Zwart op Wit

Hoofdstuk 35 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 35 van 40

35. Pion

Het gesprek met Dewi duurde twee uur en smaakte naar metaal.

Ze zaten in een café aan het Plein, niet bij Dudok — Esmée weigerde die stoelen — maar twee terrassen verder, onder een parasol die te weinig schaduw gaf. Dewi had een laptop open. Sebastiaan had zijn handen om een espresso die hij niet dronk. Esmée had het uniform niet aan; ze droeg een spijkerbroek en zijn trui, omdat ze vandaag geen dienstbode wilde zijn in het plan van iemand anders, zelfs niet in het hare.

'Scenario,' zei Dewi. 'Zestien uur. Esmée opent de achterdeur, zogenaamd om vuilnis buiten te zetten. Pim en Ruud komen via het steegje met een kist. Ze gaan naar de kluis. Jij — Bas — bent zogenaamd op het Noordeinde voor de voorbereiding van de voorbezichtiging. In werkelijkheid zit je met mij in de bus van de loodgieter. We laten ze de kist openen. We laten ze het Reserve-doek naast het origineel leggen. Op het moment van de wissel vallen we binnen. Duidelijk?'

'Duidelijk,' zei Sebastiaan.

'Nee,' zei Esmée. 'Niet duidelijk. Waar ben ik als jullie binnenballen?'

'In de keuken. Of in de tuin. Uit de vuurlinie.'

'Dan ben ik weer het meisje dat de deur openhoudt en wegkijkt.'

Dewi keek haar aan over het rode montuur. 'Wat wil je dan?'

'Ik wil ze naar binnen leiden,' zei Esmée. 'Ik wil dat Floris denkt dat ik nog van hem ben. Ik bel hem die middag. Ik zeg dat Bas weg is. Ik zeg dat de code weer de oude is — een leugen die hij graag gelooft. Ik laat ze binnen. Ik blijf bij de kist. En als Ruud mij meeneemt omdat hij panikeert, laat ik dat gebeuren tot ik het woord zeg.'

Sebastiaan zette zijn espresso zo hard neer dat het schoteltje rammelde. 'Nee.'

'Partner,' zei Esmée. 'Niet middel. Ik kies dit. Jij mag oranje zeggen. Niet nee voor mij.'

'Oranje,' zei hij meteen. 'Rood bijna. Esmée — hij neemt je mee. Scheveningen. Boulevard. We hadden dat als noodgeval. Niet als plan.'

'Dan is het een noodgeval waar we op voorbereid zijn.' Ze keek naar Dewi. 'Peilzender. In mijn enkelbandje. Telefoon open. Als ik Scheveningen zeg, komen jullie. Niet eerder. Hij moet ver genoeg zijn om aanhouding met het doek mogelijk te maken.'

Dewi floot zacht. 'Je speelt gevaarlijk.'

'Ik speel bewust,' zei Esmée. 'Dat is het verschil met april.'

Sebastiaan had zijn gezicht afgewend. Zijn kaak werkte. Esmée legde haar hand op zijn arm.

'Kleur?' vroeg ze zacht.

Hij sloot zijn ogen. 'Oranje. Ik haat dit. Ik doe mee. Omdat jij het zegt. En omdat Odile schreef: lieg niet. Dit is niet liegen. Dit is jou laten kiezen.'

'Goed,' zei Dewi. 'Dan bouw ik het zo. Maar als ik stop zeg, stop je. Dat is mijn woord. Niet Scheveningen. Stop. Politie-stop.'

'Begrepen,' zei Esmée.

* * *

Na het café liepen ze terug langs de Hofvijver. Sebastiaan zei lange tijd niets. Esmée liet het. Bij het Mauritshuis bleef ze staan, kijkend naar de toeristen die foto's maakten van een gebouw dat ooit ook schilderijen had bewaard die niet van iedereen waren.

'Je mag me haten om dit plan,' zei ze.

'Ik haat het plan,' zei hij. 'Niet jou. Dat onderscheid heb ik te laat geleerd. Ik oefen.'

'Oefen hard. Je hebt het nodig.'

Ze gingen vijf minuten het museum in, naar een zaaltje met vrouwen bij ramen. Esmée keek naar hun handen, hun schorten, hun blikken die nooit de kijker zochten. 'Zij hadden geen stopwoord,' zei ze. Hij pakte haar hand. 'Jij wel. Gebruik hem.'

'Ik beloof het,' zei ze. 'Niet omdat jij het vraagt. Omdat Rachel geen tweede verdwijning verdient.'

* * *

Die nacht was het spel hard en eerlijk.

Ze opende de la. Ze legde de zweep en de boeien op het bed. Ze zei groen. Hij vroeg drie keer of ze het zeker wist, omdat oranje nog in zijn keel zat van het café.

