Echo van Kallisto

Hoofdstuk 24 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Echo van Kallisto · hoofdstuk 24 van 40

24. Een zieke commandant

"Zeg het nog eens," zei Sander.

Het was twee uur 's nachts, de tweeëntwintigste april. Mara zat in het donker op de rand van zijn bed, met stof in haar haar en een schaafwond op haar elleboog van de ventilatiekoker. Hij zat naast haar. Hij had geen licht aangedaan. In het bruine schijnsel van Jupiter waren zijn ogen heel groot.

"Annelies leeft," zei ze zacht. "Ik heb haar gezien. Of gevoeld. In de put, met mijn hand op het ijs. Ze ligt in een holte, diep onder de basis, met vijf anderen. Ze slapen. Maar ze zijn niet dood."

"Hoe weet je dat het haar was?"

"Ze zong je naam."

Sander zei niets. Zijn handen lagen op zijn knieën, heel stil. In de stilte hoorde Mara hem ademen, langzaam, alsof hij elke ademtocht moest zoeken.

"Ik wilde je dit niet zo vertellen," zei ze. "Ik wilde je iets mooiers geven. Een bewijs. Een foto. Maar ik heb niets. Alleen wat ik voelde."

"Dat is genoeg."

"Is het?"

"Het is meer dan ik in drie jaar heb gehad." Hij sloot zijn ogen. "Dank je."

"Sander."

"Wacht." Hij hief zijn hand. "Even. Ik moet... ik moet dit even laten komen."

Ze wachtte. Ze legde haar hand op zijn rug, tussen zijn schouderbladen, en voelde het zachte beven. Hij maakte geen geluid. Zijn hoofd zakte naar voren. Zijn schouders kromden. Ze streelde hem, heel zacht, in lange, trage bewegingen.

Hij huilde niet zoals de vorige keer. Het was iets anders. Het was een soort lachen en huilen tegelijk, bijna geluidloos, als bij iemand die al drie jaar een zware tas had gedragen en die voor het eerst voelt dat er iemand aan helpt tillen.

"Het spijt me," fluisterde hij.

"Waarvoor?"

"Dat ik zo ben."

"Je bent precies hoe je moet zijn." Ze kuste de zijkant van zijn hoofd. "Wat voel je?"

"Alles." Hij lachte schor. "Ik ben bang, ik ben boos, ik ben blij. Ik wil tegen de muur slaan. Ik wil naar beneden rennen. Ik wil haar roepen." Hij haalde diep adem. "En ik weet dat ik niets mag doen. Nog niet."

"Nee."

"Ik zit hier." Hij keek rond in de kleine kamer. "En zij ligt daar. En ik kan niet bij haar."

"We krijgen je eruit."

"Hoe?" Hij draaide zich naar haar toe. "Elias heeft het commando. Lotte kan niets doen. Mijn deur is dicht. Ik kan niet eens door de ventilatie, ik pas er niet in."

"Dat weet ik." Mara glimlachte. "Dat is waarom Ilse een plan heeft."

* * *

Het plan was eenvoudig, en daarom gevaarlijk.

Ilse had het die middag aan Mara verteld, in de hoek van de kombuis, terwijl ze deed alsof ze thee zette. Ze had gezegd: "De commandant is onder grote stress. Dat is geen leugen. Een arts die dat registreert, is een arts die haar werk doet."

"En dan?"

"Dan zeg ik tegen Elias dat Sander een acute stressreactie heeft. Slapeloosheid, hartritmestoornis, wanen. Dat ik hem moet opnemen, voor observatie, in Medisch." Ilse had niet opgekeken van haar kopje. "Elias zal het niet mooi vinden. Maar het past in zijn verhaal. De gestoorde commandant. De overspannen bemanning."

"Hij zal het als bewijs gebruiken."

"Precies. Hij zal het gebruiken." Ilse had gelachen, droog en kort. "En ondertussen ligt Sander in een kamer die grenst aan mijn lab."

Nu, in het duister van Sanders hut, vertelde Mara het hem.

"Ilse?" zei hij. "Ilse liegt voor mij?"

"Ilse doet wat een goede arts doet. Ze beschermt haar patiënt."

"Maar ik ben niet ziek."

"Je hebt drie weken lang niet geslapen. Je hebt je vrouw teruggevonden, na drie jaar. Je zit opgesloten. Je hebt een snel hart." Mara glimlachte. "Dat is geen leugen. Dat is een beschrijving."

Hij lachte, voor het eerst die nacht echt. "Ze is slim."

"Ze is de slimste van ons allemaal."

"Wanneer?"

"Morgenochtend. Ze zal het bij het ontbijt doen. Elias zal kwaad zijn."

"Kwaad is niet erg."

"Nee." Mara drukte haar voorhoofd tegen zijn schouder. "Kwaad betekent dat hij fouten maakt."

* * *

Het ging bijna soepeler dan ze had durven hopen.

Om acht uur de volgende ochtend stond Ilse in de kombuis, in haar witte jas, met een tablet in haar hand. Ze zag er streng en vermoeid uit, en tegelijk een beetje bezorgd. Ze wachtte tot Elias koffie had ingeschonken.

"Meneer Vos," zei ze. "Ik moet u iets melden."

"Mevrouw Brandt."

"Ik heb vannacht de commandant onderzocht. Via de intercom, op afstand. Zijn hartslag was onregelmatig. Zijn bloeddruk is gevaarlijk hoog. Hij is al drie dagen niet in slaap gekomen. Ik zie tekenen van een acute stressreactie."

Elias nam een slokje koffie. Zijn gezicht bleef kalm. "Dat is jammer."

"Het is meer dan jammer. Het is medisch gevaarlijk. Als hij in zijn kamer blijft, loopt hij risico op een hartstilstand." Ilse keek hem recht aan. "Ik eis als arts dat hij naar Medisch wordt overgebracht. Voor observatie en behandeling. Dat is mijn bevoegdheid."

"U eist."

"Ik eis. Dat is geen verzoek." Haar stem bleef zacht. "Een verbindingsofficier heeft niet het recht om een medische noodzaak te weigeren. Dat staat in artikel veertig van het contract. U kunt het nalezen."

Het bleef stil. Mara zat aan het eind van de tafel, met een broodje in haar hand. Ze zag Elias' vingers om zijn kopje. Ze zag hoe hij het woord eis langzaam in zich liet doorwerken.

"Goed," zei hij na een lange seconde. "Ik zal een bewaker meesturen."

"Dat is niet nodig."

"Het is protocol."

"Dan stuurt u Lotte."

"Lotte heeft geen ogen in uw lab."

"Dan sta ik er zelf voor in." Ilse hield zijn blik vast. "Ik ben de arts van dit station. Ik heb mijn patiënten nog nooit verloren. Behalve één."

Ze zei het onverbiddelijk. Mara zag Elias' wangspier trillen. Er flitste iets in zijn ogen: een korte, koude gloed, als een zaklamp in een donkere kamer.

"Dat is waar," zei hij zacht. "Behalve één."

"Ja."

"Het was een tragisch ongeluk."

"Dat was het."

Ze keken elkaar aan. De kombuis hield zijn adem in. Het was de langste seconde die Mara ooit had meegemaakt.

"Overbrengen," zei Elias eindelijk. Hij stond op. "Maar ik verwacht dagelijks een rapport. En u zult mij elke avond rapporteren over zijn toestand."

"Dat zal ik doen."

"Dan ben ik tevreden." Hij nam zijn kopje op. Bij de deur draaide hij zich om. "Mevrouw Brandt."

"Ja?"

"Ik hoop dat u weet wat u doet."

"Dat hoop ik ook," zei Ilse.

Hij ging. Het bleef een volle minuut stil. Daarna ademde Femke uit, zo hard dat de kruimels van haar bord vlogen.

"Ik dacht dat ik ging flauwvallen," fluisterde ze.

"Ik ook," zei Ilse. Haar handen trilden zo dat ze het tablet op tafel moest leggen. Ze lachte, een korte, wanhopige lach. "Ik ben tweeënvijftig jaar. Ik ben niet gemaakt voor dit."

"Je bent er geweldig in," zei Mara.

"Zeg dat nog eens als hij mij door de sluis gooit."

* * *

Sander werd om elf uur door twee medewerkers van de technische dienst, Pavel en Tomas, naar Medisch gebracht. Hij liep zelf, in een grijze trui, met zijn handen op zijn rug en een uitdrukking van wanhopig geduld. Tomas liep voor hem, Pavel achter hem. Elias stond op de gang, met zijn tablet tegen zijn borst, en keek naar hen.

"Commandant Wolters," zei hij toen Sander voorbijkwam.

"Meneer Vos."

"Ik hoop dat u snel herstelt."

"Dat hoop ik ook." Sander keek hem aan. Zijn blik was rustig en kalm, zonder haat. "Maar ik denk dat u het eerder merkt dan ik."

Elias glimlachte vaag. "We zullen zien."

Ze liepen door. De deur van Medisch gleed open en weer dicht. Mara, die op afstand stond, zag door het glas hoe Ilse hem in een bed liet gaan en een deken over hem heen trok. Ze zag hoe hij zijn hoofd op het kussen legde en zijn ogen sloot. Ze zag dat zijn mond een heel klein beetje glimlachte.

Naast de deur stond Femke. Ze had haar tablet tegen haar borst gedrukt en keek strak voor zich uit.

"Ik heb iets voor hem," fluisterde ze.

"Wat?"

"Een briefje. Van Daan." Femke slikte. "Hij heeft het gisteravond geschreven. Of Ilse heeft het voor hem opgeschreven. Het zit in mijn zak."

"Wat staat erin?"

"Ik heb niet gekeken." Ze keek op, met grote, natte ogen. "Maar ik denk dat het goed nieuws is."

"Waarom?"

"Omdat Ilse lachte toen ze het me gaf."

Mara pakte haar hand en kneep erin. Door het glas zag ze hoe Ilse zich over Sander boog, hoe ze iets zei, hoe zijn ogen zich openden. Hij keek naar de achterwand van de ruimte, waar een smalle, grijze deur zat, en Mara wist wat erachter lag.

"Vannacht," fluisterde ze. "Om vier uur twaalf."

* * *

Om twee uur 's middags liet Elias haar roepen.

Kantoor B was koel en leeg. Het scherm aan de muur stond uit. Op het bureau lag de verklaring, dun en wit, met een zwarte pen ernaast. Elias zat erachter, zijn handen gevouwen. Zijn glimlach was verdwenen. Hij zag er voor het eerst moe uit.

"Ga zitten, mevrouw Veldkamp."

"Ik blijf staan."

"Zoals u wilt." Hij liet zijn blik over haar gezicht gaan. "U hebt vanochtend uw hand gehouden. Bij het ontbijt. Op deze manier." Hij legde zijn linkerhand vlak op het bureau, met de palm naar boven. "Alsof hij pijn deed."

Mara bewoog haar vingers niet. "Ik had een schaafwond."

"Dat denk ik niet." Hij tikte op zijn tablet. Het scherm aan de muur sprong aan. "Ik wil u iets laten zien. Ik had het voor het einde van de week bewaard, maar ik denk dat u het beter nu kunt zien."

Het beeld was wazig. Daarna werd het scherp. Er verscheen een kamer, een zonnige kamer met een groene bank en een tafel vol plantjes. Voor het raam stond een kleine, magere vrouw met grijs, kortgeknipt haar en een kopje in haar handen.

Mara hield haar adem in.

"Mam," fluisterde ze.

"Het is gisteren opgenomen," zei Elias. "Helix heeft uw moeder verhuisd. Ze woont nu in een zorgcomplex in het noorden van Drenthe, vlak bij Zuidwolde. Mooie omgeving. Bossen en weilanden. Ze heeft haar eigen kamer."

Op het scherm lachte haar moeder. Het was een goede lach, de lach die ze altijd had gehad, een beetje schuin, een beetje verlegen. Maar haar ogen gingen steeds naar links, naar iets buiten het beeld. Ze hield haar kopje te stevig vast. Haar knokkels waren wit.

"Hallo, lieverd," zei de stem, dun en zacht. "Het gaat goed met me. Ik heb een mooie kamer. De mensen zijn heel aardig. Ze hebben me verteld dat jij het goed doet op je werk. Ik ben zo trots." Ze slikte. "Ik mis je. Ik hoop dat je gauw schrijft. Meneer Vos zegt dat je het druk hebt. Dat begrijp ik. Dag, lieve schat."

Het beeld werd zwart.

Mara stond doodstil. Het bloed was uit haar gezicht getrokken. Ze voelde het in haar vingertoppen, in haar lippen, als een koude, zware vloeistof.

"U hebt mijn moeder meegenomen," zei ze.

"Wij hebben haar geholpen." Elias schoof zijn bril recht. "Ze kon de huur van haar flat niet meer betalen. Helix heeft ingegrepen. Het is een gebaar van goede wil."

"Een gebaar."

"Een uitnodiging. Om samen te werken." Hij sprak rustig, bijna zacht. "Mevrouw Veldkamp, ik zeg het niet graag. Maar ik ben ook een mens. Ik heb liever dat niemand pijn lijdt. Uw moeder niet, u niet, de commandant niet. Als u de verklaring tekent, zal alles goed komen. Er komt een schip, er komt een operatie, en na afloop gaat u naar huis, met uw bonus en uw moeder."

"En de Echo?"

"Welke Echo?" Hij glimlachte, zonder warmte. "Daar weet ik niets van."

Ze balde haar vuisten. Haar nagels drukten in haar handpalmen. Haar linkerhand brandde, een rood, dof branden, alsof er een tweede hart in zat.

"U hebt tot morgen," zei Elias zacht. "Dan heb ik uw antwoord nodig."

Ze keek naar het witte papier, naar de zwarte pen. Ze voelde hoe ze trilde, van woede, van angst, van een groot, zwart verdriet. Ze dacht aan haar vader op de tractor, aan het weiland, aan de eenvoudige, kleine droom waarvoor ze dit alles was gaan doen.

"Morgen," zei ze. Haar stem klonk vlak en vreemd.

"Dank u."

Ze liep naar de deur. Bij de drempel bleef ze staan, zonder zich om te draaien.

"Meneer Vos."

"Ja?"

"Ze keek steeds naar links," zei Mara. "Wie stond daar?"

Er viel een stilte. Ze hoorde hem ademen.

"Een verpleegkundige," zei hij.

"Dat dacht ik niet."

Ze liep de gang op. Achter haar sloot de glazen deur zich zacht. Ze liep tien stappen, twintig, dertig, tot ze om de hoek van de Ring was en niemand haar meer kon zien. Daar leunde ze tegen de koude wand, drukte haar vuist tegen haar mond en schreeuwde, zonder geluid, in haar eigen hand.

Alle hoofdstukken
  1. 1 Aankomst
  2. 2 Rondleiding
  3. 3 Het gat in de logs
  4. 4 De waterpomp
  5. 5 Elias Vos
  6. 6 Basis Beneden
  7. 7 Vier uur twaalf
  8. 8 De handtekening
  9. 9 Het luistert
  10. 10 De antenne
  11. 11 De tape
  12. 12 De deur die openging
  13. 13 Het oude dossier
  14. 14 Levende cellen
  15. 15 Haar naam
  16. 16 De gesloten gang
  17. 17 Koffie voor twee
  18. 18 Wat Lotte vergat
  19. 19 De tuin zonder gewicht
  20. 20 Nachtveer
  21. 21 Het lab van Ilse
  22. 22 Lotte kiest
  23. 23 Pavel in de put
  24. 24 Een zieke commandant
  25. 25 Wat Daan wist
  26. 26 De handtekening
  27. 27 Bij het ijs
  28. 28 Wat je vasthoudt
  29. 29 De evacuatie
  30. 30 Het antwoord van de aarde
  31. 31 De Ring valt stil
  32. 32 Wat Elias wist
  33. 33 Wortel
  34. 34 De stem uit de muur
  35. 35 De vertaler
  36. 36 De Zeeslang
  37. 37 De holte
  38. 38 Annelies
  39. 39 Het antwoord
  40. 40 Wortel in het licht