Zwart op Wit

Hoofdstuk 12 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 12 van 40

12. De rijzweep

Ze gaf hem de sleutel die avond, na het eten, op de keukentafel.

Ze legde hem neer tussen zijn bord en zijn wijnglas, met het plastic mosseltje naar boven. Hij keek ernaar. Hij raakte hem niet aan.

'Mevrouw Lindeman vond hem,' zei ze. 'In het steegje, bij de containers. Hij moet hem verloren hebben toen hij wegrende.'

'Yerseke,' zei hij.

'Hanneke kwam uit Yerseke.'

'Ik weet waar Hanneke vandaan kwam.' Hij pakte de sleutel nu wel op, tussen duim en wijsvinger, zoals hij alles oppakte, en draaide hem in het licht van de hanglamp. 'Ze werkte hier zes jaar. Ze maakte elke vrijdag mosselen, ook als ik zei dat ik niet thuis zou zijn. Ze zette ze in de oven met een briefje erbij: Ze worden niet beter van wachten, maar u ook niet.'

'Waarom is ze weggegaan?'

Hij legde de sleutel neer.

'Omdat ik haar vroeg om te gaan,' zei hij.

Esmée wachtte.

'Ze had iets gedaan,' zei hij. 'Ze had iemand iets gegeven wat niet van haar was. Ik kwam erachter. Ik heb gezegd dat ze kon kiezen: of ik ging naar de politie, of ze vertrok die dag nog, met haar salaris tot de zomer, en een getuigschrift waarin stond dat ze de beste huishoudster was die dit huis ooit had gehad. Wat ook waar was.' Hij draaide zijn wijnglas op tafel. 'Ze koos het tweede. Ze huilde. Ik heb haar koffers naar de taxi gedragen.'

Omdat dat logisch was, dacht Esmée. Zoals bij Maud.

'Wie had ze iets gegeven?'

Hij keek haar aan.

'Dat weet je al,' zei hij.

Haar keel werd droog. Ze dacht aan de envelop, bruin en dik. Aan de stoep in februari. Aan het briefje in haar schortzak, met de uitgelopen inkt. …niets aan. Wat ze je ook bieden.

'Ze heeft het voor mij achtergelaten,' zei ze. 'In de schort. Een briefje. Ik dacht eerst dat het per ongeluk was.'

'In dit huis,' zei hij langzaam, 'wordt niets per ongeluk gezien.'

Het bleef stil.

'Je wist het,' zei ze. 'Je wist dat hij het mij ook zou vragen.'

'Ik dacht het.'

'En je hebt me toch aangenomen.'

'Verhagen heeft je aangenomen.'

'Sebastiaan.'

Hij keek op toen ze zijn naam zei. Het was de tweede keer, en de eerste keer in het licht.

'Ja,' zei hij. 'Ik heb je toch aangenomen.'

'Waarom?'

Hij dacht lang na. Zo lang dat ze dacht dat hij geen antwoord zou geven.

'Omdat je in je sollicitatiebrief schreef dat je ballet had gedanst,' zei hij ten slotte, 'en dat je daardoor had geleerd om zes uur achter elkaar te staan zonder dat iemand zag dat het pijn deed. Ik dacht: die vrouw weet hoe het is om een rol te spelen. Ik dacht: misschien kiest zij anders dan Hanneke.' Hij keek naar de sleutel. 'Ik dacht niet aan de rest.'

'De rest?'

'De vaatwasser.' Een glimlach, kort. 'De trap. Het trapje. Jou.'

Ze voelde haar gezicht warm worden, en ze haatte het niet. Voor het eerst haatte ze het niet.

'Ik heb geld van hem aangenomen,' zei ze. Het kwam eruit voordat ze het kon tegenhouden. Niet bang, dit keer. Gewoon moe. 'Achtduizend euro. Ik heb mijn schulden betaald. Ik heb hem twee berichten gestuurd en in allebei stond niets. Hij heeft gegeten. Stroom was even uit. Ik heb gisteravond niet geschreven dat je in de kluis was. Ik heb het getypt en weer gewist.'