'Ik wil voelen dat ik kies,' zei ze. 'Ook hier. Vooral hier. Maak het zwaar. Ik wil daarna licht zijn.'

Hij bond haar polsen vast aan het hoofdeinde, met de vinger ertussen. Hij deed de blinddoek om. Hij vroeg kleur. Groen. Hij gaf haar vijf lichte tikken, telde hardop met haar, hand op elke plek. Hij drukte zich tegen haar aan zodat ze voelde hoe hard hij was. Hij nam de blinddoek af omdat ze wilde kijken. Hij hield haar heupen. Hij vroeg haar te smeken. Zij smeekte, met open ogen, en hij kwam in haar met zijn voorhoofd tegen het hare, en de rest was adem en naam en het soort overgave dat geen pion maakt maar een gelijke.

Na afloop, chocolademelk, kniemassage, de vraag: wat was goed?

'Dat je oranje zei in het café en toch meeging,' zei ze. 'Dat is nieuw. Vroeger had je alleen ja of nee. Nu heb je kleuren.'

'En wat was niet goed?'

'Dat ik zag hoe bang je was. Ik wil niet dat mijn keuze jouw angst is. Maar ik wil ook niet dat jouw angst mijn keuze wegneemt.'

Hij knikte. 'Dan dragen we allebei wat. Jij de deur. Ik de bus. En Rachel de thuiskomst.'

* * *

De dagen tot half augustus waren traag en scherp. Pim kwam nog één keer, zogenaamd voor UV-foto's; Esmée schonk koffie en glimlachte en zei niets over Reserve. Floris stuurde berichten: Goed meisje. Tot de zestiende. Ruud werd gezien bij de Javastraat; mevrouw Lindeman belde Verhagen; Verhagen belde Dewi; Dewi belde hen.

Op de avond voor de voorbezichtiging stonden Esmée en Sebastiaan in de kluiskamer. Het schilderij stond op de ezel, uit de kist. Rachel bij het raam. RM in de kraag.

'Morgen,' zei Esmée, 'draag ik het uniform. Niet als schuld. Als vlag.'

'Morgen,' zei hij, 'eet ik niet uit de pan. Ik eet helemaal niet. Tot je terug bent.'

'Dan moet je me terugbrengen,' zei ze. 'Anders verhonger je. Dat staat niet in het reglement.'

Hij kuste haar. Lang. Bang. Lief.

'Scheveningen,' fluisterde hij tegen haar mond. 'Als je het zegt, kom ik. Al moet ik door muren.'

'Ik weet het,' zei ze. 'Dat is waarom ik het durf.'

* * *

Ze oefenden het woord als acteurs. In de keuken. Op de trap. In bed. Scheveningen. Scheveningen. Scheveningen. Tot het zijn magie bijna verloor en toen weer terugkreeg omdat hij het fluisterde tegen haar pols en zij het antwoordde tegen zijn mond.

'Als ik het niet kan zeggen,' zei ze, 'tik ik. Twee keer. Op wat ik ook raak.'

'En als ik het niet hoor?'

'Dan hoort Dewi de peiling stilstaan. En dan kom je toch.'

Hij knikte. Hij pakte haar gezicht. 'Ik hou van je. Niet bewaard. Nu. Voor het te laat kan zijn om het nutteloos te vinden.'

'Het is nooit nutteloos,' zei ze. 'Zeg het morgen ook. Als ik terug ben. Dan is het een gewoonte, geen noodkreet.'

Buiten zakte de zon. Binnen lag het huis te wachten, oud en gespannen, zoals een paard voor de hindernis. Esmée dacht aan Sirocco, en aan Rachel, en aan alle wezens die hadden betaald voor de trots van mannen, en zij beloofde zichzelf dat trots morgen een andere smaak zou hebben: zout, ja, maar ook vrij.

* * *

Fien kwam die avond eten op de Prinsessegracht. Ze inspecteerde Sebastiaan zoals een arts een verdachte enkel inspecteert.

'Als zij morgen niet belt voor middernacht,' zei Fien, 'dan bel ik elke krant in dit land. Is dat duidelijk?'

'Duidelijk,' zei Sebastiaan. 'Als zij niet belt, bel ik je zelf.'

'Goed.' Fien keek naar Esmée. 'Geen heldendom. Heldendom is voor mensen zonder zussen. Jij hebt er een.'

Esmée knikte. Ze at weinig. Na Fiens vertrek waste hij de borden en droogde zij af, en het was zo gewoon dat het pijn deed.

* * *

Voor ze gingen slapen schreef ze een brief aan Ruth Mendes. Op papier, met zijn vulpen. Ze schreef dat de jurk zonder letters morgen een deur zou openen. Ze schreef dat Rachel thuis zou komen. Ze legde de brief in de la van het dressoir, naast de zweep, voor als ze terugkwam.

'Als,' zei ze hardop.

'Als,' zei hij. 'En daarna omdat.'

* * *

In de bibliotheek, die laatste avond, zette hij de kaarsen niet aan. Hij deed de lamp aan. Hij vroeg of ze de la wilde. Ze zei ja. Groen. Niet omdat ze afleiding zocht, omdat ze verankering zocht.

Hij bond haar polsen met de boeien, vinger ertussen, aan de leestafelpoot terwijl zij op de Chesterfield knielde — gewicht op links. Blinddoek. Kleur. Groen. Drie tikken, licht, hand erna. Hij vroeg haar te ademen. Hij vroeg haar te smeken. Zij smeekte om morgen, niet alleen om hem: 'Breng me terug. Belofte.' Hij beloofde het tegen haar hals, nam de blinddoek af, keek haar aan, en kwam in haar met oogcontact dat geen taxatie was maar een eed. Zij riep zijn naam. Hij de hare. Nazorg op de vloer, plaid, chocolademelk, knie.

'Wat was goed?' vroeg hij.

'Dat het als eed voelde,' zei ze. 'Niet als afscheid.'

'Het is geen afscheid,' zei hij. 'Het is een deur. Jij zei het. Deuren gaan twee kanten op.'

Ze dronken. Ze zwegen. Ze gingen naar boven. Op de overloop bleef ze staan bij tree zeventien en kraakte hem expres, zodat het huis zou onthouden dat ze er nog was.

* * *

Om middernacht, de nacht voor de actie, legde ze haar hoofd op zijn borst en luisterde naar zijn hart. Het was te snel. Zij tikte met twee vingers een langzamer ritme op zijn sternum. Hij volgde. Adem in achten, zonder te tellen als gevangenis — tellen als muziek. 'Morgen,' zei ze, 'vang je me. Niet omdat ik val. Omdat ik spring.' 'Ik sta klaar,' zei hij. 'Zonder paard. Met twee voeten op de grond.'

Die nacht sliep ze licht. Om elk uur werd ze wakker en voelde zijn hand op haar heup, en hoorde zijn adem, en dacht aan Scheveningen als munt op haar tong, nog niet uitgegeven.

* * *

Om drie uur 's nachts vond ze hem in de kluiskamer. Hij stond voor Rachel, wakker, in zijn badjas. Ze ging naast hem staan. Ze zeiden niets. De thermometer wees 19,4. De luchtvochtigheid 52. Cijfers die loegen dat alles onder controle was. Zij leunde met haar hoofd tegen zijn schouder. Hij kuste haar haar.

'Ze kijkt niet naar ons,' zei Esmée.

'Nee,' zei hij. 'Zij kijkt naar het raam. Naar wat eruit kan. Dat is genoeg les voor één nacht.'

Ze gingen terug naar bed. Deze keer sliep ze. Hij niet. Hij keek naar het plafond tot de meeuwen begonnen.

Om zes uur stond ze op en zette koffie, want het was vandaag, en hij kwam achter haar staan zonder haar aan te raken tot zij achterover leunde, en toen hield hij haar vast alsof de dag al begonnen was met verlies.

'Partner,' zei ze.

'Partner,' zei hij. 'Kom terug.'

'Dat is het plan,' zei ze. 'Plannen breken. Mensen niet.'

* * *

De ochtend van de dag zelf begon met regen die meteen weer ophield, als een slechte dreiging. Esmée stond onder de douche tot het water koud werd. Sebastiaan zette ontbijt dat niemand at. Ze controleerden de peilzender met Dewi via een kort belletje; het stipje was groen, de batterij vol, het enkelbandje zat precies.

'Nog één keer het woord,' zei Dewi door de telefoon.

'Scheveningen,' zei Esmée.

'Nog één keer de kleuren.'

'Groen door, oranje langzamer, rood stop dit, Scheveningen alles stop.'

'Goed. Bas — jij rent niet voor ik het zeg.'

'Ik ren niet,' loog Sebastiaan, en Dewi snuifde, en Esmée kuste hem alsof ze de leugen wilde opeten en er iets eetbaars van maken.

Mevrouw Lindeman bracht ongevraagd aardbeien. 'Voor de zenuwen,' zei ze. 'Ik weet niks. Ik vermoed alles. Succes.' Ze knipoogde naar het kraagje en vertrok met de tekkel.

Esmée at één aardbei. Zoet. Zuur. Zij schreef in het schrift: Ik ben geen pion. Ik ben de hand die de pion verzet. Vandaag speel ik schaak met open vizier. Sebastiaan schreef eronder: Ik speel mee. Ik wacht op jouw woord.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst