep de hendel, richtte de stralen naar het station en trok.

Er kwam een kort sissen. Dan niets.

Ze trok nog eens. Er klonk een zwak klikje. Op het kleine paneel binnen haar vizier gloeide een rood cijfer: 00%.

De motor was leeg.

* * *

Mara had veel dingen meegemaakt. Ze had in een orkaan op de Noordzee gestaan. Ze had de dood van haar vader aanzien, zes maanden lang. Ze had nooit geschreeuwd.

Nu schreeuwde ze niet. Ze voelde alleen hoe alles stil werd, scherp en helder, zoals het wordt als je op een hoge rand staat.

Ze dreef weg. Langzaam, maar onomkeerbaar. Het station werd kleiner. De antennearm trok voorbij als een dunne witte streep. Ze zag de wagen van Tomas, zwevend en klein, die zich omdraaide en met een krachtige beweging van zijn stuurstangen in beweging kwam. Hij reed op haar af. Maar zijn wagen was langzaam, met gasstralen die hem maar zachtjes duwden.

Ze rekende. Ze deed het zonder na te denken: haar snelheid, de afstand, zijn versnelling. Het klopte niet. Hij zou haar niet inhalen. Ze dreef sneller weg dan hij kon bijhouden, omdat ze door de zwaartekracht van Callisto in een andere baan terechtkwam.

Ik kan ademen, dacht ze. Mijn tank is vol. Ik heb vier uur. Iemand komt.

Ze dacht aan haar moeder. Aan de weilanden. Aan de koeien die wegliepen als ze met de tractor in een rechte lijn reed. Ze dacht: wat een belachelijke manier om dood te gaan.

En toen hoorde ze het.

Eerst heel zacht. Een toon in haar helm, onder de ruis. Een lage, volle toon, tweehonderdtwaalf hertz. Daarna een tweede, hoger. Ze voelde haar tanden trillen.

Hier, zei de toon.

Ze verstijfde. Het kwam niet uit haar radio. Het kwam niet uit haar pak. Het kwam uit de ruimte zelf, uit de stilte, uit de zwarte schijf onder haar.

Wie?

"Mara," fluisterde ze. "Ik ben Mara."

Er kwam een korte stilte. Daarna, in haar helm, in haar borst, in de lucht tussen haar vingers:

Ma.

Ze begon te huilen. Ze kon er niets aan doen. De tranen liepen over haar wangen en verdwenen achter haar kin in de kraag van het pak.

"Help me," zei ze zachtjes. "Alsjeblieft."

Blijf, zei de toon.

"Dat probeer ik."

Ze draaide langzaam rond, de sterren gleden voorbij. Toen ze half rond was, zag ze iets wat er niet zou moeten zijn. Een lichtgevend punt, klein en fel, dat uit het station schoot en recht op haar af kwam.

Het was geen wagen. Het was een persoon.

"Sander," fluisterde ze.

* * *

Hij kwam als een kogel, een witte figuur met twee fel brandende gasstralen aan zijn rug. Hij had geen veiligheidslijn. Hij had geen reserve. Hij had alleen een zakmotor en zijn eigen tank. Hij schoot door het zwarte niets, dwars door de baan van haar val, en haalde haar in.

Ze botsten zacht. Zijn armen sloten zich om haar heen. Ze voelde de stevige druk van zijn armen door de stof, zijn helm tegen de hare.

"Ik heb je," zei hij. Zijn stem klonk in haar helm, hees, dicht bij haar oor. Hij had een noodkanaal gebruikt, een korte draad die hij tussen hun helmen had aangesloten. "Mara, ik heb je."

"Mijn motor is leeg."

"Die van mij ook bijna." Hij draaide hen langzaam. Ze zag de tank op zijn rug, met een gloeiend rood lampje. "We hebben genoeg voor één poging. Ik moet je vasthouden. Laat niet los."

"Ik laat niet los."

"Dan gaan we."

Hij richtte zijn motor op het station, duwde, en de wereld schoof. Ze gleden terug, langzaam eerst, dan sneller. Het station groeide. De sluis, een klein groen licht in het zwart, kwam dichterbij.

Haar hart bonsde. Ze klampte zich aan hem vast. Ze voelde zijn ademhaling door haar eigen helm, snel en ondiep. Ze voelde dat hij trilde.

"Sander."

"Ja?"

"Je hebt geen lijn."

"Nee."

"Je zou er niet uit zijn gekomen."

"Dat klopt."

"Waarom?"

Hij antwoordde niet meteen. In het gedimde licht van het instrumentenpaneel zag ze zijn gezicht, grauw en nat van het zweet, zijn kaak strak. Zijn ogen waren open, bruin, onverschrokken.

"Omdat ik niet nog iemand wilde verliezen," zei hij. "Niet nu. Niet jou."

Haar keel brandde. Ze wilde iets zeggen. Maar de motor aan zijn rug haperde, sputterde, en hij vloekte zacht.

"Vasthouden," zei hij.

De laatste straal gaf een korte, felle stoot. De sluis kwam met een klap op hen af. Ze botsten tegen de rand. Sanders hand schoot uit en greep een leuning. Zijn pak schuurde langs het metaal. Hij hield vast, met één arm, terwijl de andere haar tegen zich aan klemde.

"Tomas!" brulde hij. "Sluis open!"

Er klonk een krakende stem in hun helmen: "Ik ben bij je! Ik heb de binnendeur al open!"

Ze trokken zichzelf het sas in. De buitendeur sloot achter hen. Een zwakke gloed van lampen. Het gehijg van pompen die lucht in de ruimte lieten stromen. Mara stond met haar rug tegen de wand, haar voeten niet meer in het niets, en voelde dat haar knieën het begaven.

Sander ving haar op. Hij trok haar helm los met snelle, trillende handen. Hij trok zijn eigen helm van zijn hoofd. De lucht in de sluis was koud en rook naar metaal, maar het was echte lucht.

Ze keken elkaar aan.

Zijn gezicht was dichtbij, nat, bleek, met rode ogen. Zijn haar plakte aan zijn voorhoofd. Hij hijgde. Zijn handen hielden nog steeds haar schouders vast, zo stevig dat het pijn deed.

"Mara," zei hij.

"Ik ben er."

"Ik dacht..." Zijn stem brak. Hij trok haar tegen zich aan, hard, zo hard dat ze geen adem meer kreeg. Zijn gezicht verdween in haar hals. Ze voelde dat hij beefde, over zijn hele lichaam, als een boom in storm.

Ze sloeg haar armen om hem heen. Ze hield hem vast. Ze zei niets. Er was ook niets te zeggen.

Achter hen, in de gang, kwam Tomas aangerend. Hij stopte bij de deur. Hij zag hen. Hij zei niets. Hij draaide zich om en bleef een tijdje met zijn rug naar hen toe staan.

En in haar hand, nog steeds geklemd in haar handschoen, lag het doorgesneden uiteinde van de veiligheidslijn.

Mara opende haar vingers. Ze keek ernaar. Het was een glad, schoon snijvlak.

"Iemand wilde dat ik niet terugkwam," zei ze. Haar stem was rustig. Dat verbaasde haar.

"Ja," zei Sander in haar hals.

"En iemand zei: Blijf."

Hij liet haar los en keek haar aan. "Wat?"

"Daarbuiten. In mijn helm. Het sprak. De Echo." Ze slikte. "Het zei mijn naam. Ma."

Sanders gezicht werd een masker van ongeloof en iets anders, iets pijnlijks en hoopvols. Hij opende zijn mond, maar sloot hem weer.

"Het was het," zei Mara. "Het wilde dat ik bleef leven."

"Dan zijn we het aan hem verschuldigd," zei Sander zacht.

Hij legde zijn voorhoofd tegen het hare. Ze bleven zo staan, in de koude sluis, tussen de zuchtende pompen, tot de rode lamp boven de deur doofde.

Alle hoofdstukken
  1. 1 Aankomst
  2. 2 Rondleiding
  3. 3 Het gat in de logs
  4. 4 De waterpomp
  5. 5 Elias Vos
  6. 6 Basis Beneden
  7. 7 Vier uur twaalf
  8. 8 De handtekening
  9. 9 Het luistert
  10. 10 De antenne
  11. 11 De tape
  12. 12 De deur die openging
  13. 13 Het oude dossier
  14. 14 Levende cellen
  15. 15 Haar naam
  16. 16 De gesloten gang
  17. 17 Koffie voor twee
  18. 18 Wat Lotte vergat
  19. 19 De tuin zonder gewicht
  20. 20 Nachtveer
  21. 21 Het lab van Ilse
  22. 22 Lotte kiest
  23. 23 Pavel in de put
  24. 24 Een zieke commandant
  25. 25 Wat Daan wist
  26. 26 De handtekening
  27. 27 Bij het ijs
  28. 28 Wat je vasthoudt
  29. 29 De evacuatie
  30. 30 Het antwoord van de aarde
  31. 31 De Ring valt stil
  32. 32 Wat Elias wist
  33. 33 Wortel
  34. 34 De stem uit de muur
  35. 35 De vertaler
  36. 36 De Zeeslang
  37. 37 De holte
  38. 38 Annelies
  39. 39 Het antwoord
  40. 40 Wortel in het licht