Echo van Kallisto · hoofdstuk 38 van 40
38. Annelies
"Mara." Elias' stem kwam door de radio, hees en snel. "Ze hebben een cilinder bij de put gezet. Nachtveer. Er staat een timer op. Veertien minuten, nu. Je moet omhoog."
Mara stond met beide handen op de lichtgevende steen. Onder haar vingers pulseerde het ijs, in het ritme van haar eigen hart. Ze zong niet meer. Ze had het lied tot het einde gebracht en wilde het opnieuw beginnen, maar ze liet het even rusten, om te luisteren.
"Hoeveel is er verzonden?" vroeg ze.
Er klonk gekraak, een stem op de achtergrond. Daarna Femke, ademloos: "Zevenendertig procent. Het gaat snel, Mara. Veel sneller dan we dachten. Nog twintig minuten, misschien vijftien."
"Dat is te lang," zei Elias.
"Ik heb het niet over de tijd," zei Mara. "Ik heb het over het gas. Hoe snel valt het?"
"Gas is zwaarder dan lucht. Het valt als water." Hij sprak snel en vlak, als iemand die iets opzegt wat hij al honderd keer heeft gelezen. "Het zakt door de schacht in vier minuten. Daarna vult het de holte."
"En de Echo?"
"Het sterft."
Mara zei niets. Ze keek om zich heen, naar de zes cocons, naar de miljoenen gloeiende draden, naar de koepel van ijs boven haar. Alles bewoog zacht. Alles luisterde.
"Mara," zei Elias. "Kom naar boven."
"Nee."
"Ze haalt je er anders niet uit."
"Dat weet ik."
"Mara—"
"Elias." Ze sprak rustig. "Als ik nu naar boven kom, stopt de uitzending. Dan hebben we niets. Dan is het allemaal voor niets geweest, voor Daan, voor Annelies, voor die zes. Ik blijf."
"Dan ga je dood."
"Misschien niet."
Ze liet de radio zakken. Ze keek naar de zesde cocon, naar de vrouw met de groene ogen, die haar aankeek.
"Annelies," zei ze. "Wat kunnen we doen?"
* * *
Er is één ding.
De stem kwam nu van dichtbij. Annelies had zich bewogen. De draden rond de cocon openden zich, langzaam, als de bladeren van een bloem, en het vlies waarin ze lag trok zich terug. Ze zakte, millimeter na millimeter, tot ze op het platform stond. Een vrouw van achtendertig, in een vergeelde, witte jas, blootsvoets op het gloeiende ijs, met haar handen open langs haar lijf. Ze zwaaide even. Ze vond haar evenwicht.
Mara zag dat de draden nog aan haar vastzaten. Dunne, groene lijnen, die uit haar polsen, haar nek, haar rug kropen en wegtrokken in het web. Ze was geen gevangene. Ze was een deel van het web, en het web was een deel van haar.
"Hallo," zei Annelies.
Het was haar eigen stem, ditmaal. Niet uit de muren, maar uit haar mond, laag, rauw, met die rafelrand. Ze klonk als iemand die jaren niet had gesproken en nu zonder moeite alle woorden terugvond.
"Hallo," fluisterde Mara.
"Je ziet er moe uit." Annelies glimlachte. Haar ogen glinsterden. "Dat ben ik ook. Het is een vreemde sensatie, na drie jaar. Ik ben mijn benen vergeten."
"Je loopt."
"Een beetje." Ze deed een stap, wankelend, en lachte, een kort, helder geluid. "Het wezen draagt me. Als het me zou loslaten, viel ik om."
"Annelies, het gas—"
"Ik weet het. Ik voel het al." Ze keek omhoog, naar de schacht, waar het blauwe licht doofde in de donkere, zwarte buis. "Het is bang, Mara. Het is nog nooit zo bang geweest."
"Wat kunnen we doen?"
"Het kan de schacht sluiten." Annelies sprak langzaam. "Het kan een prop maken, van ijs, in de buis. Het gas kan er niet door. Maar..."
"Maar?"
"Dan zijn we ingesloten. De kooi kan niet omhoog. Jij kunt niet weg."
Mara keek naar de kooi, naar de dunne kabel. Ze zag in gedachten Pavel bij de lier, zijn grote handen op het wiel.
"En de zender?"
"Blijft werken. De kabel gaat door het ijs. Het wezen laat hem met rust."
"En de lucht?"
"Het ijs ademt." Ze glimlachte weer. "Het heeft ons drie jaar in leven gehouden. Een mens meer is niet moeilijk."
"Dan doen we het."
"Het is niet zonder gevaar." Annelies kwam naar haar toe. Ze stapte voorzichtig, haar handen uitgestrekt, als iemand die over een smal pad loopt. "Als de prop breekt, als ze hem opblazen, zijn we er allemaal geweest."
