Zwart op Wit · hoofdstuk 23 van 40
23. Blinddoek
De dag duurde een jaar.
Hij ging om zeven uur naar kantoor, zoals altijd, en kuste haar in de hal, kort, onder de lege koperen haken, met zijn colbert al aan. 'Tien uur,' zei hij tegen haar mond. 'Je hebt nog vijftien uur om nee te zeggen.' Toen was hij weg, en ze stond in de hal met haar vingers op haar lippen.
Ze maakte schoon. Ze wist niet wat ze anders moest doen. Ze stofte de bibliotheek af, elke plank, elke rug van elke catalogus, en durfde niet naar de leestafel te kijken. Ze poetste de trap. Ze waste haar haar twee keer. Ze streek het uniform, de beste van de drie, die met de stevigste clipjes, en hing het aan haar kastdeur, en ging ervoor zitten op de rand van haar bed en keek ernaar tot de zon zakte.
Om zes uur sms'te Fien: En?
Vanavond, schreef ze.
Het bleef lang stil. Toen: Woord?
Scheveningen.
Goed. Ik hou van je. Als hij het niet goed doet sla ik hem met een infuuspaal.
Ze lachte, en huilde een klein beetje, en ging douchen.
* * *
Om vijf voor tien stond ze voor de deur van de bibliotheek.
Ze had het uniform aan. De zwarte jurk, de witte schort met de strik in één keer goed, het kraagje met de kleine gaatjes in de punt. De kousen tot halverwege haar dijen, de jarretelles strak, de zware zilveren clipjes die hij haar had gegeven. Daaronder zwart katoenen ondergoed, eenvoudig. Haar haar in een lage knot. Haar voeten bloot. Ze had haar schoenen boven laten staan, omdat ze op blote voeten beter stond en omdat hij ooit had gezegd: Dat had ik niet verwacht.
De deur stond op een kier. Er brandde geen lamp binnen. Er brandde iets anders, iets warmers, iets wat flakkerde.
Ze klopte.
'Kom binnen,' zei hij. 'Als je wilt.'
Ze ging naar binnen.
Hij had kaarsen aangestoken. Niet veel, vier of vijf, op de schoorsteenmantel en de vensterbank, en ze wierpen lange, trillende schaduwen over de boekenkasten. De zware gordijnen waren dicht. De leestafel in het midden van de kamer was leeg, op een opgevouwen deken na, de groen-grijze plaid, die als een kussen op de rand lag. Op de hoek van de tafel lag de rijzweep. Ernaast een smalle band van zwarte zijde.
Hij stond bij de schoorsteen. Hij droeg een zwart overhemd met de mouwen opgerold, een donkere broek. Geen schoenen. Hij keek naar haar, van haar voeten naar haar gezicht, en hij liet haar zien dat hij keek. Langzaam. Alles.
'Kleur?' vroeg hij.
'Groen.'
'Zeg je woord.'
'Scheveningen.'
'En als je niet kunt praten?'
Ze hief haar hand en tikte twee keer met haar knokkel tegen de deurpost. Tik. Tik.
Hij knikte. Hij kwam naar haar toe. Hij bleef staan op een armlengte.
'Vanaf nu,' zei hij, en zijn stem was lager dan ze hem ooit had gehoord, kalm en vast en zonder één spoor van twijfel, 'doe je wat ik zeg. Tot je een kleur zegt die iets anders betekent. Begrijp je dat?'
'Ja.'
'Ja, wat?'
Ze aarzelde. Ze wist niet wat hij wilde horen. Toen begreep ze het, en het ging door haar heen als warme thee.
'Ja, Sebastiaan.'
Iets in zijn gezicht ontspande.
'Goed,' zei hij. 'Draai je om.'
Ze draaide zich om. Ze stond met haar rug naar hem toe, haar gezicht naar de deur. Ze hoorde hem dichterbij komen. Ze voelde zijn warmte in haar rug. Ze rook hem, scheerzeep en wol en kaarsrook.
De zijde gleed over haar ogen.
Het was koel en zacht. Hij knoopte het achter haar hoofd, onder haar knot, niet strak. De wereld werd zwart, op een warme gloed na waar de kaarsen waren.
'Kun je iets zien?' vroeg hij, bij haar oor.
'Nee.'
'Kleur?'
'Groen.'
Zijn handen lagen op haar schouders. Hij draaide haar om, langzaam, en leidde haar door de kamer. Ze wist niet waar ze was. Ze telde haar passen en hield op met tellen en telde weer. Toen voelde ze de rand van de leestafel tegen haar dijen, net boven het kant van haar kousen.
'Leg je handen op de tafel,' zei hij.
Ze legde haar handen op de tafel. Het hout was glad en koel.
'Buig voorover.'
Ze boog voorover. Zoals bij de vaatwasser. Zoals bij het lage tafeltje in de studeerkamer, met de theepot. Zoals altijd: benen gestrekt, heupen naar achteren, rug recht, een buiging vanuit de diepte van haar lichaam. Haar wang kwam op de opgevouwen plaid te liggen. Ze voelde de zoom van haar jurk omhoog kruipen, over het kant, over de bandjes, en ze voelde de koele lucht van de kamer op de huid van haar dijen, op haar billen onder het dunne katoen.
Maar deze keer telde zij niet.
Deze keer bepaalde zij niet hoe lang.
Ze hoorde hem achter haar staan. Hij deed niets. Hij keek. Ze wist het. Ze voelde het op haar huid als zon. Ze hoorde haar eigen adem, hoog en snel, en de kaarsen die knetterden, en buiten, heel ver weg, een tram op de brug.
Hij liet haar wachten.
Een minuut. Twee. Ze wist het niet. De tijd was weg, net als het licht. Haar dijen begonnen te trillen. Ze voelde de warmte in haar onderbuik, zwaar en kloppend, en ze wist dat het katoen tussen haar dijen nat was, en dat hij het kon zien, en ze schaamde zich, en ze schaamde zich niet, en de twee gevoelens draaiden om elkaar heen tot ze niet meer wist welk welk was.
'Je telt niet,' zei hij zacht.
'Nee.'
'Goed zo.'
Toen raakte hij haar aan.
Zijn handpalm, plat, op de achterkant van haar dij. Net boven het kant van haar kous. Warm en droog en groot. Hij liet hem daar liggen. Hij streelde niet. Hij hield alleen zijn hand daar, op haar blote huid, en ze voelde het tot in haar kruin.
Toen gleed zijn hand omhoog. Langzaam. Over de strakke bandjes van de jarretelles. Over de ronding van haar bil, door het katoen. Hij volgde de vorm van haar heup en kwam terug, en zijn hand lag plat op de holte onderaan haar ruggengraat, boven de strik van haar schort. Hier. Precies waar hij had gezegd.
Hij drukte, zacht. Haar rug boog in zijn hand.
'Blijf zo staan,' zei hij.
Ze bleef zo staan.
Ze hoorde iets over het hout schuiven. Leer over hout. De zweep.
Haar adem stokte.
'Kleur?' vroeg hij.
'Groen,' fluisterde ze.
'Eén,' zei hij. 'Dan vraag ik het weer.'
Het tongetje van het leer raakte de achterkant van haar dij. Licht. Zo licht dat het eerst geen pijn was, maar alleen een geluid, een klein, droog tik, zoals de hamer op het hout van de lessenaar. Daarna kwam het gevoel. Een warme, scherpe stip op haar huid, die zich verspreidde als inkt in water. Het prikte en het brandde en het ging over in iets anders, iets warms, iets wat ze voelde in haar buik en haar borsten en haar keel.
Ze hapte naar adem.
Zijn hand lag meteen op de plek. Plat, warm, over de stip die gloeide. Hij hield hem daar.
'Kleur?'
'Groen.' Haar stem brak. 'Groen, groen.'
'Drie,' zei hij. 'Op je billen. Dan stop ik en vraag ik het je.'
Hij schoof het katoen niet weg. Hij gaf ze door de stof heen, licht, één, twee, drie, elk met een adem ertussen, elk een klein vuur dat aanging en brandde en niet uitging. Ze maakte bij de derde een geluid dat ze nooit eerder had gemaakt, laag en rauw, half een kreun en half een snik. Haar handen grepen de rand van de tafel. Haar wang drukte in de plaid.
Toen voelde ze zijn hand weer. Hij legde hem op de plek, op haar bil, waar het gloeide, en liet hem daar, en het was alsof alle warmte van de kamer zich daar verzamelde.
'Ik zie je,' zei hij zacht. 'Ik ben hier.'
Ze huilde. Niet van pijn. Ze wist niet waarvan. De tranen liepen in de zijde over haar ogen en het kon haar niets schelen.
'Kleur?' vroeg hij.
'Groen,' snikte ze. 'Niet stoppen. Alsjeblieft.'
Hij legde de zweep neer. Ze hoorde het. En toen kwam hij achter haar staan, zo dichtbij dat zijn heupen tegen haar billen drukten, en ze voelde hem. Door zijn broek en het dunne katoen van haar ondergoed voelde ze hoe hard hij was, hoe erg hij haar wilde, en hij drukte zich tegen haar aan zodat ze het niet kon missen, en hij bleef zo staan, met zijn borst op haar rug en zijn adem in haar nek.
'Voel je dat?' vroeg hij, bij haar oor.
'Ja.'
'Dat doe jij. Al maanden. Elke keer dat je bukte.' Zijn stem was rauw. 'Dit is wat je met me doet, Esmée.'
Hij draaide haar om.
Hij deed het in één beweging, zijn handen op haar heupen, en zette haar met haar rug tegen de rand van de tafel. Hij pakte haar polsen. Allebei. Hij hield ze in één hand, achter haar, tegen het hout, niet hard, maar zo dat ze niet los kon. Ze kon niets zien. Ze voelde alleen zijn hand om haar polsen, en zijn lichaam voor het hare, en zijn andere hand op haar kraagje.
Hij maakte het haakje los. In haar nek. Toen de knoopjes van haar jurk, een voor een, van haar hals tot onder haar borsten, en het zwarte katoen viel open, en de lucht van de kamer raakte haar huid. Ze droeg geen beha. Ze had geen beha aangedaan.
Hij hield zijn adem in. Ze hoorde het.
Toen voelde ze zijn mond. Op haar hals, onder haar oor, op de plek waar haar hart klopte. Als ik daar mijn mond op legde, zou je ophouden met tellen. Ze hield op met tellen. Ze hield op met alles. Zijn mond ging over haar hals naar haar sleutelbeen, langzaam, warm, en lager, en ze voelde zijn adem over haar borst en daarna zijn lippen om haar tepel, en ze boog zich zo ver achterover tegen de tafel dat haar polsen in zijn hand trokken, en ze riep iets wat geen woord was.
Hij hief zijn hoofd.
'Vraag het me,' zei hij.
'Alsjeblieft.'
'Wat?'
'Jou,' fluisterde ze. 'Alsjeblieft. Ik wil jou.'
'Smeek.'
Het woord ging door haar heen als de zweep. Licht. Scherp. Warm.
'Alsjeblieft, Sebastiaan,' zei ze, en haar stem brak, 'alsjeblieft, ik wil je, ik wil je zo erg, ik heb het maanden gewild, elke keer dat ik bukte, elke nacht in je trui, alsjeblieft—'
Hij liet haar polsen los. Hij nam de zijde van haar ogen.
Het kaarslicht was zo fel na het donker dat ze moest knipperen. En toen zag ze hem. Zijn gezicht, vlak boven het hare, zijn ogen zwart, zijn lippen nat, zijn haar in de war. Hij keek naar haar alsof ze het enige licht in de kamer was.
'Kijk me aan,' zei hij. 'Ik wil dat je me ziet.'
Ze keek hem aan. Ze hield haar ogen open. En terwijl ze elkaar aankeken, in het kaarslicht, op de rand van de leestafel, met haar jurk open en haar kousen nog aan, kwam hij in haar, en de hele wereld werd klein en stil en precies goed.
Ze hield haar ogen open. Dat was het moeilijkste en het mooiste. Ze keek naar hem en hij keek naar haar, en er was niets om zich achter te verbergen, geen spel, geen tellen, geen choreografie. Ze voelde zijn handen op haar heupen, zijn adem op haar mond, zijn voorhoofd tegen het hare. Ze voelde dat hij op haar lette. Elke ademhaling. Elke centimeter. Hij las haar gezicht zoals hij een schilderij las, en hij gaf haar precies wat ze nodig had voordat ze wist dat ze het nodig had.
Ze liet los.
Het was als de val in de bibliotheek, op de Chesterfield, zonder tellen. Maar nu ving iemand haar op. Haar hele lichaam gaf het op, haar schouders, haar adem, haar hoofd, alles wat ze al die jaren had vastgehouden, en ze voelde het in golven door zich heen gaan, warm en hoog en duizelig, en ze riep zijn naam, ze riep het zo hard dat het tegen de boekenkasten weerkaatste, Sebastiaan, en ze hoorde hem antwoorden, haar naam, rauw en gebroken tegen haar hals, en daarna was er een lange, lange stilte waarin alleen hun adem was.
* * *
Ze lagen op de vloer.
Ze wist niet hoe ze daar was gekomen. Hij had haar van de tafel getild, dacht ze, en was met haar op het parket gaan zitten, met zijn rug tegen de Chesterfield, en had de plaid over hen heen getrokken. Ze lag tussen zijn benen met haar rug tegen zijn borst. Haar jurk was nog open. Haar kousen waren nog aan; één clipje was losgeschoten. Zijn armen lagen om haar heen.
Ze trilde. Ze kon niet ophouden.
Hij zei niets. Hij hield haar vast. Hij streek met zijn duim over haar bovenarm, heen en weer, heen en weer, en wachtte.
Na een hele tijd zei ze: 'Het is koud.'
'Wacht,' zei hij.
Hij stond op, legde de plaid helemaal om haar heen, en ging de kamer uit. Ze hoorde hem op de trap. De vierde tree. De zeventiende. De keuken. Ze lag op de vloer van de bibliotheek in het kaarslicht, in een deken, en luisterde naar het geluid van een steelpannetje op de inductieplaat en het zachte gebonk van een vijzel.
Hij kwam terug met twee mokken. Hij ging weer achter haar zitten, gaf haar er een, hield de andere zelf vast.
Chocolademelk. Met kardemom.
Ze nam een slok. Het was heet en bitter en zoet, en ze begon weer te huilen, en hij zei niets, en hield haar vast, en ze dronk.
'Wat was goed?' vroeg hij, toen ze ophield.
Ze dacht na.
'Alles,' zei ze. 'De blinddoek. Je stem. Dat je me liet wachten.' Ze slikte. 'De zweep. Ik dacht dat ik bang zou zijn. Ik was niet bang. Het was alsof je me iets vertelde. Met je hand erop, daarna.'
'En wat was niet goed?'
'Mijn knie,' zei ze. 'Rechts. Toen ik zo lang stond, bij de tafel. Het begon te zeuren.'
'Volgende keer een kussen eronder. Of je zegt oranje.'
'Ik wilde niet stoppen.'
'Dat weet ik. Daarom is er oranje.' Hij kuste haar haar. 'Dat is geen stoppen. Dat is: verander iets.'
Ze leunde achterover tegen hem. Haar billen gloeiden nog een beetje, en de achterkant van haar dij, waar de eerste tik was gevallen. Ze voelde het onder de deken, warm, als een geheim.
'En jij?' vroeg ze. 'Wat was goed?'
Hij was lang stil.
'Dat je je ogen openhield,' zei hij. 'Op het eind. Ik heb in mijn hele leven nog nooit iemand zo zien kijken.'
Ze draaide haar hoofd en keek naar hem op. Hij zag er moe uit, en jong, en zijn haar stond alle kanten op.
'Je haar,' zei ze.
'Wat is er met mijn haar?'
'Het staat precies zoals toen ik het droogwreef met de theedoek. Na het onweer.' Ze glimlachte. 'Je ziet er belachelijk uit.'
'Jij hebt een clipje los,' zei hij.
'Ze schieten niet los, zei je. Tenzij ik het wil.'
'Precies,' zei hij, en ze lachte zo hard dat ze chocolademelk op de plaid morste, en hij kuste haar om haar stil te krijgen, en het werkte niet, en hij probeerde het nog een keer.