Echo van Kallisto · hoofdstuk 23 van 40
23. Pavel in de put
Tomas Reyes vloog de Lastdier zonder licht naar beneden.
Het was de eenentwintigste april, even na twee uur 's nachts. De schaduw van Callisto lag zwart onder hen. Door het raam zag Mara alleen sterren en één dunne, witte lijn van het oppervlak. Naast haar, in de copilotenstoel, zat Tomas met beide handen om de stuurknuppel. Zijn kaak was gespannen. Zijn ogen schoten over de instrumenten.
"Ik heb dit nog nooit gedaan," fluisterde hij.
"Zei je niet dat je het kon?"
"Ik zei dat het kon. Ik zei niet dat ik het kon." Hij ademde in. "Zonder Lotte. Zonder landingscomputer. Dit is zoals vliegen vóór er computers waren. Zoals mijn opa deed."
"Was je opa piloot?"
"Hij was boer. Maar hij vloog ook met een sproeivliegtuig." Tomas grijnsde, bleek en krampachtig. "Het zit in de familie. Het is aangeboren. Als ik niet naar beneden kijk, gaat het goed."
"Je kijkt wel naar beneden."
"Ik kijk heel erg naar beneden." Hij liet de neus van het schip zakken. "Houd je vast."
Lotte had hen laten gaan. Ze had niet kunnen helpen, niet kunnen zeggen waar ze moest zijn, maar ze had iets gedaan wat Mara niet had verwacht. Toen Tomas om twee uur de sluis opende, had ze gezegd, zacht en snel: "Ik heb net een storing in mijn dokregistratie. Het duurt een uur en veertig minuten." Daarna had ze gezwegen. Het was het enige wat ze kon doen. Het was meer dan genoeg.
De maan kwam dichterbij. Mara zag kraters, schaduwen, de spitse witte torens van de ijspinakels, onder hen voorbijglijden als de tanden van een enorme kam. Tomas zocht de plek waar Basis Beneden lag. Hij vond hem in een bocht, een kleine verzameling koepels in de schaduw van een krater.
"Daar," zei hij. "Ik zie licht. Pavel heeft de landingslampen aangezet."
"Kun je het?"
"Ik weet het niet." Hij haalde zijn handen van de knuppel, wreef ze droog aan zijn overall en pakte hem weer vast. "Dit is de enige keer in mijn leven dat ik mijn moeder gelijk geef. Ze zei altijd: Tomas, je bent te onvoorzichtig."
"En wat zei je terug?"
"Ik zei: ik ben piloot, mama. Dat is hetzelfde."
Hij lachte. Daarna concentreerde hij zich. De Lastdier zakte in een lange, zachte boog. Het stof wervelde op in een grijs wolkje. De motoren brulden. Mara voelde de trillingen door de stoel in haar botten.
Er klonk een harde klap. Een schok. Een lang, schurend geluid van metaal op ijs. Toen niets.
"Kan ik adem halen?" vroeg Mara.
"Dat mag." Tomas liet zijn hoofd tegen de stoel zakken. Hij trilde van top tot teen. "Dat was de slechtste landing van mijn leven."
"Hij was prachtig."
"Je liegt."
"Ja," zei Mara, en ze lachte. "Maar hij was ook prachtig."
* * *
Pavel stond niet bij de sluis.
Dat was het eerste wat Mara opviel toen ze in haar ruimtepak door de lange gang van Basis Beneden liep. De lampen brandden, de machines zoemden, de lift stond klaar. Maar de man die hen anders altijd opwachtte, met meel in zijn baard en een mok koffie, was nergens te zien.
"Pavel?" riep Tomas.
Geen antwoord.
"Misschien is hij in de put."
"Dat denk ik ook." Mara trok haar handschoenen uit. "Kom."
Ze liepen door de zwarte schuifdeur de grote ronde ruimte in, met de steigers en de toren. Het was stil. Het was koel. De lucht rook naar steen. Aan de rand van de put brandde één lamp, en daaronder zat een grote gestalte op de grond, met zijn rug naar hen toe, zijn benen over de rand.
"Pavel," zei Mara zacht.
Hij draaide zijn hoofd om. Zijn gezicht was bleek en vredig. Zijn ogen waren groot. Hij glimlachte, langzaam, als een man die uit een heel mooie droom wakker wordt.
"Mara," zei hij. "Tomas. Jullie zijn er."
"We kwamen de radio brengen."