Hij luisterde. Hij bewoog niet.

'Ik weet niet of dat iets uitmaakt,' zei ze.

'Het maakt iets uit,' zei hij.

'Ben je boos?'

'Ja.' Hij zei het eenvoudig. 'Op hem. Een beetje op jou. Het meest op mezelf, omdat ik het zag aankomen en het heb laten gebeuren.' Hij legde zijn handen plat op tafel. 'Maar je vertelt het me. Nu. Omdat je het wilt, niet omdat ik het vraag. Dat had Hanneke nooit gedaan.'

'Wat moet ik doen?'

'Wat wil je doen?'

'Ik wil het geld teruggeven.'

'Dat kan niet. Je hebt het uitgegeven.'

'Dan wil ik het terugverdienen. Bij jou. Ik werk het af.'

'Nee.' Hij schudde zijn hoofd. 'Dan ben je van mij in plaats van van hem. Dat wil ik niet.' Hij keek haar aan. 'Blijf hem antwoorden. Wat je hem vertelt, bepaal jij. Maar vertel het mij ook.'

'Je wilt dat ik dubbelspel speel.'

'Ik wil dat je kiest,' zei hij. 'Elke keer opnieuw. Dat is het enige wat ik van iemand kan vragen.'

* * *

Ze ruimde af. Hij bleef zitten.

Toen ze de laatste glazen in het rek had gezet, stond hij op en liep de keuken uit. Ze hoorde hem de trap naar de hal op gaan. Ze hoorde hem stilstaan in de hal, op het marmer. Ze hoorde iets metaligs, kort, een tik van koper op koper.

Hij kwam terug met de rijzweep.

Hij hield hem in zijn rechterhand, bij de zilveren knop, losjes, zoals je een potlood vasthoudt. Het leer was zwart en glanzend van ouderdom, en dun, niet dikker dan haar pink, en het eindigde in een klein plat lapje, een tong van leer zo groot als een postzegel. Hij was langer dan ze had gedacht, toen hij aan de muur hing.

Ze bleef bij het aanrecht staan. Haar adem stokte.

Hij legde hem op de keukentafel. Precies in het midden, evenwijdig aan de rand. Hij liet hem los. Toen ging hij weer zitten, op zijn stoel, met zijn armen over elkaar.

'Weet je wat dit is?' vroeg hij.

'Een rijzweep.'

'Weet je waar hij voor is?'

'Om een paard sneller te laten gaan.'

'Nee.' Hij schudde zijn hoofd. 'Dat denkt iedereen. Een goede ruiter slaat nooit hard. Een zweep is er niet om pijn te doen. Hij is er om aandacht te geven. Een tik op de schouder, licht, op het juiste moment, zodat het paard weet: ik ben hier, ik zie je, ik weet wat je gaat doen voordat je het doet. Het is een gesprek.' Hij keek naar het leer. 'Mijn grootmoeder kon een paard laten dansen met twee tikjes en haar stem. Ze heeft me geleerd dat de zweep het laatste is wat je gebruikt, niet het eerste. En dat je hem nooit gebruikt als je boos bent.'

Esmée kon haar ogen niet van het leer afhouden.

'Waarom vertel je me dit?'

'Omdat je me een maand hebt uitgedaagd,' zei hij. 'Omdat je bukt en telt en kijkt of ik kijk. Omdat je wegloopt zodra ik terugkijk. Ik heb me afgevraagd waarom. Wat je eigenlijk wilt.' Hij boog naar voren, zijn ellebogen op tafel. 'Ik denk dat je wilt dat iemand ziet wat je doet, en blijft. Niet wegloopt. Niet zegt dat je te veel bent. Maar je weet niet hoe je dat moet vragen, want elke keer dat je iets vraagt, ben je bang dat iemand nee zegt. Dus je vraagt het niet. Je laat het gebeuren, en je zorgt dat jij bepaalt wanneer.'

Ze voelde haar knieën slap worden. Ze greep de rand van het aanrecht.

