Zwart op Wit

Hoofdstuk 1 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 1 van 40

1. De clausule

Het kantoor van notaris Verhagen rook naar boenwas en natte jassen, en de klok aan de muur tikte net iets te hard, alsof hij wilde zeggen dat tijd hier geld kostte.

Esmée Brandt zat op het puntje van een leren stoel en hield haar rechterknie gestrekt. Dat deed ze al twee jaar. Het was de knie van een danseres: hij had ooit vier keer per avond een grand jeté gedragen. Nu zeurde hij bij regen, als een kind dat niet naar bed wilde.

Esmée was negenentwintig en ze had één doel: deze baan krijgen. Ze had het geld hard nodig.

'U begrijpt dat het een inwonende functie is,' zei Verhagen. Hij was een smalle man van in de zestig, met een das zo strak dat zijn adamsappel erboven leek te hangen. 'Vijf dagen per week, maar in de praktijk bent u aanwezig. Meneer Roelofsz werkt onregelmatig.'

'Onregelmatig,' herhaalde Esmée.

'Zeer onregelmatig.'

'Hoe onregelmatig is zeer?'

Verhagen keek haar over zijn leesbril aan. Ze had die blik eerder gezien, bij artistiek leiders en bij de mensen van de bank: de blik van iemand die probeert in te schatten of je brutaal bent of alleen maar nauwkeurig.

'Hij is gisteren om half vier 's nachts thuisgekomen,' zei hij. 'En om zeven uur weer vertrokken. Dat is geen uitzondering.'

'Dan slaapt hij weinig.'

'Dat is niet mijn terrein, mevrouw Brandt.'

Hij schoof een map over het bureau. Op het etiket stond in keurige letters Stichting Huize Roelofsz — Reglement huishouding. Esmée sloeg hem open en zag artikelen, leden, sub-leden. Werktijden, sleutelbeheer, het verbod om gasten te ontvangen op de tweede verdieping, het onderhoud van de moerbeiboom in de tuin.

'De stichting is eigenaar van het pand,' zei Verhagen. 'Meneer Roelofsz bewoont het. Mevrouw Odile Roelofsz, zijn grootmoeder, heeft het reglement in 1952 opgesteld. Het is sindsdien vrijwel ongewijzigd.'

'Vrijwel.'

'De verwarming is aangepast. En de afvalscheiding.'

Ze glimlachte. Hij niet.

'Artikel zeven,' zei hij, en hij tikte met een kromme wijsvinger op de pagina.

Huishoudelijk personeel draagt tijdens dienst het huisuniform, zoals vastgelegd in bijlage C.

Esmée sloeg door naar bijlage C. Er zat een zwart-witfoto in, vergeeld aan de randen, van een jonge vrouw voor een deur. Zwarte jurk met lange mouwen tot net boven de knie. Een witte schort met een brede strik in de rug. Een klein wit kraagje, rond als een maansikkel. Donkere kousen. En onder de zoom, net zichtbaar waar de stof bewoog, het zilverige glimpje van een jarretelle.

'Dit meent u niet,' zei ze.

'Ik meen nooit iets, mevrouw Brandt. Ik voer uit.'

'Het is 2026.'

'Dat is mij bekend.'

'Het is een kostuum.'

'Het is een uniform. Uw voorgangster heeft het zes jaar gedragen.'

'En waarom is zij weggegaan?'

Het was maar een fractie van een seconde, maar ze zag het: Verhagens ogen gingen naar de deur, en weer terug.

'Persoonlijke omstandigheden,' zei hij.

Ze had genoeg toneel gestaan om te weten wanneer iemand een tekst opzei. Maar ze had ook elfduizend euro schuld. Haar zus kon de huur niet betalen. Op haar aanrecht lag al drie dagen een ongeopende brief van de woningcorporatie. Het salaris was bijna twee keer zoveel als bij de schoonmaakdienst. Kost en inwoning. Een eigen kamer op de derde verdieping, met uitzicht op de gracht.

'Mag ik het passen?' vroeg ze.

* * *

Huize Roelofsz stond aan de Prinsessegracht, tussen een ambassade en een advocatenkantoor, smal en hoog als een man die zijn schouders ophaalt. Vier verdiepingen donkerrode baksteen, witte kozijnen, een voordeur in diep lakgroen met een koperen klopper in de vorm van een hand die een bal vasthield.