"De radio." Hij knikte. "Ja. Die is klaar. Hij staat in de gang. Ik heb hem opgebouwd." Hij keek terug naar de put. "Ik zat hier te luisteren."
Mara liep naar hem toe. Ze hurkte naast hem neer. Dichterbij zag ze dat hij zijn handschoenen had uitgetrokken. Zijn ruwe, grote handen lagen plat op de rand van het gat, op een dun laagje ijs dat daar had gegroeid, in fijne, lichtgevende draden. Ze gloeiden zwak in het donker.
"Hoe lang zit je hier al?" vroeg ze.
"Sinds gisteravond. Misschien eerder." Hij haalde zijn schouders op. "Ik ben vergeten te eten. Dat is nog nooit gebeurd."
"Pavel, je bent bevroren."
"Nee." Hij schudde zijn hoofd. "Ik heb het niet koud. Het is warm. Heel warm." Hij sloot zijn hand om het ijs, langzaam. "Kijk."
Hij stond op. Het was een rare, vloeiende beweging. Mara keek ernaar en snapte het ineens niet. Wat was er anders? Dan zag ze het: hij hinkte niet.
"Je knie," fluisterde ze.
"Ja." Hij stampte, een keer, met zijn linkervoet. Het klonk als een grote, gezonde stap. "Zes jaar. Zes jaar had ik geen knie. Een val van een steiger, in Rusland. Ik slaap met een kussen tussen mijn benen. Ik loop als een oude man." Hij glimlachte. "Vannacht niet."
"Het ijs heeft je genezen."
"Het heeft gevraagd of ik wilde." Zijn stem klonk rustig, onder de ruwe bas. "Ik zat hier. Ik had brood meegenomen. Ik legde het voor het gat. Ik zei: Ik bak voor je. Als je honger hebt, mag je het hebben. Het was een grap, voor mezelf."
"En toen?"
"Toen zong het." Pavel keek in de put. "Niet zoals eerst. Het was zacht. Ik voelde het in mijn knie. Het was warm. En ik begreep wat het zei."
"Wat zei het?"
"Dank."
Mara voelde de rillingen over haar rug lopen. Naast haar stond Tomas met zijn mond open, als een kind dat een tovenaar ziet.
"Het zei dank voor het brood," zei Pavel zacht. "En toen heb ik gehuild. Ik huilde zo hard dat ik niet meer kon staan. Ik zat hier en huilde als een kind. Omdat iemand dank zei. Voor brood."
Hij veegde zijn gezicht met zijn mouw. Daarna keek hij Mara aan.
"En toen liet het me iets zien."
"Wat?"
"Een plaatje." Hij raakte zijn slaap aan. "Hier. In mijn hoofd. Geen woorden. Een beeld. Een grote ruimte, diep onder het ijs, vol licht. Als een kathedraal. En in het midden..." Hij slikte. "Zes mensen."
Mara hield haar adem in.
"Ze lagen in een kring. Op hun rug. Met hun gezichten naar boven. Ze droegen allemaal hun werkpak. Ze hadden hun ogen dicht. Er hingen draden aan hen, zoals aan Daan. Het licht kwam van hen." Zijn stem beefde. "Ze zagen eruit alsof ze sliepen. Maar het was geen slaap die je doodmaakt. Het was een slaap die iets bewaart."
"Waren ze levend?" vroeg Tomas, fluisterend.
"Ik denk het." Pavel keek hem aan. "Ik herkende Rania. Haar haar was nog hetzelfde. Ze had een lach op haar mond. En Annelies. Ze lag het dichtst bij het licht."
"Annelies," herhaalde Mara.
"Ze keek niet blij. Ze keek geconcentreerd. Alsof ze luisterde." Pavel slikte. "Ik wil het Sander zeggen. Maar ik weet niet hoe."
"Dat doen we samen."
"Is het waar?" vroeg Tomas. "Of zie je dingen?"
"Ik weet het niet." Pavel haalde zijn schouders op. "Ik ben boorleider, geen dichter. Maar mijn knie is gezond. En ik heb het gezien."
Mara stond op. Ze legde haar hand op zijn onderarm. "Pavel. Ik geloof je."
"Dank je."
"Mag ik iets proberen?"
"Wat?"
Ze knielde bij de rand van het gat, naast het laagje glinsterende ijs. Ze trok haar handschoen uit. Haar blote linkerhand voelde de koude luchtstroom die uit de diepte opsteeg. Het litteken gloeide, fel nu, als een kleine rode ster.
Ze legde haar hand op het ijs.