'Hoe weet je van—' Ze kon het niet afmaken. Te veel. Ze had het hem nooit verteld.

'Ik weet het niet,' zei hij zacht. 'Ik zie het. Zo bekijk je jezelf. Alsof je iets bent wat te veel ruimte inneemt.'

Ze kon niet praten.

'Ik ben precies andersom,' zei hij. 'Ik wil alles meten, alles controleren, alles weten voordat het gebeurt. Ik heb zeventien jaar geprobeerd om niets meer te laten gebeuren wat ik niet in de hand had. En ik word er moe van. Zo moe dat ik niet meer slaap.' Hij keek naar de zweep. 'Maar als ik naar jou kijk, wil ik iets anders. Ik wil je niet in de hand hebben. Ik wil op je letten. Elke ademhaling. Elke centimeter. Ik wil weten wat je voelt voordat je het zelf weet, en ik wil dat jij me dat laat doen. Omdat je het kiest.'

Hij legde één vinger op het leer, bij de knop.

'Dat is wat dit is,' zei hij. 'Als je ooit wilt weten waarom je doet wat je doet. Waarom je bukt. Waarom je telt. Waarom je wilt dat ik kijk en dan wegrent. Dan ligt hij hier. Niet om je pijn te doen. Om je te laten voelen dat iemand oplet.'

Het was doodstil in de keuken.

Esmée stond tegen het aanrecht, en haar hele lichaam was één zenuw. Ze voelde het leer op de tafel alsof het al haar huid raakte. Ze voelde zijn vinger op de knop alsof hij op haar nek lag. Ze zag het voor zich, ongevraagd, scherp: haar handen plat op die tafel, haar rug gebogen, de zoom van haar jurk omhoog over de nieuwe clipjes, en dat kleine leren tongetje, licht, op de achterkant van haar dij. Eén tik. Een gesprek. Ik zie je.

Het beeld was zo hevig dat ze haar ogen dicht moest doen. Haar adem ging hoog en snel. Haar tepels schuurden tegen de stof, pijnlijk hard. Tussen haar dijen was alles zwaar en warm en nat, en ze schaamde zich niet, en dat was het engste van alles.

'Ik weet niet wat ik wil,' fluisterde ze.

'Dat weet ik,' zei hij. 'Daarom ligt hij op tafel. En niet in mijn hand.'

Ze deed haar ogen open. Hij zat nog steeds op zijn stoel. Hij was niet opgestaan. Zijn vinger lag op het leer, en verder niets. Zijn ogen waren donker en rustig en ze keken haar aan, alleen haar aan, haar gezicht, alsof hij elk beeld dat door haar hoofd ging kon lezen en het hem niets kon schelen hoe groot het was.

'Hij hangt niet meer aan de muur,' zei hij. 'Vanaf nu ligt hij in de la van het dressoir in de eetkamer. De bovenste. Er zit geen slot op. Als je hem ooit pakt, en je legt hem bij mij neer, dan weet ik dat je wilt praten. Dan praten we. Eerst praten we. Over alles. Over wat je wilt en wat niet. Over een woord dat betekent dat ik stop. Over wat er gebeurt als je dat woord zegt. Daarna, misschien. Of nooit. Dat bepaal jij.'

'En als ik hem nooit pak?'

'Dan ligt hij in de la,' zei hij, 'en eet ik je soep, en kijk ik naar je als je bukt, en laat ik je weglopen, zo vaak als je wilt.'

Ze keek naar de zweep. Ze keek naar hem.

Ze liep de keuken uit.

* * *

Ze ging naar Fien. Het was tien uur 's avonds en ze nam de tram naar Laak in haar spijkerbroek en een trui over het uniform, omdat ze zich niet had kunnen omkleden, omdat ze niet terug had gekund langs de eetkamer. Onder de trui voelde ze de schort, en onder de spijkerbroek de kousen en de clipjes, strak om haar dijen.

In de tram zat ze achterin, tegenover een jongen met een gitaarkoffer die in slaap was gevallen met zijn hoofd tegen het raam. De stad gleed langs, nat en glimmend van de regen van gisteren: het Spui, de kale bomen van het Zuiderpark, de lichtreclames van een shoarmazaak die in het donker rood en groen knipperden.

Ze telde de haltes. Ze telde in achten, en kwam steeds bij vier uit, en begon opnieuw.

Ze dacht aan Lev. Aan de repetitiezaal en het namiddaglicht en zijn twee vingers onder haar kin. Mag ik? Hij had het altijd gevraagd, en hij had nooit gewacht op het antwoord. Hij had het gevraagd zoals je hoe gaat het vraagt aan iemand bij de kassa. En zij had altijd ja gezegd, omdat je ja zei tegen Lev, omdat iedereen ja zei tegen Lev, omdat nee betekende dat je geen solo kreeg.

Sebastiaan had gewacht. In de keuken, met zijn hand naast haar wang. In de bibliotheek, toen ze ophouden zei. En vanavond, met de zweep op tafel en zijn vinger op de knop, had hij niet eens iets gevraagd. Hij had alleen gezegd: Dat bepaal jij.

Niemand had ooit iets aan haar overgelaten. Niet echt. Haar hele leven had ze gedaan wat de muziek vroeg, of de choreograaf, of de arts, of de bank. Ze had geleerd te spelen binnen andermans grenzen, en dat spelen voelde als vrijheid omdat het het enige was wat ze had.

Nu lag er een zweep in een la zonder slot, en het enige wat ervoor stond, was haarzelf.

De jongen met de gitaar werd wakker bij de Hoefkade, keek verdwaasd om zich heen, en stapte uit. Ze bleef alleen achter met haar spiegelbeeld in het donkere raam: een vrouw in een trui met een wit kraagje dat eruit stak, en ogen die te groot waren.

Fien deed open in haar pyjama.

'Je bent wit,' zei ze.

'Ik weet het.'

'Is er iets gebeurd? Heeft hij—'

'Nee.' Esmée ging zitten op de bank, die rook naar wasverzachter en chips. 'Hij heeft niets gedaan. Hij heeft een zweep op tafel gelegd.'

Fien staarde haar aan.

'Een zweep,' herhaalde ze.

'Een rijzweep. Die uit de hal.' Esmée lachte, schor. 'Hij heeft hem op tafel gelegd en gezegd dat ik hem mag pakken als ik wil weten waarom ik doe wat ik doe. En dat we dan eerst praten. Over een stopwoord. En dat hij anders gewoon soep eet.'

Fien ging naast haar zitten.

'Oké,' zei ze langzaam. 'Oké. Dit is veel.'

'Ja.'

'Is hij gevaarlijk?'

Esmée dacht na. Ze dacht aan de kluiskamer in het donker, zijn lichaam tussen haar en de deur. Aan ophouden, en hoe hij was opgehouden. Aan de sleutel van Yerseke. Aan de koffers van Hanneke, die hij naar de taxi had gedragen.

'Nee,' zei ze. 'Ik denk dat ik gevaarlijk ben. Voor mezelf.'

'Waarom?'

'Omdat ik het wil,' fluisterde Esmée. 'Fien, ik wil het zo erg dat ik ervan moet huilen. En ik weet niet eens wat het is.'

Fien pakte haar hand.

'Dan zoek je het uit,' zei ze. 'Langzaam. Met dat stopwoord. En als hij één keer niet stopt als je het zegt, bel je mij, en ik kom met een infuusstandaard en sla hem ermee.'

Esmée lachte, en toen huilde ze, en Fien hield haar vast, en ze sliep die nacht op de bank in Laak, in het uniform onder haar trui, met Fiens deken over zich heen.

Om drie uur 's nachts kreeg ze een bericht. Niet van Floris.

Ben je veilig? Je hoeft niet te antwoorden. Ik wilde het alleen weten. — S.

Ze antwoordde.

Bij mijn zus. Veilig.

En daarna, na lang staren naar het scherm:

Leg hem niet terug aan de muur.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst