Echo van Kallisto · hoofdstuk 27 van 40
27. Bij het ijs
Mara werd wakker omdat Lotte haar naam zei.
Ze lag in bed, in het donker, met haar gezicht in het kussen. Ze had niet geslapen. Ze had op haar rug gelegen en naar het plafond gestaard, en de woorden van de middag steeds opnieuw gehoord. Ga. Ze was net ingedommeld, in die dunne, pijnlijke slaap die geen rust geeft.
"Mara."
"Ja?"
"Het is tien voor elf. Ik moet je iets zeggen."
"Zeg het."
"Hij is weg."
Mara zat rechtop. Ze had zich nog niet bedacht wie "hij" was, maar haar lichaam wist het al. Haar maag trok samen. "Sander."
"Hij is om tien uur uit Medisch vertrokken. Ilse sliep. Hij heeft haar niet gewekt." Lotte sprak zacht en snel. "Hij is naar het dok gelopen. Ik heb de camera's in zijn route niet uitgezet. Ik mocht niet. Maar ik heb ook niets gemeld."
"Is hij alleen?"
"Nee. Tomas wacht op hem in de Lastdier."
Mara trok haar laarzen aan met trillende handen. "Wanneer vertrekken ze?"
"Ze zijn al weg. Zes minuten geleden." Lotte aarzelde. "Mara, Tomas heeft me vlak daarvoor iets laten opnemen. Voor jou."
"Wat?"
"Een boodschap. Hij zei: Voor als ze wakker wordt. Wil je hem horen?"
"Speel af."
Het was Tomas’ stem, laag en gespannen, op de achtergrond het gebrul van motoren. "Mara, het is Tomas. Ik weet dat dit niet goed is. Maar hij wilde gaan en ik kon het niet tegenhouden. Hij is mijn commandant. Hij zei: Ik ga, met of zonder jou. Dus ik breng hem." Een korte stilte. "Ik kom je halen zodra ik hem heb afgezet. Dat beloof ik. Ik vlieg naar boven, ik pak je op, en we gaan hem halen. Wacht in het dok. Niet in de gang. In het dok."
De opname stopte.
Mara stond al. "Hoe lang duurt het?"
"Zes en twintig minuten heen, even lang terug. Je kunt er over een uur zijn."
"Een uur is te lang."
"Het is wat er is." Lotte sprak zacht. "Mara. Ik zal de dokgang voor je afdekken. Er is om kwart over elf een stroomonderbreking in de gang. Ik zal er niets aan kunnen doen."
Mara glimlachte, een krampachtige, grimmige glimlach. "Dank je."
"Wees voorzichtig."
"Altijd."
"Dat is niet waar," zei Lotte. "Maar het is lief dat je het zegt."
* * *
Ze zat in het dok toen de Lastdier terugkwam, op de kist met gereedschap, met haar ruimtepak al half aan. Het was twaalf over twaalf. De schuifdeur opende en Tomas kwam naar buiten, bleek, met rode ogen en zijn krullen plat tegen zijn voorhoofd.
"Ik heb hem afgezet," zei hij. "Pavel ving hem op."
"Hoe was hij?"
"Stil." Tomas veegde zijn gezicht af. "Hij zei bijna niets. Hij zei: Dank je, Tomas. En: Zeg tegen Mara dat het me spijt."
Mara sloot haar ogen. "Dat is zo'n stomme zin."
"Ja." Hij glimlachte, vermoeid. "Het is wel een goede."
"Vlieg."
"Ik vlieg."
Ze deed haar helm op. Tomas deed hetzelfde. Even later hing de Lastdier weer boven het ijs, met zijn motoren stil, in de lange, trage afdaling. Tomas zei niets. Zijn handen lagen rustig op de stuurknuppel. Mara keek naar de zwarte rand van het oppervlak en voelde de afstand tussen hen krimpen.
Je kon het wel zeggen.
Ze had het kunnen zeggen. Dat was waar. Ze had een briefje kunnen schuiven. Ze had in zijn oor kunnen fluisteren. Ze had hem vanochtend kunnen vertellen dat ze het deed om iets groters te beschermen. Ze had zich laten leiden door angst, en door trots, en door het idee dat ze het alleen moest doen.
Ik moet leren dat dat niet hoeft, dacht ze.
* * *
Pavel stond aan de rand van de put, met zijn handen in de lucht, en riep iets wat ze niet kon verstaan.
Ze rende. Haar laarzen schuurden over het beton, haar adem sloeg tegen het glas van haar helm. In de grote, ronde ruimte brandden alle lampen. De steigers waren verlicht. In het midden, onder de zware boortoren, gaapte de put.
Op de rand van de put lag een gestalte op zijn buik. Hij had zijn helm afgedaan. Hij droeg zijn overall, zonder pak. Zijn rechterarm hing tot aan de schouder in het gat. En rond zijn arm, over zijn hand, over zijn pols, lagen dikke, gloeiende draden ijs, die zich langzaam omhoog trokken.
"Sander!" riep Mara.
Hij hoorde haar niet. Zijn ogen waren gesloten. Zijn gezicht was bleek, bijna blauw, met gespannen lippen. Hij zag eruit als iemand die zich overgaf aan een diepe, koude slaap.
"Hij ligt er al tien minuten," schreeuwde Pavel. Zijn grote handen graaiden in de lucht. "Ik heb geprobeerd hem eruit te trekken, maar het houdt hem vast! De draden... Ze trekken hem."
"Haal hem eruit!"
"Ik kan het niet!" Pavels gezicht was een masker van angst. "Als ik trek, wordt hij zwaarder. Als ik loslaat, glijdt hij verder. Hij is bijna tot zijn schouder!"
Mara liet zich op haar knieën vallen. Ze trok haar helm los en gooide hem opzij. De koude lucht sloeg in haar gezicht. Ze greep Sanders schouder. Zijn huid was ijskoud, zelfs door de stof.
"Sander. Sander, hoor je me?"
Hij antwoordde niet. Zijn lippen bewogen. Ze zag dat hij iets zei, geluidloos, steeds hetzelfde woord.
An. An. An.
"Sander, kijk naar me!" Ze greep zijn gezicht, draaide het naar zich toe. Zijn oogleden trilden. "Het is Mara. Ik ben er. Ik ben hier."
Niets.
Ze keek naar de put. De draden gloeiden feller. Ze trokken, langzaam, regelmatig, als een ademhaling. Ze zag Sanders arm een centimeter verder naar beneden glijden.
"Pavel," zei ze. "Hou me vast."
"Wat?"
"Hou me bij mijn middel. Stevig. Wat er ook gebeurt."
"Mara, dat is..."
"Doe het!"
Hij greep haar vast, met beide armen, en drukte haar tegen zijn zware lijf. Ze trok haar handschoen van haar linkerhand. Ze keek naar het litteken, dat kolkte als een kleine rode zon. Ze haalde diep adem en legde haar hand op Sanders hand, midden in de gloeiende draden.
* * *
Het was alsof ze in diep, ijskoud water viel.
Eerst was het stil. Een volkomen, donkere, drukkende stilte, als diep onder de zee. Ze hoorde niets, voelde niets, zag niets. Alleen haar eigen hartslag, die langzaam en zwaar dreunde.
Daarna kwam het licht.
Het kwam van onderen, heel ver, als een lamp aan de bodem van een put. Het groeide. Het werd groot en wit en warm. Ze zweefde erop af, of het kwam op haar af, ze wist het niet. Ze zag een enorme holte, zo groot als een stad, vol zacht licht. Aan de wanden hingen draden, miljoenen, fonkelend als sterren. En in het midden, in een kring, lagen zes gestalten.
Ze zag Annelies. Ze lag op haar rug, met haar armen langs haar lijf. Haar gezicht was kalm. Ze droeg haar oude witte jas. Haar korte, donkere haar lag op de grond als een waaier. Om haar heen, in haar, door haar heen, liepen de draden als een tweede huid.
Daar naast haar, een stukje bovenop, hing iets anders. Het was Sander. Een beeld van Sander, of een gedachte aan hem, of zijn eigen geest. Hij stond naast haar en keek omlaag. Zijn gezicht was nat.
"Ik ben hier," zei hij, in de droom, zonder woorden.
Annelies opende haar ogen.
Ze waren groen, met lachrimpels in de hoeken. Ze keken omhoog, recht in Maras. En ze zeiden niets, en ze zeiden alles. Er was geen schrik in, geen verwijt. Alleen liefde, en een heel groot, vriendelijk geduld.
Sander, klonk haar stem, niet met haar mond, maar uit de lucht, uit het licht, uit alle draden tegelijk. Je bent gekomen.
Ja, zei Sander.
Je mocht niet alleen komen.
Ik weet het.
Je hebt Mara pijn gedaan.
Er viel een stilte. Mara zag hem zijn hoofd laten zakken.
Ik weet het, zei hij. Het spijt me.
Zeg het haar. De stem was zacht, en een beetje streng, en vol warmte. Zeg het haar als je terug bent. En laat haar haar werk doen. Ze is de enige die het kan.
Wat moet ze doen?
Wacht. De ogen gleden naar Mara, en de vrouw glimlachte. Het was een lach die Mara kende van de foto, een brede, lachende mond met rimpels in de hoeken. Ze weet het. Ze moet het alleen nog voelen.
Hoe lang?
Tot de twaalfde.
En dan?
Dan kom ik naar huis. Annelies sloot haar ogen. Als jullie me laten.
Het licht trok zich terug. Het beeld vervaagde. Mara voelde dat ze viel, snel, door een lange, donkere tunnel. Ze hoorde zichzelf schreeuwen. Daarna was er een klap, en koude lucht, en de stank van olie en ijs.
* * *
Ze lag op haar rug op het beton. Haar hoofd tolde. Haar hand brandde, alsof ze in een open haard had gegrepen. Boven haar hing het gezicht van Pavel, grijs en vol zweet.
"Mara!" riep hij. "Mara, ben je er?"
"Ik ben er." Ze hoestte. "Waar is hij?"
"Hier."
Ze draaide haar hoofd. Naast haar lag Sander, op zijn rug, met open ogen. Zijn rechterarm lag als een dode vis op zijn borst. Hij was bleek en nat van het zweet, maar hij ademde. Hij keek naar het plafond. Er liepen tranen over zijn slapen, in zijn haar.
"Sander."
"Ik weet het," zei hij schor. Hij draaide zijn gezicht naar haar. Zijn ogen waren rood, helder, volkomen open. "Ik heb haar gezien. Ik heb haar gesproken."
"Ik weet het."
"Je was erbij."
"Ja."
"Ze zei dat ik moest wachten." Hij lachte, of snikte. "Ze zei dat ik me moest verontschuldigen."
"Dat hoeft niet."
"Het hoeft wel." Hij kroop naar haar toe, op zijn ellebogen, en pakte haar hand, de linker, de gloeiende. Hij drukte hem tegen zijn gezicht. "Mara. Het spijt me. Ik was bang. Ik heb je onrecht gedaan. Ik dacht dat je je moeder boven alles stelde. Ik dacht dat je ons verried."
"Ik heb getekend omdat ik geen keuze had."
"Dat weet ik nu." Hij kuste haar vingers. "Ze zei het. Zij weet alles."
"Annelies."
"Ze is wijzer dan wij samen." Hij lachte nat. "Ze heeft me in een droom de les gelezen."
Mara begon te lachen. Het kwam zomaar, onbeheerst, een korte schorre lach die in een snik overging. Ze trok hem naar zich toe. Hij liet zich tegen haar aan vallen, zijn gezicht in haar hals, zijn hele lijf trillend. Ze hield hem vast. Ze hield hem zo stevig vast dat het pijn deed.
Pavel stond erbij. Hij had zijn grote handen in zijn haar gestoken en keek naar hen, hijgend, met een gezicht dat langzaam ontspande.
"Jullie zijn gek," zei hij. "Jullie zijn allebei compleet gek."
"Ja," zei Mara.
"Ik heb mijn brood in de oven laten staan."
Het was het gekste wat hij had kunnen zeggen. Ze lachten alle drie, hard en hulpeloos, op het koude beton, onder de zware toren, met een gat in de aarde naast zich dat zachtjes fluisterde.
Wij, zong het. Wij. Wij.
* * *
Het brood was inderdaad bijna verbrand. Pavel haalde het met een grote tang uit de oven en keek er treurig naar. De korst was bijna zwart. Hij brak er een stuk af, snoof, en haalde zijn schouders op.
"Eetbaar," zei hij. "Voor mensen met mazzel."
Ze zaten met zijn vieren in het gemeenschappelijke vertrek van de basis, aan de lange tafel: Pavel, Tomas, Sander en Mara. Sander droeg een deken om zijn schouders. Zijn rechterarm lag op tafel, in een kom lauw water die Pavel had klaargezet. De huid was rood en rauw, met kleine witte lijntjes, als vorst op een raam. Hij bewoog zijn vingers langzaam, een voor een.
"Het doet geen pijn," zei hij verwonderd.
"Dat is raar," zei Mara. "Het zag eruit alsof het pijn zou doen."
"Ik voel het wel. Een soort tinteling. Alsof hij heel diep slaapt." Hij keek ernaar. "En wakker wordt."
Tomas zat tegenover hem, met zijn hoofd in zijn handen. Hij was nog steeds bleek. Hij had al twee kopjes koffie gedronken zonder iets te zeggen. Nu keek hij op.
"Mag ik iets zeggen?"
"Zeg het," zei Sander.
"Ik wil niet meer tussen jullie in zitten." Hij haalde diep adem. "Ik zat in die shuttle, met jou achterin, en ik dacht: dit gaat mis. Dit gaat helemaal mis. En ik dacht aan Mara, die zei dat het een goed plan was, om stap voor stap te gaan. En jij ging in één keer."
"Dat was dom."
"Het was dom. Het was ook..." Tomas aarzelde. "Het was het enige wat jij kon. Dat snap ik nu. Je kunt niet wachten op iemand die je liefhebt."
"Dat zeg je goed," zei Pavel.
"Ik heb het van Yara." Tomas lachte, wazig. "Ze zei: Mensen die liefhebben zijn nooit rationeel. Daarom is het zo mooi."
Mara glimlachte. Ze keek naar Sander. Hij zat rechtop, met zijn arm in het water, en keek terug. In zijn ogen stond zo veel dat ze haar blik niet kon afwenden.
"Het spijt me," zei hij. "Ik heb het al gezegd. Maar ik zeg het nog eens."
"Je hoeft het niet te zeggen."
"Ik wil het zeggen." Hij schoof zijn andere hand over de tafel en legde hem over de hare. "Je hebt gelijk gehad. Over alles. Ik zat te veel in mezelf. Ik zag niet dat jij ook iets te verliezen hebt."
"Ik heb je ook niet verteld wat ik deed."
"Je kón het niet."
"Maar ik had het kunnen proberen." Ze draaide haar hand om, zodat hun vingers in elkaar sloten. "Van nu af aan vertel ik alles. Hardop, op papier, door een deur. Waar dan ook."
"Dat is een goede afspraak."
"Het is de beste."
Pavel stond op. Hij legde een groot, zwart brood in het midden van de tafel en zei, een beetje plechtig: "Ik ga naar mijn bed. Tomas, jij ook. De shuttle blijft hier tot het licht wordt. Elias slaapt tot zes uur. Lotte zei het."
"Lotte?" Mara keek verrast op.
"Ze stuurde een boodschap naar de radio. Zonder woorden. Alleen een toon." Pavel grijnsde. "Ik ben ook een beetje gaan luisteren, hè."
"Wat zei ze?"
"Dat Femke in Sanders bed ligt, onder de dekens, met een kussen onder haar hoofd en een boek op haar buik." Hij lachte zijn diepe, lage lach. "Ze zegt dat ze er schattig uitziet. En dat Ilse een stoel naast haar heeft gezet, en zit te breien."
"Ilse breit niet," zei Sander.
"Vanavond wel."
Tomas stond op. Hij gaf Mara een klopje op haar schouder, groot en onhandig, en liep achter Pavel aan de gang in. In de deur draaide hij zich om.
"Ik ben blij dat jullie weer gewoon zijn," zei hij. "Of ten minste... gewoon voor jullie doen."
Daarna waren ze alleen. De ruimte was stil. In het fornuis knisperde het laatste hout. Aan de wand tikte een klok. Ergens diep onder hen zong, heel zacht, iets mee.
Sander tilde zijn arm uit het water. Hij droogde hem af met een doek. Daarna keek hij naar Mara, lang en rustig.
"Mara."
"Ja?"
"Blijf je bij me vannacht?"
Ze hoefde niet na te denken. "Ja."
"Ik wil niets doen wat je niet wilt."
"Dat weet ik."
"Ik wil alleen..." Hij zocht naar woorden. "Ik wil alleen weer bij je zijn. Ik wil je voelen. Ik wil weten dat je er bent."
"Ik ben er."
Hij stond op. Hij hield zijn hand uit. Ze nam hem aan, en ze liepen samen de donkere gang in, naar de kleine kamers aan het einde, waar de logeerbedden stonden, in de nieuwe vleugel, ver van de gesloten gang.