* * *
Het was alsof ze in een zee stapte.
Eerst voelde ze alleen de koude. Het werd steeds minder. Een zachte warmte sloop door haar handpalm, haar pols, haar arm. Het trilde. Het zong, heel zacht, ver weg, en toch dichtbij: een toon die niet in haar oren zat maar in haar botten, in haar bloed, in alles wat ze was.
Ma.
"Ja," fluisterde ze.
Ma. Ra.
"Ik ben er."
Kind.
Ze ademde scherp in. Het woord was geen klank. Het was een gevoel, een warme golf, als een deken die over haar werd gelegd. Het kwam niet van buitenaf. Het was er altijd geweest.
Kind. Steen. Kind. Weiland.
"Ik herinner me," zei ze, en ze huilde, zonder te weten waarom. "Ik herinner me de steen."
Eenzaam.
"Ik weet het."
Lang. Eenzaam. Zing. Niemand.
"Ik ben er nu."
Ja.
Ze voelde de golf door haar lichaam gaan. Een beeld, nauwelijks meer dan een gevoel: een groot, donker water, en daarin een lichtje, heel klein, dat steeds iets harder gloeide. Ze zag het niet. Ze voelde het. Het was haar eigen lichaam, haar eigen hartslag, die in de put resoneerde.
Daarna zag ze het kathedraal-beeld dat Pavel had beschreven. De zes sluimerende gestalten, in de kring, in het licht. Ze zag Annelies. Haar gezicht was rustig. Ze hield haar ogen dicht, maar haar lippen bewogen.
Ze zong.
Sander, zong ze, zonder geluid. Sander. Sander.
Mara trok haar hand terug. Ze viel achterover, op haar kont, met een kreet. Tomas greep haar arm. Pavel hurkte naast haar.
"Mara! Wat is er?"
"Ze zingt," zei Mara. Haar stem klonk verstikt. "Ze zingt zijn naam."
"Wie?"
"Annelies."
Het bleef doodstil. In de put zakte het gloeiende ijs, draadje voor draadje, terug in het donker.
"Ze leeft," zei Mara. "Ze leven allemaal. Ze liggen in de holte. En ze wachten."
"Waarop?"
Mara keek in het zwarte gat. Haar hand bonsde, warm en rood, alsof hij net uit een open vuur kwam.
"Dat weet ik niet," zei ze. "Maar ik denk dat ze op Sander wachten."
* * *
De radio stond in de gang, op een metalen tafeltje, onder een deken. Het was een groot, zwart apparaat met knoppen en een rij kleine lampjes, die bleek waren van het stof. Pavel had er een lange draad aan vastgemaakt, die door een gat in het plafond verdween. Hij had een koptelefoon op de tafel gelegd, en een microfoon.
"Hij werkt," zei hij. "Ik heb hem getest. Op laag vermogen. Ik hoorde ruis. En ik hoorde iets anders."
"Wat?"
"Een man." Hij zette de koptelefoon op Mara's hoofd. "Luister."
Ze hoorde het zachte ruisen van de ruimte. Daarna, ver weg, vervormd, een mannenstem in een taal die ze niet kende. Hij sprak langzaam, eentonig, met pauzes.
"Wat is het?"
"Een zendamateur. Ergens op de aarde. Hij roept elke avond hetzelfde. Hij vraagt of er iemand is." Pavel glimlachte schuin. "Ik dacht: als hij ons hoort, kan hij het doorgeven."
"Aan wie?"
"Aan iedereen."
Mara keek naar de radio, de knoppen, de dikke draad. Ze voelde iets groots en eenvoudigs in haar opwellen.
"Doe het aan," zei ze.
"Nu?"
"Alleen een test. Eén zin."
Pavel haalde diep adem. Hij legde de microfoon voor haar neer. Ze drukte op de knop.
"Hier is Kallisto-Zeven," zei ze, langzaam en helder. "Dit is geen oefening. Als u dit hoort, noteer dan het volgende. Wij zijn de bemanning van het Helix-station. Er is hier iets levends. Het is niet gevaarlijk. Het wil gehoord worden. Helix wil het vernietigen. Alstublieft, luister."
Ze liet de knop los. Het ruisen kwam terug.
"Is dat genoeg?" vroeg Tomas.
"Het is een begin." Mara zette de koptelefoon af. "Het duurt drieënveertig minuten voor het ergens aankomt."
"En dan?"
"Dan wachten we."
Ze liepen terug naar de shuttle. Tomas liep voorop, Pavel achter hem. In de gang bleef Mara even staan, met haar hand tegen de koude muur. Ze voelde het ijs achter het beton, tweeduizend meter diep, een lichtje in een groot, donker water.
Kind, zong het, heel zacht.
"Ja," fluisterde ze. "Ik kom terug."
* * *
De Lastdier dokte om vier uur tweeënveertig. Mara en Tomas zaten stil in hun stoelen toen de grendels klikten. Pavel was beneden gebleven. Hij had gezegd dat hij het ijs niet alleen wilde laten.
"Daar gaan we," fluisterde Tomas.
De sluisdeur gleed open. Het licht in het dok was fel en wit.
Elias Vos stond aan het einde van de gang, met zijn tablet tegen zijn borst. Hij droeg zijn overall, perfect gestreken. Zijn haar zat netjes. Hij zag eruit als iemand die al een uur stond te wachten en zich geen moment had verveeld.
"Meneer Reyes. Mevrouw Veldkamp." Zijn stem was vriendelijk. "Een nachtelijke vlucht."
"Een oefening," zei Tomas. Zijn gezicht was bleek, maar zijn stem klonk bijna opgewekt. "Handmatige landingen. Ik wilde mijn vaardigheden scherp houden."
"Zonder toestemming."
"Ik wist niet dat ik dat nodig had voor een oefening."
"Het is een schending van de procedure." Elias liep dichterbij. "De registratie van het dok vertoont een storing van bijna twee uur. Lotte kan het niet verklaren."
"Dat gebeurt," zei Mara. "Ze is moe. Het systeem draait al maanden zonder onderhoud. Ik heb haar vorige week nog gewaarschuwd."
"Dat staat in uw rapport."
"Dat staat in mijn rapport."
Elias bleef staan. Hij keek van haar naar Tomas en weer terug. Zijn gezicht veranderde niet. Zijn stem bleef zacht en beheerst.
"Mevrouw Veldkamp, ik zal u iets zeggen. Ik ben niet dom. Ik weet dat er dingen gebeuren op dit station die ik niet zie. Ik weet dat er briefjes onder deuren worden geschoven. Ik weet dat er mensen door ventilatiekokers kruipen." Hij glimlachte. "Ik zie veel, mevrouw Veldkamp. Ook dingen die ik niet laat merken."
Mara voelde haar maag samentrekken. Ze liet haar gezicht rustig.
"Als u dat zegt."
"Ik zeg het alleen omdat ik u een kans wil geven." Hij hief zijn tablet. "De verklaring. Vandaag. Dan beschouw ik dit als een kleine overtreding. Zonder gevolgen."
"En als ik weiger?"
"Dan zal ik moeten concluderen dat er sprake is van sabotage." Zijn ogen bleven leeg en vriendelijk. "En sabotage, mevrouw Veldkamp, valt onder Nachtveer. Ook voor medewerkers."
Het bleef een tel stil. Tomas slikte. Mara hield Elias' blik vast.
"Ik teken morgen," zei ze.
"Dat zei u gisteren ook."
"Morgen echt."
"Ik reken erop." Hij stapte opzij en liet hen passeren. Zijn stem volgde hen door de gang, zacht en vriendelijk. "Slaap lekker."
Toen ze de hoek om waren, greep Tomas Mara's arm.
"Hij weet het," fluisterde hij. "Hij weet het van de radio."
"Hij weet dat er iets is." Mara liep door. Haar benen trilden, maar ze hield haar stem laag. "Hij weet niet wat. Hij zou zijn tablet anders niet als schild gebruiken."
"Wat?"
"Hij hield hem voor zijn borst. Zijn handen trilden." Ze glimlachte flauw. "Elias is ook bang."
Tomas staarde haar aan. Daarna begon hij zacht te lachen, een bevende, halfhysterische lach, en hij moest tegen de muur leunen.
"Die man," zei hij. "Die man is bang van ons."
"Ja."
"Dat is... dat is het beste wat ik vandaag gehoord heb."
"Ga slapen, Tomas."
"Ik ga slapen." Hij veegde zijn ogen af. "Als ik kan."
Hij liep weg. Mara bleef alleen achter in de gang, onder de gedimde lampen. Ze legde haar hand tegen haar borst. Haar hart klopte, snel en helder. In haar linkerhand brandde het litteken, warm als een kooltje.
Kind, had het gezongen. Ze liet het woord langzaam door zich heen gaan. Het voelde niet als een last. Het voelde als thuis.