Zwart op Wit

Hoofdstuk 5 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 5 van 40

5. Briefjes

Een week lang zagen ze elkaar niet.

Hij vertrok voor zessen en kwam na enen thuis, en als ze 's nachts de vierde tree hoorde kraken, wist ze dat hij weer halverwege bleef staan, en weer omkeerde naar de studeerkamer. Het eten dat ze klaarzette was 's ochtends op. Het bord stond afgewassen op het rek. Het bestek lag ernaast, mes en vork evenwijdig.

Maar er waren de kaartjes.

Ze begonnen praktisch, zoals altijd. De glazenwasser komt dinsdag. Hij heeft een sleutel. Laat hem niet in de studeerkamer. En ze antwoordde praktisch: Dinsdag. Begrepen. Niet in de studeerkamer. Op woensdag schreef hij: De bonen gisteren waren te gaar. Ze schreef terug: U was twee uur te laat. De bonen hebben gewacht. Zoals ik.

Ze keek daarna lang naar dat laatste woord en overwoog het door te strepen. Ze deed het niet.

Donderdagochtend stond er onder haar woorden: Dat was niet mijn bedoeling. En daaronder, in een iets andere inkt, alsof hij later was teruggekomen: Van de bonen.

Ze lachte hardop in de keuken.

Vrijdag schreef ze: Er is een man aan de deur geweest die vroeg naar Hanneke. Ik heb gezegd dat ze hier niet meer werkt. Wie is Hanneke?

Zaterdag stond er niets onder. Het kaartje lag er nog precies zo, haar vraag onbeantwoord, en ernaast een nieuw kaartje, met alleen: Ik ben zaterdag thuis. Ik werk boven.

* * *

Hanneke, zo bleek, was haar voorgangster. Ze hoorde het van mevrouw Lindeman, de buurvrouw van nummer zeventien, een weduwe met een tekkel en een fascinatie voor iedereen die het pand binnenging of verliet.

'Zes jaar,' zei mevrouw Lindeman, op de stoep, terwijl de tekkel aan Esmées kousen snuffelde. 'Lief mens. Uit Zeeland. Ze droeg dat pakje ook, maar bij haar was het anders, als u begrijpt wat ik bedoel. Zij was vijftig.'

'Waarom is ze weggegaan?'

'O, dat weet niemand.' Mevrouw Lindeman boog zich naar voren, en haar stem zakte tot het volume waarop belangrijke dingen worden gezegd. 'Op een dag in februari stond ze hier met twee koffers. Een taxi. Ze huilde. Ik vroeg wat er was en ze zei: Ik heb iets doms gedaan, mevrouw Lindeman, en hij weet het. En toen was ze weg.'

'Hij?'

'Meneer Roelofsz natuurlijk.' Mevrouw Lindeman keek naar het huis, naar de ramen van de studeerkamer op de eerste verdieping. 'Ze had een envelop bij zich. Zo'n dikke bruine. Ze hield hem vast alsof hij zou wegvliegen.'

De tekkel trok aan de riem. Mevrouw Lindeman liet zich meetrekken, met een laatste blik over haar schouder.

'U lijkt me een verstandig meisje,' zei ze. 'Laat u niet gek maken door die mannen. Ze zijn allemaal hetzelfde, met hun pakken en hun schilderijen.'

Allemaal, dacht Esmée. Niet hij. Die mannen.

Ze ging naar binnen en haalde het oude briefje uit haar schortzak. …niets aan. Wat ze je ook bieden. Ze hield het tegen het licht van het raam in de hal. Onder de uitgelopen inkt waren nog een paar letters te zien, aan het begin van de regel, waar het papier het natst was geweest. Een grote F, of een E. Of een hoofdletter die ze niet kon lezen.

Ze vouwde het weer op. Naast haar lag in de schortzak Floris' kaartje, wit met reliëf. Ze voelde de randen ervan tegen haar vingers, scherp als een nagel.

* * *

Zaterdag deed ze de trap.

Ze had het uitgesteld omdat het de zwaarste klus in het huis was. Drieënvijftig treden eikenhout, van de hal tot de derde verdieping, elke tree met de hand in de was gezet en uitgewreven, en de leuning van boven tot onder met een zachte doek. Ze begon onderaan. Dat was een fout, dat wist ze, want je begon boven en werkte naar beneden zodat je nergens op hoefde te stappen. Maar onderaan kon ze de studeerkamer niet horen, en ze wilde hem horen.

Om half twaalf was ze bij de eerste verdieping. Ze had haar schoenen uitgedaan; ze stonden onderaan de trap, naast elkaar. Ze werkte op haar kousen, en de was rook naar honing en terpentijn, en haar armen deden pijn op een manier die ze lekker vond, de eerlijke pijn van iets afmaken.

Ze werkte gebukt. Ze kon niet anders. Haar knie liet niet toe dat ze lang op de treden knielde, dus ze stond op de tree eronder en boog zich voorover, benen gestrekt, heupen naar achteren, de doek in cirkels over het hout. Haar schort hing naar voren. Haar jurk kroop omhoog. Ze voelde de jarretelles trekken bij elke beweging, het kant van de kousen strak om haar dijen, en ze wist precies hoe ze eruitzag vanaf de overloop, omdat ze zichzelf zag in de glazen deur van de bibliotheek.

Om tien voor twaalf ging de deur van de studeerkamer open.

Ze hoorde zijn voetstappen op de overloop. Ze hoorde dat ze stilhielden boven aan de trap. Ze bleef doorwerken. Cirkels. Een-en-twee-en-drie-en. Ze bewoog niet sneller en niet langzamer. Ze liet hem kijken.

'Ik moet naar beneden,' zei hij.

'Dan moet u wachten.'

'Hoe lang?'

'Tot hij droog is.'

'Hoe lang duurt dat?'

Ze kwam overeind en keek over haar schouder omhoog. Hij stond op de overloop, in een grijze trui en een donkere broek, een map onder zijn arm. Hij keek niet naar haar gezicht. Hij keek naar haar benen, en daarna, met moeite, naar haar ogen.

'Een kwartier,' zei ze. 'Misschien twintig minuten.'

'Ik heb een afspraak om half een.'

'Dan heeft u pech, meneer. U kunt springen.'

Het was een grap. Ze bedoelde het als een grap. Maar ze zag het in zijn gezicht, een kleine schok, het woord springen dat iets raakte, en ze dacht aan het witte paard met de gevouwen voorbenen boven de balk.

'Sorry,' zei ze. 'Dat—'

'Nee.' Hij zette een stap naar beneden, naast haar natte tree, op het smalle randje dat ze nog niet had gedaan. Hij was nu één tree boven haar. Ze was gewend aan het verschil in lengte, maar zo was het anders: ze moest haar hoofd ver achterover buigen om hem aan te kijken. 'Het was grappig.'

'U lacht niet.'

'Ik lach zelden. Dat betekent niet dat iets niet grappig is.'

Hij stapte nog een tree lager, voorzichtig, op het randje. Nu stonden ze op dezelfde tree. De trap was niet breed. Zijn schouder was een paar centimeter van de hare. Ze rook hem: wol, koffie, en die droge, houtachtige geur die ze nu wist te plaatsen. Oude vernis. Het schilderij in de kluiskamer.

Hij keek naar beneden, naar de natte treden die nog voor hem lagen, glanzend van de was.

'U heeft dit zo gepland,' zei hij.

'Ik heb de trap gepland.'

'U begon onderaan.'

'Ja.'

'Dat is fout.'

'Ja.'

'U wist dat ik om twaalf uur naar beneden zou komen.'

Ze antwoordde niet. Ze keek hem aan, van dichtbij. Zijn ogen waren niet zwart, zag ze nu. Donkerbruin, met een rand van iets lichters om de pupil. Er zaten groeven naast. En op zijn onderlip zat een klein litteken, zo dun dat je het alleen zag als je heel dichtbij stond.

Hij stond heel stil. Ze zag zijn hand, die de leuning vasthield, nog niet afgewreven, nog stoffig. Ze zag zijn borst, die op en neer ging. En lager, ondanks de trui, ondanks dat hij de map nu voor zich hield in plaats van onder zijn arm, zag ze het. Hij had het niet kunnen voorkomen. Ze wist het, en hij wist dat zij het wist, en geen van beiden zei iets.

'Ik ga via de keukentrap,' zei hij ten slotte.

'Er is geen keukentrap.'

'De brandtrap. Achter de bibliotheek.'

'Daar is in vier jaar niemand geweest. Het zit vol spinnen.'

'Dan zit het vol spinnen.'

Hij draaide zich om en ging terug naar boven. Hij liep niet snel. Hij liep als iemand die besloten heeft dat hij niet gaat rennen, ook al is dat precies wat hij wil. Ze hoorde de deur van de bibliotheek, en daarna, gedempt, een raam dat openging en ijzer dat kreunde.

Ze stond nog lang op de trap met de doek in haar hand. Haar hart klopte in haar keel, in haar polsen, laag in haar buik. Ze voelde zich warm en zwaar en licht tegelijk, alsof ze net een solo had gedanst en het applaus nog moest komen.

Ze had gewonnen. Ze wist het. Hij was weggegaan, weer, via een spinnenbrandtrap nog wel, liever dan langs haar te lopen.

Waarom voelde winnen dan zo ongeduldig?

* * *

Toen de trap droog was, tegen tweeën, ging ze naar de bibliotheek. Het raam achter de laatste boekenkast stond nog open. Erachter hing de brandtrap, zwart ijzer, schilferend, tegen de achtergevel geschroefd, een smalle zigzag naar de tuin. De spinnenwebben in de hoeken waren gescheurd, grijze slierten die in de wind wapperden. Op de leuning, in het stof en de roest, stond de afdruk van een hand. Groot, de vingers gespreid. Hij had zich stevig vastgehouden.

Ze legde haar eigen hand ernaast. Die van haar was kleiner, en smaller, en paste er bijna twee keer in.

Ze leunde uit het raam en keek naar beneden, naar de tuin, naar de moerbei, naar het grind waar hij was geland. Hij had de laatste drie treden overgeslagen, zag ze; er waren twee diepe putjes in het grind, waar zijn hakken waren neergekomen. Een sprong. Zonder paard.

Ze glimlachte en wilde het raam sluiten. Toen zag ze, over de lage muur van de achtertuinen heen, in het steegje dat naar de Javastraat liep, een man staan.

Hij stond niet te wachten, niet echt. Hij rookte. Een man van een jaar of veertig in een donkere windjack, met een honkbalpet. Maar hij keek naar het huis. Naar de achtergevel, naar de ramen, en toen naar haar raam, en toen hij zag dat ze hem zag, draaide hij zich om en liep het steegje uit, zonder haast.

Het was dezelfde jas. Ze wist het bijna zeker. De man die vrijdag aan de deur had gestaan en naar Hanneke had gevraagd.

Ze sloot het raam en draaide de klink twee keer om. Ze bleef staan met haar hand op het koude metaal, en het warme, zoemende gevoel van de trap was weg, vervangen door iets kouders, iets wat ze niet kon plaatsen.

Ze overwoog Sebastiaan te bellen. Ze had zijn nummer niet. Ze had alleen dat van Floris, op een wit kaartje met reliëf, en dat van Verhagen, die zou zeggen dat het niet zijn terrein was.

Ze schreef het die avond niet op het kaartje. Ze wist niet waarom. Misschien omdat het kaartje van hen was, van het spel, en een man in een steegje daar niet bij hoorde. Misschien omdat ze bang was dat hij zou zeggen dat het niets was. Of, erger, dat hij het al wist.

* * *

Die avond lag er een kaartje op de keukentafel. Ze zag het al vanuit de deur, wit tegen het donkere hout. Haar maag trok samen.

Waarom?

Meer stond er niet. Eén woord, met een vraagteken dat zo hard was gezet dat de punt door het karton heen drukte.

Ze ging zitten. Ze pakte de pen die ze altijd gebruikte, een goedkope balpen uit een kopje bij de telefoon. Ze schreef niets. Ze keek naar het woord.

Waarom?

Omdat ik me twee jaar onzichtbaar heb gevoeld, dacht ze. Omdat ik in een ziekenhuisbed heb gelegen met een knie die tweemaal zo dik was als de andere, en een arts heb horen zeggen dat ik "nog prima kon wandelen". Omdat een man ooit tegen mij zei dat ik te veel was, en omdat ik bij u voor het eerst merk dat te veel precies genoeg kan zijn. Omdat u kijkt alsof kijken pijn doet. Omdat u wegloopt, elke keer, en omdat ik wil weten wat er gebeurt als u ophoudt met weglopen.

Ze schreef:

Omdat u kijkt.

Ze keek ernaar. Het klopte niet helemaal. Het was te makkelijk, en het legde de schuld bij hem, en dat was niet eerlijk. Ze zette er een tweede regel onder.

En omdat u niets doet.

Ze liet het kaartje liggen en ging naar boven.

* * *

Om zes uur de volgende ochtend, zondag, hoorde ze de voordeur niet. Hij was thuis. Ze hoorde de koffiemachine, en daarna de douche op de tweede verdieping, en daarna stilte.

Ze ging om acht uur naar beneden, in haar eigen kleren, een spijkerbroek en een oud T-shirt van het Nationale Ballet, met haar haar los. Zondag had ze vrij. Ze droeg het uniform niet.

Hij zat aan de keukentafel. Hij droeg een wit T-shirt en een spijkerbroek, en zijn voeten waren bloot op de koude tegels. Hij had een kop koffie voor zich en het kaartje, en hij keek op toen ze binnenkwam, en ze zag dat hij even niet wist wat hij met zijn ogen moest doen, nu er geen zoom was en geen kousen en geen strik.

Ze vond het, merkte ze, nog spannender dan wanneer hij wel wist waar hij moest kijken.

'Goedemorgen,' zei ze.

'U heeft vrij.'

'Ik woon hier.'

'Juist.'

Hij schoof het kaartje naar haar toe over de tafel. Onder haar twee regels stond een derde, in vulpen, en de inkt was nog niet helemaal droog.

Als ik iets doe, mevrouw Brandt, dan houd ik niet meer op.

Ze las het. Ze las het nog een keer. Ze voelde het in haar ruggengraat zakken, van haar nek tot haar stuitje, als ijswater en als iets warms tegelijk.

Ze keek op. Hij keek naar haar, kalm, zonder te knipperen.

'Is dat een dreigement?' vroeg ze.

'Het is een taxatie.'

Ze pakte zijn koffiekop van de tafel, nam een slok, en zette hem terug. Precies op de kring die hij al had gemaakt.

'Uw koffie is te sterk,' zei ze.

'Dat zegt iedereen.'

'En u verandert het niet.'

'Nee.'

Ze ging naar boven, langs de studeerkamer, en ze hoorde hem niet volgen, en ze wist niet of ze opgelucht was. In haar kamer haalde ze de kaartjes uit de schortzak van het uniform dat over de stoel hing. Ze legde ze naast elkaar op het bed. Dank u. Stroef. Genoeg. Waarom? Als ik iets doe.

Ze legde Floris' visitekaartje ernaast, en het briefje van Hanneke.

Ze keek er lang naar, en voor het eerst sinds ze in dit huis woonde, voelde ze dat ze niet de enige was die aan het tellen was.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst