Echo van Kallisto · hoofdstuk 36 van 40
36. De Zeeslang
Sander stond in de commandokamer toen het schip kwam.
Hij had niet geslapen. Hij stond al uren voor het grote raam, met een kop koude thee in zijn handen, en keek naar de punt waar volgens Lotte het licht zou verschijnen. Achter hem, in de stoel bij het paneel, zat Ilse met haar tas op schoot en haar bob in een knot gedraaid. Ze had een deken om haar schouders en zag eruit alsof ze er honderd jaar was geweest.
"Twee minuten," zei Lotte.
"Ik zie niets."
"Dat komt omdat ze met de motor naar je toe keert. Ze remt nog."
Hij zag het toen. Een klein, wit puntje, dat geen ster was, omdat het niet flikkerde, en dat groter werd, als een druppel licht die over glas liep. Het werd een lijn. Daarna een vorm: langgerekt, matzwart, met vier glanzende ringen rond het midden en een rij gloeiende luiken. Het schip had een neus als de kop van een slang.
"De Zeeslang," zei Ilse zacht. "Wat een naam."
"Reinders heeft hem zelf gekozen." Sander zette de thee neer. Zijn handen waren koud. "Ze zegt dat het het enige dier is dat zijn eigen huid kan laten vallen en doorkruipen."
"Dat is geruststellend."
"Dat is wat ze wil."
Het schip stopte, op acht kilometer afstand, zonder een geluid, een zwarte schaduw tegen de sterren. Een rode lamp knipperde aan de neus. Daarna sprak de radio.
"K7, dit is de Zeeslang. Sander Wolters, ik neem aan dat u luistert."
Het was een vrouwenstem, kalm, een beetje hees, met een licht noordelijk accent. Ze sprak als iemand die haar hele leven bevelen had gegeven en er nooit van had genoten.
Sander drukte op de knop. "Ik luister, kapitein."
"Goedemorgen, commandant. Ik heb u gemist." Het klonk bijna vriendelijk. "Ik ben iets eerder dan gepland, zoals u merkt. Ik hoop dat dat geen ongemak is."
"Dat is het wel."
"Dat dacht ik al." Een korte pauze. "Ik heb een lijst. Ik wil mijn mensen aan boord brengen. Veertien, met hun uitrusting. Ik wil de medische ruimte inspecteren. Ik wil het archief van de afgelopen drie maanden. En ik wil Elias Vos spreken."
"Elias is niet hier."
"Dat weet ik. Hij is naar Basis Beneden. Met een deel van uw bemanning." Het bleef even stil. "Ik weet meer dan u denkt, commandant. Ik weet ook dat de Ring vannacht heeft stilgestaan en dat een rapport is verstuurd waarin staat dat een patiënt is overleden. Dat rapport was erg goed. Het had alleen één fout."
"Welke?"
"Het was te goed." Er klonk een zachte lach. "Elias schrijft nooit zo netjes."
Ilse sloot haar ogen. Sander klemde de rand van het paneel.
"U hebt twee uur," zei de stem. "Daarna dock ik, met of zonder uw toestemming. Dat is geen dreiging. Het is een planning."
"En als ik weiger?"
"Dan zal ik uw weigering noteren."
De verbinding klikte. Het was heel stil in de kamer.
"Nou," zei Ilse, na een tijd. "Dat is geen gewone vrouw."
"Nee."
"Wat doen we?"
Sander draaide zich om. Hij keek naar haar, en voor het eerst sinds dagen zag Ilse hem glimlachen, een kleine, vermoeide, vastberaden glimlach.
"We zetten thee," zei hij.
* * *
Veertig minuten vliegen verderop, in een container van Basis Beneden, hoorde Mara hetzelfde gesprek uit een luidspreker. Lotte had het doorgezet. Het scherm toonde alleen een zwarte rechthoek met een rode stip.
"Ze is slim," zei Elias, zacht. Hij had zijn bril afgenomen en wreef in zijn ogen. "Ze heeft mijn rapport doorzien in minder dan een minuut."
"Wat betekent dat?"
"Dat we weinig tijd hebben." Hij zette de bril weer op. "Ze zal niet wachten tot het licht is. Als ze zegt twee uur, bedoelt ze anderhalf."
"Wat wil ze van mij?"
"Dat weet je al." Hij keek haar aan. "Je bent het enige wat ze nog niet heeft."
Mara knikte. Ze keek naar de anderen: Yara, Femke, Pavel, Tomas, die rond de tafel zaten met bleke gezichten en sterke koffie. Het was half drie 's nachts. Ze hadden allemaal gedaan wat ze konden. De schotel stond gericht. Het bewijs stond op een harde schijf: tien uur video, drieduizend pagina's, een gezongen lied. Alles lag klaar voor de Aarde.
Alleen de Echo ontbrak.
"Als we uitzenden vanaf de schotel alleen," zei Pavel, "is het signaal te zwak. Dat weten we."
"Dan moet het door de holte," zei Yara.
"Ja."
"Dat betekent dat iemand naar beneden moet. Twee kilometer onder het ijs."
"Dat betekent dat ik naar beneden moet," zei Mara.
Niemand zei iets. Femke keek naar haar handen. Tomas wilde iets zeggen, maar Yara pakte zijn arm.
"Het is de enige manier," zei Mara. "De Echo zingt alleen met mij mee. Ik heb de hand. Ik heb het lied. En..." Ze aarzelde. "Ik heb een belofte gedaan."
"Het is gevaarlijk," zei Elias.
"Ik weet het."
"De put trilt. De kooi is veertig jaar oud. Als er een beving komt terwijl je beneden bent..."
"Dan zing ik harder."
Het was bedoeld als grap, maar niemand lachte. Pavel liep naar haar toe. Hij was een grote man, breed als een deur, met een grijze baard en handen als schoppen, en hij legde die handen op haar schouders met een voorzichtigheid die haar bijna aan het huilen bracht.
"Ik laat je zakken," zei hij. "Ik ken die lier. Ik heb haar zelf gerepareerd. Als jij zegt trek, trek ik. Als jij zegt stop, stop ik. Als jij niets zegt..."
"Dan trek je."
"Dan trek ik." Hij knikte. "Ik trek je op, al moet ik de put leegmaken met mijn blote handen."
* * *
Reinders belde haar om tien over drie.
Mara zat alleen in de gangkamer, met een koud kopje en haar handen in haar schoot. De anderen waren buiten, bij de kooi, bij de schotel, bij de laadruimte van de Lastdier. Ze had een kwartier gevraagd om na te denken. Het scherm lichtte op zonder dat ze iets had aangeraakt.
"Mevrouw Veldkamp."
Het gezicht dat verscheen was kleiner dan ze had verwacht. Een magere vrouw van vijfenvijftig, met kortgeknipt grijs haar en diepe lijnen om haar mond. Ze droeg een donkerblauw uniform zonder insignes. Haar ogen waren bleek en vlak en keken recht in de camera. Het was het gezicht van iemand die alles had gezien en niets kon vergeten.
"Kapitein Reinders," zei Mara.
"Hendrika, als u wilt. We zullen elkaar een tijdje zien." Het klonk bijna warm. "Mag ik u iets vertellen, mevrouw Veldkamp? Ik ben niet uw vijand."
"Dat zeggen vijanden vaak."
"Dat is waar." Reinders glimlachte, een kleine, droge glimlach. "Maar ik meen het. Ik heb dit werk gekozen omdat ik bang ben. Niet voor u. Voor wat daarbeneden zit."
Mara zei niets.
"Ik heb vijfendertig jaar in de ruimte gewerkt. Ik heb mensen zien sterven aan dingen die ze niet begrepen. Ik heb een kolonie zien uitsterven aan een schimmel die ze 'interessant' vonden." Ze boog zich naar voren. "Wat daar zit, mevrouw Veldkamp, is geen kind. Het is een organisme dat zich door mensen heen kan graven. Dat hun herinneringen opneemt. Dat hen vasthoudt. Ik heb de verslagen gelezen. Het heeft zes mensen opgeslokt. Het heeft Daan Kuipers bijna opgeslokt. Het heeft u al in zijn greep."
"Het heeft mijn hand genezen."
"Het heeft uw hand veranderd. Dat is niet hetzelfde." Reinders' stem werd zacht. "Ik wil niet dat u eindigt als zij."
"Ik eindig niet als zij."
"U hebt geen idee wat het met u doet."
"Ik weet precies wat het doet." Mara boog zich naar het scherm. Haar stem trilde, maar ze hield haar blik vast. "Het leert. Het luistert. Het zingt een lied van mijn moeder terug, drieënveertig minuten te laat, omdat het eenzaam is. Dat doet een wolf niet. Dat doet een kind."
Reinders zweeg. Het was een lange stilte. Op het scherm bewoog niets.
"Ik begrijp dat u dat denkt," zei ze toen. "Maar ik moet u iets laten zien."
Het beeld sprong. Er verscheen een tuin, in het grauwe licht van een Drents ochtendgloren. Een bankje. Een glazen huisje, heel klein, als een speelgoedhuis, met een zwarte steen erin. En op het bankje, in een lichtblauwe jas, met haar handen in haar schoot, een kleine, grijze vrouw.
"Mam," zei Mara.
Haar moeder keek niet op. Naast haar stonden twee mannen in zwarte jassen, met handen op hun rug. Ze keken niet naar haar, maar naar de weg.
"Zij is veilig," zei Reinders. "Zolang u meewerkt. Ik zeg niet dat dat een dreiging is. Ik zeg alleen dat ik haar bescherm tegen mensen die minder vriendelijk zijn dan ik."
"U hebt haar ontvoerd."
"Ik heb haar geplaatst." Het beeld sprong terug naar het gezicht van Reinders. "Mevrouw Veldkamp, ik geef u een keuze. U komt naar het station. Alleen. U laat de put met rust. U laat de crew met rust. Wij nemen u mee naar Groningen, naar uw moeder. U krijgt de boerderij terug. Het geld. Een nieuw leven."
"En de Echo?"
"Wordt veilig bewaard."
"In een kluis."
"In een veilige omgeving." Het klonk als een zin die ze al duizend keer had uitgesproken. "Dat is het beste voor iedereen."
Mara keek naar het beeld van haar moeder. Ze zag haar handen, haar kleine, oude, rimpelige handen, die in haar schoot lagen als twee vogeltjes die niet durfden vliegen.
Doe het niet voor mij, had haar moeder gezegd. Doe het niet als het verkeerd is.
"Kapitein," zei ze.
"Ja?"
"Mijn moeder heeft me iets geleerd." Ze zag haar eigen stem uit haar mond komen, kalm, rustig, alsof een ander sprak. "Ze zei: een wortel gaat niet weg als je hem afknipt. Hij groeit ergens anders."
Reinders keek haar aan. Voor het eerst zag Mara iets in dat bleke gezicht bewegen. Geen woede. Iets vermoeiders.
"Dat is jammer," zei Reinders. "Ik had u graag gemogen."
"U mag me nog steeds."
"Nee." Ze glimlachte, flauw. "Dat kan ik niet meer."
Het scherm werd zwart.
* * *
Om 03:40 stond Mara bij de kooi.
Het was een stalen mand, vier meter hoog, met ronde ramen en een deur die met een hendel werd gesloten. Pavel had hem vol gehangen met lampen, kabels, een radio en een kleine, gouden megafoon die Femke uit de laadruimte van de Lastdier had gehaald. Hij stond bij de lier, met zijn handen om de hendel, en keek haar aan.
"Elias zegt dat haar shuttle om half vijf bij de put kan zijn," zei hij. "Dat is over vijftig minuten."
"Ze zei twee uur."
"Elias zegt anderhalf. Hij kent haar."
"Dan hebben we..."
"Genoeg." Pavel keek op zijn horloge. "Ik heb het uitgerekend. Het duurt zeventien minuten om je naar beneden te laten. Zeventien terug. Dat laat je tien minuten om te zingen, rond vier uur twaalf. Is dat genoeg?"
"Het moet."
Ze stapte in de kooi. Het staal was koud onder haar handpalmen. Pavel boog zich naar haar toe, en zei, heel zacht, zodat de anderen het niet konden horen:
"Mijn dochter zou je gemogen hebben."
"Heb je een dochter?"
"In Brno. Ze is negentien. Ze studeert muziek." Hij glimlachte, onder zijn baard. "Ze zingt ook, in de douche. Heel slecht."
"Dan moet ze meer oefenen."
"Dat zeg ik ook." Hij sloeg de deur dicht, draaide de hendel om, en bleef met zijn hand op het staal staan. "Mara."
"Ja?"
"Kom terug."
"Ik kom terug."
Hij tikte tweemaal op de kooi, een oud boorteken. Daarna draaide hij zich om, naar de lier, en zette zijn grote handen op het wiel.
Achter hem, op het platform, stonden Femke en Yara dicht tegen elkaar aan. Femke had haar vlecht in haar vuist geklemd. Yara hield de radio vast. Tomas stond iets verderop, met zijn gezicht naar de lucht gekeerd, alsof hij de Zeeslang kon horen komen. Elias stond bij de schotel, alleen, met zijn hand op de koude schaal.
Het laatste wat Mara zag, voor de kooi onder de rand verdween, was Femkes gezicht, nat en strak, en haar mond, die één woord vormde zonder geluid: zing.
De kooi begon te zakken.
Het licht van de lampen veranderde van wit naar geel, van geel naar groen, en daarna was er alleen het zachte, kloppende, blauwe schijnsel van de wanden, en de diepte, die onder haar opende als een mond.