Verhagen opende de deur met een sleutel aan een dik leren lint.

'Hij is er niet,' zei hij. 'Hij is er overdag nooit.'

De hal was koel en hoog. Zwart-witte marmeren tegels, een wenteltrap van donker eikenhout die zich als een slakkenhuis omhoog draaide, en aan de muur, op twee koperen haken, een rijzweep. Dun, zwart leer, een zilveren knop, het uiteinde een klein plat lapje.

'Van mevrouw Odile,' zei Verhagen, die haar blik volgde. 'Zij reed tot haar zeventigste.'

'En hij?'

'Meneer Roelofsz heeft vroeger gesprongen. Hij is gestopt.'

'Waarom?'

'Ook dat is niet mijn terrein.'

Hij liet haar het huis zien. De keuken in het souterrain, met een oud gietijzeren fornuis dat nooit werd gebruikt en een moderne inductieplaat ernaast. De eetkamer, met een tafel voor twaalf en één stoel die zichtbaar vaker werd gebruikt dan de rest. De bibliotheek op de eerste verdieping, met een rolladder. De studeerkamer daarnaast, waarvan de deur dicht was.

'Daar komt u alleen als hij het vraagt,' zei Verhagen. 'Of om schoon te maken als hij weg is. Niets verplaatsen. Hij weet waar alles ligt.'

'Hoe weet ik waar alles ligt?'

'U laat het liggen.'

Op de derde verdieping lag haar kamer. Klein, schuin plafond, een smal ijzeren bed met wit linnen, een kast met een spiegeldeur. Op het bed lag een kartonnen doos, met vloeipapier ertussen.

'Er zijn drie sets,' zei Verhagen. 'De naaister heeft uw maten. Mocht er iets niet passen, dan laat u het weten.'

Toen hij weg was, bleef ze een tijd naar de doos kijken.

Ze dacht aan de kleedkamer van het Muziektheater. Aan de rekken met tutu's die naar zweet en hars roken. Aan de dag waarop ze met zes andere meisjes naakt op een rij had gestaan, terwijl een kostuumontwerpster met een meetlint langs hun heupen ging. Er was een tijd geweest dat haar lichaam van iedereen was behalve van haarzelf: van de choreograaf, van het publiek, van de criticus van de Volkskrant die haar armen "iets te nadrukkelijk" had genoemd.

Ze trok haar spijkerbroek uit.

De kousen waren zwart, niet doorzichtig maar ook niet dik, met een brede kanten rand. Ze rolde de eerste op over haar voet, haar enkel, haar kuit, haar knie — voorzichtig daar — tot halverwege haar dij. De jarretellegordel was van zwart satijn, met vier dunne bandjes en kleine metalen clipjes met een rubberen knopje. Haar vingers wisten nog hoe dat moest, van La Traviata, waar het corps de ballet in de feestscène courtisanes speelde.

De jurk viel koel over haar schouders. Het kraagje sloot met een haakje in haar nek. De schort knoopte ze in de rug, en ze maakte de strik twee keer opnieuw tot hij symmetrisch was.

Toen keek ze in de spiegeldeur.

Het eerste wat ze voelde was gêne, warm en laag in haar buik. Het tweede, en dat verbaasde haar, was iets anders. De jurk stond haar. Hij maakte haar taille smal en haar schouders recht, en de zoom eindigde precies waar de rand van de kousen begon, zodat er bij elke beweging een smal streepje bleke huid zichtbaar werd. Haar benen zagen eruit zoals ze er vroeger uitzagen, voor de operatie: lang, gespannen, klaar om iets te doen.

Ze draaide een halve slag. De zoom zwaaide mee.

'Nou,' zei ze tegen de spiegel. 'Daar sta je dan.'

* * *

Ze maakte die middag het huis schoon alsof ze het moest leren kennen, en dat moest ze ook. Ze leerde welke traptreden kraakten (de vierde en de zeventiende). De kraan in de keuken moest twee keer worden aangedraaid voor hij echt dicht was. De koelkast was vrijwel leeg: drie flessen tonic, een citroen en een bakje olijven. In de vuilnisbak lagen verpakkingen van kant-en-klaarmaaltijden, allemaal dezelfde: kip tandoori van de supermarkt om de hoek.

Ze deed boodschappen. Ze kookte een eenvoudige soep, die ze in een pan op de inductieplaat liet staan, en schreef op een kaartje: Soep. Vijf minuten op stand zes. — E. Brandt. Daarna maakte ze het kaartje weer los en schreef het opnieuw, zonder de punt achter zes, omdat dat te streng leek. Daarna met de punt, omdat ze niet wist waarom ze daar zo lang over deed.

Om negen uur belde Fien.

'En?' vroeg haar zus. Op de achtergrond hoorde Esmée het geratel van een ziekenhuisgang, een pieper, iemand die lachte. 'Is hij oud? Is hij eng? Heeft hij een kelder met ketens?'

'Hij heeft een souterrain met een vaatwasser.'

'Dat is erger.'

'Ik heb hem nog niet gezien.'

'Je woont er sinds vanochtend.'

'Hij werkt.'

'Om negen uur 's avonds?'

'Om negen uur 's avonds, om twaalf uur 's nachts, om half vier. Volgens de notaris.' Esmée trok haar benen onder zich op de keukenstoel en voelde het kant van de kousen tegen de zitting schuren. 'En ik moet een uniform dragen.'

Het was even stil aan de andere kant.

'Wat voor uniform?'

'Zwart. Wit schortje. Kousen.'

'Esmée.'

'Jarretelles.'

Fien begon zo hard te lachen dat iemand op de achtergrond haar tot stilte maande. 'Je bent een Franse kamenier. Je bent letterlijk een carnavalspakje.'

'Het is een clausule uit 1952.'

'Het is een fetisj uit 1952.'

'Het is zes keer de huur,' zei Esmée, en daarmee was het gesprek eigenlijk klaar, want Fien wist precies hoeveel de huur was, en wiens huur, en waarom Esmée hem al vier maanden betaalde.

'Stuur een foto,' zei Fien zachter.

'Nooit.'

'Doe voorzichtig dan.'

'Het is een schoonmaakbaan.'

'Juist daarom,' zei Fien, en ze hing op voor Esmée kon vragen wat ze daarmee bedoelde.

Om elf uur was hij er nog niet. Om twaalf uur ook niet. Ze lag op het smalle bed op de derde verdieping en luisterde naar het huis. Oude huizen praten 's nachts. Een leiding die tikte. De wind langs het raam. Ergens beneden een klok die het kwartier sloeg.

Om tien over één hoorde ze de voordeur.

Ze wist niet waarom ze opstond. Misschien omdat ze wilde zien met wie ze onder één dak woonde. Misschien omdat ze nog steeds het uniform aanhad, omdat ze niet zeker wist of ze "in dienst" was zolang hij niet thuis was, en het reglement daarover niets zei.

Ze liep de wenteltrap af en sloeg de vierde en de zeventiende tree over.

Er brandde licht in de keuken. Ze bleef in de deuropening staan.

Hij stond met zijn rug naar haar toe bij het aanrecht en at soep. Uit de pan. Met een opscheplepel. Staand.

Hij was lang, langer dan ze had verwacht, met brede schouders onder een donkerblauw overhemd waarvan de mouwen tot zijn ellebogen waren opgerold. Zijn colbert hing over een stoel. Zijn haar was donker, kort aan de zijkanten, en grijs bij de slapen. Hij at snel, met de geconcentreerde haast van iemand die eten beschouwt als een onderbreking.

'Er zijn borden,' zei ze.

Hij verstijfde niet. Hij hield alleen op met eten, liet de lepel in de pan rusten en draaide zich langzaam om.

Hij had een smal gezicht met een sterke neus, een mond die eruitzag alsof hij weinig werd gebruikt voor glimlachen, en ogen die zo donker waren dat ze in het keukenlicht bijna zwart leken. Er zaten schaduwen onder. Hij was misschien eenenveertig, tweeënveertig. Hij zag eruit als iemand die al jaren één uur te weinig sliep.

Zijn blik ging over haar heen. Niet zoals mannen in cafés naar haar keken, van haar borsten naar haar benen en terug. Het was een blik die ze kende van taxateurs bij een rommelmarkt: snel, systematisch, van boven naar beneden. Kraag. Schort. Zoom. Kousen. Schoenen. Terug naar haar gezicht.

Er bewoog iets in zijn kaak.

'U bent de nieuwe,' zei hij.

'Esmée Brandt.'

'Sebastiaan Roelofsz.' Hij gaf haar geen hand. Hij had nog steeds de opscheplepel in zijn hand, en hij leek dat zelf ook te beseffen, want hij legde hem neer. 'Het is lekker.'

'Het is soep.'

'Dat is me opgevallen.'

Ze wachtte. Hij ook. De klok in de gang sloeg het kwartier.

'U hoeft dat niet te dragen,' zei hij toen, 'om één uur 's nachts.'

'Het reglement zegt "tijdens dienst". Het zegt niet wanneer dienst eindigt.'

'Uw dienst eindigt als ik thuis ben en het niet meer nodig heb.'

'Heeft u het nog nodig?'

Hij keek haar aan en ze zag dat hij de dubbele betekenis hoorde, en dat hij besloot er niet op in te gaan. Het was een kleine overwinning en ze voelde hem in haar vingertoppen.

'Nee,' zei hij.

'Dan ga ik slapen.'

'Mevrouw Brandt.'

Ze bleef staan.

'Wie heeft u gestuurd?'

Het was een vreemde vraag, en hij stelde hem vreemd: niet nieuwsgierig, maar vlak, alsof hij een getal uit een catalogus voorlas.

'Het uitzendbureau,' zei ze. 'Huispersoneel Haaglanden. Ze hebben mijn cv doorgestuurd en meneer Verhagen heeft me uitgenodigd.'

'Juist.'

'Had u iemand anders verwacht?'

Hij keek haar een tijdje aan. Er zat geen glimlach in die blik, ook niet toen ze zelf, uit gewoonte, haar mondhoek optrok.

'Ik verwacht nooit iets,' zei hij. 'Dan word je niet teleurgesteld. Goedenacht, mevrouw Brandt.'

* * *

Boven trok ze het uniform uit en hing het over de stoel. Ze maakte de jarretelles los, een voor een, en rolde de kousen af. Haar huid was warm en een beetje rood waar het kant had gezeten.

Ze lag in het donker en dacht aan zijn ogen. Aan de manier waarop ze bij haar zoom waren blijven hangen, misschien een halve seconde langer dan nodig was. Aan het bewegen van die kaak.

Ze dacht ook aan de vraag. Wie heeft u gestuurd?

Beneden hoorde ze hem door het huis lopen. Niet naar zijn slaapkamer op de tweede verdieping, maar naar de studeerkamer. Een deur die dichtging. Daarna was het stil, en die stilte duurde tot ze in slaap viel en, vermoedde ze, nog veel langer.

Om zes uur 's ochtends werd ze wakker van de voordeur.

Toen ze beneden kwam, was de pan afgewassen en omgekeerd op het afdruiprek gezet. Naast het aanrecht lag haar kaartje. Onder haar eigen woorden stond, in kleine, strakke letters, met een vulpen geschreven:

Morgen graag een bord erbij. Ik vergeet het.

En daaronder, alsof hij had getwijfeld en het toch had opgeschreven:

Dank u.

Ze hield het kaartje lang vast. Toen stopte ze het in de zak van haar schort, waar haar vingers iets anders raakten: een opgevouwen stukje papier dat daar al moest hebben gezeten voor zij de jurk ooit had aangetrokken.

Ze haalde het eruit. Lijntjespapier, uit een notitieboekje gescheurd. Het handschrift was rond, haastig, met een vrouwelijke krul aan de g.

Er stond maar één regel. De inkt was uitgelopen, alsof het papier ooit nat was geworden, en ze kon er alleen de laatste woorden van lezen:

…niets aan. Wat ze je ook bieden.

Esmée keek naar de trap, naar de dichte deur van de studeerkamer twee verdiepingen hoger, naar de rijzweep aan de muur in de hal.

Toen vouwde ze het papiertje weer op en stopte het terug in de zak, naast zijn kaartje, en begon aan het ontbijt dat niemand zou eten.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst