Zwart op Wit · hoofdstuk 4 van 40
4. De Dienstbode
Het schilderij kwam op woensdag, in een kist die eruitzag als een doodskist voor een kind.
Twee mannen in grijze overalls droegen hem de hal binnen, langzaam, met de voorzichtigheid van mensen die per uur worden betaald maar per kras worden ontslagen. Sebastiaan liep voor hen uit. Hij was die ochtend niet naar kantoor gegaan; dat was op zichzelf al zo ongewoon dat Esmée om acht uur in de keuken had gestaan zonder te weten wat ze met het ontbijt moest. Hij had het gegeten. Zittend. Met de krant ernaast, ongelezen.
'Naar beneden,' zei hij nu tegen de mannen. 'Het souterrain. De deur aan het eind.'
Esmée stond bij de keukendeur en drukte zich tegen de muur om ze te laten passeren. Ze had de deur aan het eind van de souterraingang nooit open gezien. Een zware, grijs geverfde deur met een cijferslot en een gewoon slot eronder. Ze had gedacht dat het een stookruimte was.
Sebastiaan toetste een code in. Ze keek niet. Ze keek wel. Hij hield zijn lichaam ertussen.
De deur ging open met een zuchtend geluid, als een koelkast. Binnen was het licht wit en koel, en ze zag een kleine ruimte zonder ramen, met witte wanden, een ezel, een lange tafel met een zwart kleed, een apparaat aan de muur dat temperatuur en luchtvochtigheid aangaf in groene cijfers. 19,4 °C. 52%.
'De kluiskamer,' zei hij, toen de mannen weg waren. Hij stond in de deuropening, zij in de gang. 'U komt hier niet.'
'Ook niet om schoon te maken?'
'Hier is niets om schoon te maken. Daar zorgt de machine voor.'
'Wat zit er in de kist?'
Hij keek haar aan. Hij leek te overwegen of hij antwoord zou geven, en ze zag dat hij besloot dat het geen kwaad kon, of dat het juist goed was.
'Een vrouw bij een raam,' zei hij. 'Ze is driehonderdvijfenzestig jaar oud en ze heeft vaker van eigenaar gewisseld dan goed voor haar is.'
'Is ze mooi?'
'Ze is belangrijk.'
'Dat is niet hetzelfde.'
'Nee,' zei hij. 'Dat is het zelden.'
Hij ging naar binnen en trok de deur bijna dicht. Ze hoorde het hout van de kist kraken, schroeven die werden losgedraaid, en daarna een lange, lange stilte, waarin ze zich voorstelde hoe hij voor het doek stond met zijn handen langs zijn lichaam, zonder iets aan te raken, alleen kijkend.
Ze ging terug naar de keuken. Pas toen ze de groenten aan het snijden was, besefte ze dat ze het schilderij uit de map in de studeerkamer moest zijn. De vrouw bij het raam. Herkomst 1938–1946 ONDUIDELIJK.
Die donderdag, terwijl ze aan de keukentafel het zilver poetste, kwam hij om vier uur 's middags thuis. Hij bleef in de deuropening staan en keek naar haar handen, zwart van het poetsmiddel, en naar de rij vorken die al glommen op een theedoek.
'Dat hoeft niet,' zei hij.
'U heeft een gast.'
'Floris merkt niet of zilver gepoetst is. Hij merkt alleen of de wijn duur is.'
'Dan merkt ú het.'
Hij zei niets. Hij trok een stoel naar achteren, de stoel tegenover haar, en ging zitten. Dat had hij nog nooit gedaan. Hij keek naar de vorken. Hij pakte er een op en draaide hem in het licht, zoals hij de moerbei had gedraaid, en ze zag zijn spiegelbeeld in het zilver, klein en krom.
'Uw knie,' zei hij. 'Doet die pijn als u zo zit?'
Ze keek naar haar been, gestrekt onder de tafel, de hiel op de onderste sport van de stoel ernaast. Ze had niet gemerkt dat hij het had gezien.
'Bij regen,' zei ze. 'En als ik te lang op mijn knieën zit. Daarom buk ik anders.'
Ze zei het zonder bijbedoeling. Ze hoorde de bijbedoeling pas toen hij zijn ogen even sloot.
'Juist,' zei hij.
'Het is een kruisband. Ze hebben een pees uit mijn dij gehaald en er een nieuwe van gemaakt. Ik kan alles, behalve wat ik wilde.'
Hij legde de vork neer, naast de andere, precies in de rij.
'Ik had een paard,' zei hij. Meer niet. Hij stond op en schoof de stoel terug. In de deuropening zei hij, zonder zich om te draaien: 'Ik weet hoe dat is. Alles kunnen behalve wat je wilde.'
Toen hij weg was, poetste ze nog een kwartier aan dezelfde lepel.
* * *
Floris Kalff kwam die vrijdag eten.
Ze wist het een dag van tevoren, via een kaartje. Vrijdag 20.00 één gast. Iets eenvoudigs. Hij eet geen vis meer, beweert hij. Daaronder, na een duidelijke aarzeling, in kleinere letters: U bedient. Uniform.
Ze las het laatste woord vaker dan de rest.
Ze maakte lamsrack met een korst van mosterd en kruiden, aardappelgratin, sperziebonen met sjalot. Ze dekte de grote eettafel aan één uiteinde, voor twee, met het zilver dat ze in een la in het dressoir had gevonden en dat ze de hele donderdagmiddag had gepoetst. Ze zette kaarsen neer. Ze haalde ze weer weg. Ze zette ze terug.
Floris was precies zoals op de foto, en precies anders. Hij was kleiner dan ze dacht, maar hij nam meer ruimte in. Hij kwam binnen met een fles wijn onder zijn arm en een lach die de hal vulde, kuste de lucht naast haar wang voordat ze een hand kon geven, en keek over haar schouder naar Sebastiaan, die bovenaan de eerste trap stond.
'Bas! Je hebt een nieuwe!'
'Mevrouw Brandt,' zei Sebastiaan.
'Mevrouw Brandt.' Floris maakte een buiginkje, theatraal. Toen ging zijn blik over haar heen, en het was een heel andere blik dan die van Sebastiaan. Niet systematisch. Niet van boven naar beneden. Hij keek alleen naar haar benen, en naar de zoom, en daarna naar Sebastiaan, met een grijns. 'De clausule van tante Odile. Ik was vergeten hoe charmant die is.'
'Ze was je tante niet,' zei Sebastiaan.
'Ze was ieders tante. Lieverd, waar laat ik mijn jas?'
Esmée nam zijn jas aan. Hij rook naar zon en zeewater en een duur, kruidig parfum. In de binnenzak voelde ze iets hards, een telefoon, en nog een, en een sleutelbos met een plastic hangertje van een jachthaven.
* * *
Ze bediende zoals ze het op de hotelschool van haar tante had gezien, toen ze vijftien was en in de zomer bijverdiende: van links opdienen, van rechts afruimen, nooit praten tenzij je iets gevraagd wordt, nooit kijken naar wat er op tafel gebeurt. Het was choreografie. Ze kende choreografie.
Maar ze hoorde alles.
'Ze zijn ongeduldig,' zei Floris, terwijl hij zijn lamsvlees in kleine, precieze stukjes sneed. 'Ik zeg het je eerlijk, Bas. De Zwitsers bellen me elke dag. Ze hebben het geld klaarstaan. Een private sale, geen veiling, geen publiciteit. We kunnen het binnen een maand rond hebben.'
'We gaan niet verkopen voordat de herkomst rond is.'
'De herkomst is rond. Er is een koopakte van 1943. Getekend. Gestempeld.'
'Er is een koopakte,' zei Sebastiaan. 'Dat is iets anders.'
Esmée zette de saus neer. Van links. Ze keek naar het tafelkleed.
'Je klinkt als die mensen van de commissie,' zei Floris. 'Alles is verdacht, alles is besmet, alles moet terug. Weet je hoeveel schilderijen er in Nederland hangen die in 1943 van eigenaar zijn gewisseld? Moeten we het Rijks leegruimen?'
'Misschien.'
'Jezus, Bas.' Floris lachte. 'Je bent echt je grootvader niet.'
Het werd heel stil aan tafel. Esmée stond met de wijnfles bij het dressoir en voelde de stilte in haar rug, als een tochtvlaag.
'Nee,' zei Sebastiaan. 'Dat ben ik niet.'
Floris hief zijn handen, verzoenend. 'Sorry. Sorry, dat was flauw. Ik bedoel alleen: het is ook ons huis. Roelofsz en Kalff. Als dit schilderij een probleem wordt, dan is het een probleem voor ons allebei. En voor de mensen die voor ons werken.' Hij keek even naar Esmée, en weer terug. 'Als het via Genève gaat, dan is het opgelost voordat iemand een vraag kan stellen.'
Sebastiaan legde zijn vork neer.
Hij deed het langzaam, zoals hij altijd deed. Evenwijdig aan zijn mes. Maar Esmée, die het nu vaak genoeg had gezien, zag het verschil. Zijn hand bleef op de vork liggen, en zijn wijsvinger, die met het litteken over de knokkel, drukte zo hard op het zilver dat het topje wit werd.
'Genève,' herhaalde hij.
'Zo noem ik het maar. Je weet wat ik bedoel.'
'Ik weet precies wat je bedoelt.' Sebastiaan pakte zijn wijnglas. 'Mevrouw Brandt, wilt u nog wat inschenken?'
Ze kwam naar de tafel. Ze stond naast hem, aan zijn rechterkant, en boog zich over zijn schouder om zijn glas te vullen. Dat was niet hoe het hoorde; je schonk in van rechts, maar je boog niet. Je stond rechtop, met de fles in een servet, en je arm gestrekt.
Ze boog toch.
Ze wist niet waarom. Of ze wist het wel: omdat ze de witte vingertop had gezien, en de stilte had gevoeld, en omdat ze, op een manier die ze niet kon uitleggen, iets wilde doen wat hem terugbracht naar deze kamer, weg van Genève en grootvaders en koopaktes.
Ze boog zich naar voren tot haar borst bijna zijn schouder raakte. Ze voelde de warmte van zijn lichaam door het zwarte katoen van haar jurk. Haar kraagje streek langs zijn oor. De wijn klokte in het glas, donkerrood, en ze schonk langzamer dan nodig was. Een-en-twee-en-drie-en. Ze rook hem: scheerzeep, wol, en daaronder iets warmers, huid.
Ze hoorde zijn adem stokken.
Toen viel zijn servet.
Het gleed van zijn schoot en kwam tussen hun voeten op het parket terecht, een wit vierkant op het donkere hout. Hij bewoog niet om het op te rapen. Zij ook niet. Ze kwam langzaam overeind met de fles in haar hand, en terwijl ze dat deed, keek ze naar beneden, langs zijn schouder, naar zijn schoot, waar het servet niet meer lag.
Hij was hard. Ze zag het duidelijk, de lijn van zijn penis tegen de stof van zijn pantalon, strak, en ze zag zijn hand die zich op zijn dij tot een vuist balde, en weer ontspande.
'Dank u,' zei hij. Zijn stem was volkomen vlak.
'Graag gedaan, meneer.'
Ze draaide zich om. Ze liep langs Floris naar het dressoir, en bukte, vanuit haar heupen, benen gestrekt, om het gevallen servet op te rapen. Ze deed het precies voor Sebastiaans stoel, met haar rug naar hem toe. Ze voelde de zoom omhoog kruipen. Ze voelde de jarretelles strak staan. Ze telde tot vier.
Toen ze overeind kwam en zich omdraaide, met het servet keurig gevouwen over haar arm, keek Floris naar haar met open mond en een lach die hij niet onder controle had.
Sebastiaan keek naar zijn bord.
'Een schoon servet, meneer?'
'Graag.'
Ze haalde een schoon servet. Ze legde het naast zijn bord, niet op zijn schoot. Daar moest hij zelf maar voor zorgen.
* * *
Floris vertrok om half twaalf, luidruchtig en in een uitstekend humeur. In de hal hield hij haar jas vast terwijl zij hem de zijne aangaf, een kleine omkering die ze pas later begreep.
'Mevrouw Brandt,' zei hij zacht, zodat Sebastiaan, die nog boven was, het niet kon horen. 'Bevalt het u hier?'
'Prima, dank u.'
'Hij is niet makkelijk, hè.'
'Ik ben niet aangenomen omdat het makkelijk is.'
Floris lachte. 'Nee. Nee, dat zie ik.' Hij gaf haar een kaartje, wit, met reliëf, zijn naam en een telefoonnummer. 'Als er ooit iets is. Wat dan ook. Hij kan... afwezig zijn. Ik zorg graag voor de mensen die voor ons werken.'
Ze nam het kaartje aan, omdat je dat deed, en stopte het in haar schortzak.
Daar lag het naast het oude briefje. …niets aan. Wat ze je ook bieden.
Toen de deur achter hem dichtviel, bleef ze in de hal staan. Ze keek naar de rijzweep aan de muur, en naar de trap, waar Sebastiaan nu stond, halverwege, op de vierde tree. Die kraakte.
Hij keek op haar neer.
'U deed dat expres,' zei hij.
Het was geen vraag. Ze besloot het ook niet als een vraag te behandelen.
'Welk deel?'
'Alle delen.'
Ze hield haar handen achter haar rug, bij de strik van haar schort. 'U liet uw servet vallen.'
'Dat was niet expres.'
'Dan zijn we het oneens.'
Iets bewoog in zijn gezicht, iets wat bijna een glimlach was, maar niet helemaal. Hij kwam twee treden naar beneden. Daarna bleef hij staan, alsof er een grens was die hij zichzelf had opgelegd.
'Wat zei hij tegen u?' vroeg hij. 'Floris. Hier in de hal.'
Ze aarzelde een halve seconde. Haar hand ging naar de schortzak, en weer weg.
'Dat u afwezig kunt zijn,' zei ze. 'En dat hij graag zorgt voor de mensen die voor u werken.'
'Gaf hij u iets?'
'Zijn kaartje.'
Sebastiaan knikte langzaam. Hij leek niet verrast, en dat verraste haar. Hij leek eerder iemand die op een veiling ziet dat een bod precies op het moment komt waarop hij het had verwacht.
'Bewaar het,' zei hij.
'Waarom?'
'Omdat het beleefd is.' Hij draaide zich om en ging de trap op. Bij de zeventiende tree, die kraakte, bleef hij weer staan. Zonder om te kijken zei hij: 'Het lamsvlees was uitstekend, mevrouw Brandt. En wat u verder deed, was... niet nodig.'
'Was het onaangenaam?'
Het bleef lang stil op de trap.
'Nee,' zei hij. 'Dat is precies het probleem.'
Ze hoorde zijn voetstappen op de overloop, de deur van de studeerkamer, het slot.
Ze bleef in de hal staan tot de klok het kwartier sloeg. Toen ging ze naar de eetkamer om af te ruimen. Op zijn plek, naast zijn bord, lag het schone servet dat ze hem had gegeven. Hij had het niet gebruikt. Hij had het netjes opgevouwen, tot een klein strak vierkantje, en er de vulpen bovenop gelegd, precies schuin.
Onder de vulpen stak een hoekje papier uit. Ze trok het eruit. Het was de achterkant van een envelop, en er stond maar één woord op, in die kleine, strakke letters, zo hard geschreven dat de pen bijna door het papier was gegaan.
Genoeg.
Ze draaide de envelop om. Er stond een Zwitsers postadres op, een bank in Genève, gericht aan Roelofsz & Kalff, t.a.v. F. Kalff. De envelop was open en leeg.
Ze legde hem terug onder de vulpen, precies zoals hij had gelegen. Toen ruimde ze de tafel af, deed de kaarsen uit en ging naar boven, langs de studeerkamer, waar onder de deur nog licht brandde.
Ze vroeg zich af of het woord voor haar bedoeld was, of voor Floris, of voor hemzelf.
Ze vermoedde dat hij het zelf ook niet wist.