"Ik weet het."
"Dan weet je ook dat het me spijt."
"Waarvan?"
"Dat jij het was die ze nodig hadden." Annelies bleef staan, op een armlengte afstand. Haar ogen waren vol. "Ik had liever gehad dat jij gewoon een boerin was gebleven."
Mara lachte, door haar tranen heen. "Ik ook," zei ze.
"Je bent een goede boerin geweest, denk ik."
"Ik was acht."
"Dat is oud genoeg."
Ze stonden daar, twee vrouwen op een platform van ijs, in het licht van een wezen dat ouder was dan de zon, en keken elkaar aan. Toen strekte Annelies haar hand uit. Mara pakte hem. Hij was warm en droog, de hand van een levend mens, met een litteken op de duim.
"Laat het sluiten," zei Mara.
Annelies sloot haar ogen. Ze zei iets zonder geluid. Boven hen begon het ijs te kreunen.
* * *
Het gebeurde in een paar tellen. Uit de wanden van de schacht schoot een bleke, witte massa, als een zwelling in de huid van een wezen, en vulde de buis van binnen naar buiten. Mara hoorde het krakend dichtgroeien, hoog boven hen, in het donker. Daarna werd het stil. De kooi hing roerloos aan haar kabel, met zijn deur open, als een kooi zonder vogel.
Op de radio klonk een kraak. Daarna Pavels stem, ver weg en vlak, alsof hij door een kussen sprak.
"Mara? Mara, wat is dat? De put... de put is dicht. Het ijs is omhoog gekomen. Ik heb de lier niet meer."
"Het is goed," zei ze. "Ik ben veilig. Het wezen heeft de schacht afgesloten."
"Het wat?"
"Het beschermt ons. Het heeft het gas tegengehouden."
Een lange stilte. Daarna, zacht, bijna onhoorbaar: "Dank God."
"Pavel."
"Ja?"
"Zeg tegen Femke dat ze de uitzending niet moet stoppen."
"Ze stopt niet." Hij lachte schor. "Ze zit op de kist, met haar armen om de zender, en niemand kan haar eraf krijgen."
Mara glimlachte. Ze liet de radio zakken, op het platform. Ze keek naar Annelies. Annelies keek terug, bleek en rustig, met haar hand nog in de hare.
"En nu?" vroeg ze.
"Nu wachten we," zei Annelies. "En nu kunnen we de anderen wakker maken."
* * *
Ze ontwaakten een voor een, zonder haast, zoals kinderen op een zondagochtend.
De eerste was Rania. Ze opende haar ogen, kort, en sloot ze weer. Daarna lachte ze, zacht. Ze zei iets in een taal die Mara niet verstond, en Annelies antwoordde. "Arabisch," vertaalde Annelies. "Ze zegt dat ze honger heeft." Daarna kwam Jelle, een lange, magere man met rood haar, die opschrok en zei: "Is het ochtend?" Daarna Wilma, een kleine, ronde vrouw van vijftig, met grijs haar, die haar handen voor haar gezicht sloeg en huilde. Daarna Kees. Daarna Lars.
Het kostte tijd. Mara knielde bij ieder van hen neer, hield hun hand vast, zei hun naam. Ze zag hun ogen helder worden, hun lippen bewegen, hun benen trillen. Ze zag de draden loslaten, een voor een, en terugkruipen in het ijs, met kleine, zachte, afscheidende knikjes.
"Welke dag is het?" vroeg Jelle.
"Elf mei," zei Mara. "Tweeduizend honderdeenennegentig."
Hij staarde haar aan. Zijn lippen bewogen, rekenend. "Dat is... drie jaar."
"Bijna."
"Ik heb een verjaardag gemist." Hij lachte, wankel. "Mijn zoon. Hij werd zes."
"Dan is hij nu negen," zei Wilma zacht, en pakte zijn hand. "En hij wacht op je."
"Het is oké," zei Mara steeds. "Jullie zijn veilig. Jullie zijn thuis."
"Waar is thuis?" vroeg Lars. Hij was jong, nog, met zijn gebroken bril op zijn neus. Zijn stem trilde.
"Dat is een goede vraag," zei Mara.
"Het is een goede vraag," zei Annelies. Ze zat naast hem, met haar arm om zijn schouders. "We zullen het samen uitzoeken. Maar eerst eten we iets."
"Hebben jullie iets te eten?"
"Ik heb een boterham," zei Mara. "In mijn jaszak. Van Pavel."
Ze haalde hem tevoorschijn, verfrommeld, in een stuk folie. Zes handen strekten zich uit. Ze verdeelde hem in zes stukjes, met een kleine, bevende mond, en iedereen kauwde, plechtig, alsof het het sacrament was.
"Het is brood," zei Wilma, zacht.
"Het is Pavels brood."
"Het is het beste brood dat ik ooit heb gegeten."
Kees, een forse man met een grijzende snor, die als laatste was wakker geworden, bleef lang zwijgend naar zijn handen kijken. Daarna zei hij, tegen niemand in het bijzonder: "Ik had het gehoord. Al die tijd. Ik hoorde jullie praten, boven, in de leidingen. Ik hoorde Pavel zingen, die ouwe beer. Ik dacht dat ik gek werd." Hij keek op, en zijn ogen waren vochtig. "Ik ben niet gek geworden, hè?"
"Nee," zei Mara. "Je hebt alleen heel goed geluisterd."
Mara lachte. Ze voelde de tranen over haar wangen lopen en wilde ze niet meer tegenhouden. Het was zo gek, zo ongelooflijk, zo gewoon: zes mensen die drie jaar hadden geslapen, op een eiland van ijs, onder de grond van een maan, en die een boterham aten.
* * *
Daarna, toen de anderen rustiger waren geworden, liep Annelies met haar terug naar de rand van het platform, naar de lichtgevende steen.
"Mara."
"Ja?"
"Ik wil je iets vertellen. Ik moet het nu zeggen, voordat het te laat is."
"Je kunt het zeggen."
"Ik ben niet meer als zij." Annelies knikte naar de anderen. "Zij zijn losgemaakt. Zij kunnen weg. Zij kunnen naar boven, als de schacht opengaat, en een nieuw leven beginnen. Maar ik..." Ze zocht naar woorden. "Ik ben de vertaler. Ik ben het deel dat verstaat wat het wezen zegt. Als ik wegga, begrijpt het niemand meer."
"Je kunt blijven praten, ook als je weg bent."
"Nee." Ze schudde haar hoofd. "Ik heb het geprobeerd. Als ik te ver van de draden ben, word ik stil. Het is als een radio zonder antenne."
"Dan blijf je."
"Ik wil niet weg." Annelies zei het zacht, bijna verbaasd. "Dat is het gekke. Ik dacht dat ik, als ik de kans had, zou rennen. Naar boven, naar Sander, naar huis. Maar ik ben hier geworteld. Ik heb hier een taak."
Mara zei niets. Ze dacht aan Sander, aan zijn hand tegen de muur, aan zijn schouders.
"Hij weet het," zei Annelies, alsof ze haar gedachten las. "Hij heeft het in mijn stem gehoord. Hij zal het niet leuk vinden. Maar hij begrijpt het."
"Hij houdt van je."
"Ik weet het. Ik van hem." Ze glimlachte, bedroefd en helder. "Maar Mara, ik heb één verzoek."
"Zeg het."
"Zorg voor hem. En zorg dat hij mij bezoekt. Niet iedere dag. Een keer per maand misschien. Hij moet bij me blijven komen, ook als hij jou heeft. Dat is geen verraad. Dat is liefde."
Mara drukte haar hand. "Ik beloof het."
"En ik beloof iets terug." Annelies boog zich naar haar toe. Ze fluisterde, zo zacht dat de anderen het niet konden horen. "Ik zal niet toelaten dat het jou iets doet. Wat er ook gebeurt vandaag. Wat ze ook doen. Ik zal jou beschermen."
"Annelies—"
"Het is geen offer," zei ze. "Het is een vriendschap."
De steen onder hun handen pulseerde. Op de radio, naast hen, klonk Femkes stem, zwak maar jubelend:
"Mara! Het is zeventig procent! Het gaat zo snel! Als het zo doorgaat, zijn we over tien minuten klaar!"
"Hoor je dat?" zei Annelies.
"Ik hoor het." Mara keek naar de zes mensen die om haar heen zaten, vuil en mager, met stukjes brood in hun handen en tranen op hun gezicht. Ze dacht aan Sander, ver boven haar, die dit allemaal zou horen. Ze dacht aan haar moeder in een tuin. Het was niet de tijd om bang te zijn, en toch was ze het.
"Nog tien minuten. Dan weet de hele Aarde het." Haar ogen glansden. "En dan, Mara... dan komt het antwoord."
"Van de steen."
"Van de steen." Ze zweeg even. Haar blik ging omhoog, naar de dichtgegroeide schacht. "Maar eerst moeten we een uur overleven. Een uur, met de mensen die ons willen doden, aan de bovenkant."
Boven hen, heel zwak, door honderden meters ijs, klonk een geluid. Een zacht, rollend gedreun, als van een machine die op steen stootte. Daarna een tweede.
"Wat is dat?" fluisterde Wilma.
"Dat," zei Annelies, "is een boor."