Zwart op Wit · hoofdstuk 30 van 40
30. Afstand
De eerste dagen in Rijswijk waren stil.
Margot werkte overdag. Fien had diensten. Esmée bleef achter met de kat, die inmiddels besloten had dat zij acceptabel was zolang er schoot was. Ze zat op het balkon met een boek dat ze niet las, en keek naar de achtertuinen van Rijswijk, waar mensen gras maaiden en was ophingen en leefden alsof er geen schilderijen waren die families hadden vernietigd.
Hij schreef.
Elke ochtend lag er een bericht. Ze opende ze niet. Fien legde de telefoon in de la en deed de la op slot, en gaf Esmée de sleutel, en Esmée droeg de sleutel om haar nek aan een lint, naast het zilveren enkelbandje van haar moeder dat ze weer om had gedaan.
Op de derde dag kwam er een envelop. Echt papier. Bezorgd door een koerier, aan Margots adres, dat hij blijkbaar via Dewi had gekregen. Of via Verhagen. Of via kijken, wat hij altijd deed.
Fien hield de envelop omhoog.
'Wil je hem?'
'Nee.'
'Wil je dat ik hem openmaak?'
'Nee.'
'Wil je dat ik hem weggooi?'
Esmée keek naar de envelop. Zijn handschrift op het adres. Klein. Strak. Haar naam, zonder mevrouw.
'Leg hem daar,' zei ze, en wees naar de schaal op Margots dressoir, waar ook sleutels lagen en een parkeerboete. 'Niet weg. Niet open. Daar.'
Op de vierde dag legde Fien een briefje bij de schaal. Als je ze ooit opent en je wilt dat ik meelees, zeg het. Als je wilt dat ik de kamer uit ga, zeg het. Ik ben goed in allebei.
Zeven dagen lang kwam er elke dag een envelop. Na een week lagen er zeven in de schaal, als een klein, strak pakketje. Ze raakte ze niet aan. Ze keek ernaar, 's avonds, als Fien sliep en de kat snorde, en ze vroeg zich af wat erin stond. Of het excuses waren. Of uitleg. Of de dingen die hij haar later zou vertellen. Of ik hou van je, bewaard tot ze terugkwam, en nu op papier omdat ze niet terugkwam.
Ze opende ze niet.
* * *
Fien nam haar mee naar het strand. Niet Scheveningen; verder, naar Wassenaar, waar minder mensen waren en de wind harder. Ze liepen met blote voeten over het natte zand. Esmée telde niet. Ze had beloofd niet te tellen. Fien praatte over de SEH, over een vrouw die haar eigen enkel had gezet met een YouTube-filmpje, over een assistent-arts die Fien leuk vond en het niet durfde te zeggen.
'Net hij,' zei Fien. 'Allemaal mannen die kijken en niet vragen.'
'Hij vroeg wel.'
'Ja. En toen logen jullie allebei. Dat is liefde, Esmée. Of oorlog. Bij jullie is dat hetzelfde.'
Esmée lachte, schor. Ze gingen op een duin zitten. De zee was grijs. Ver weg voer een schip naar Rotterdam.
'Ik mis hem,' zei ze. 'Niet het spel. Niet de zweep. Hem. Hoe hij soep eet. Hoe hij zijn vork neerlegt. Hoe hij goedemorgen zegt alsof het een taxatie is.'
'Dan mis je hem echt,' zei Fien. 'Als je de vork mist, is het serieus.'
* * *
Dewi belde op de vijfde dag.
'Ik wil je niet lastigvallen,' zei ze. 'Ik wil je iets vertellen. Over Fien. Ze is veilig. De agent is terug. Ruud Kooiman is gezien bij de Albert Heijn, die zondag, maar hij is weggelopen toen hij een camera zag. We hebben hem in beeld. Floris ook. Het tijdstip dat je gaf, gebruiken we. Bas heeft het doorgegeven. Hij werkt met ons. Elke dag.'
'Hoe is hij?' vroeg Esmée, voordat ze het kon tegenhouden.
Dewi was stil.
'Stil,' zei ze. 'Hij is stil. Hij komt naar kantoor. Hij praat met de commissie. Hij praat met mij. Hij praat niet over jou. Behalve één keer. Hij vroeg of je veilig was. Ik zei ja. Hij knikte, en ging verder over lakzegels.'
'Dank je.'
'Esmée.' Dewi's stem werd zachter. 'Ik ken Bas sinds de winter. Hij is geen makkelijke man. Hij is een man die alles meet. Maar toen hij over jou praatte, die eerste keer, zei hij niet de huishoudster. Hij zei Esmée. Alsof je al bestond voordat je er was. Dat betekent iets. Of niets. Dat mag jij weten.'
Ze hing op.
* * *
Ze droomde van hem. Niet van de bibliotheek. Niet van de eettafel. Van de keuken, die eerste nacht. De opscheplepel. Wie heeft u gestuurd? In de droom antwoordde ze: Jij. En hij knikte, en zei: Dat wist ik. En toen werd ze wakker, op Margots bank, met de kat op haar borst, en ze lag lang stil met het antwoord in haar mond.
* * *
Op de achtste dag ging Esmée naar Yerseke.
Ze wist niet waarom. Ze nam de trein, via Rotterdam, en stapte uit in een stadje dat naar zee rook en naar mosselen, en liep naar de kade waar de website van De Wit een foto had gehad. Hanneke stond bij een loods, in laarzen, met een emmer. Ze keek op en herkende haar pas na een tel, zonder uniform. Esmée had gebeld. Hanneke had gezegd: Kom maar.
Ze zaten op een steiger, met hun benen bungelend boven het water. Hanneke gaf haar koffie uit een thermoskan. Het was bitter en goed.
'Hij heeft je dus ook te pakken,' zei Hanneke.
'Floris. En hij. Allebei.'
'Dat is lastig.' Hanneke keek naar de horizon. 'Ik heb Bas gehaat. Een maand. Misschien twee. Omdat hij me had laten vallen. En toen begreep ik het. Hij had me niet laten vallen. Hij had me laten kiezen. Dat is erger, als je de verkeerde keuze maakt. Maar het is eerlijker.'
'Hij heeft me gebruikt.'
'Ja. Dat doet hij. Hij gebruikt alles. Schilderijen. Mensen. Zichzelf. Het ergste is dat hij het weet, en dat hij het toch doet, en dat hij er daarna wakker van ligt.' Hanneke nam een slok. 'Weet je wat hij deed, na mij? Hij stuurde elke maand geld. Naar Kees. Naar de kwekerij. Zonder naam. Ik wist dat het van hem was omdat het precies mijn salaris was, tot de zomer, plus iets. Plus genoeg om de bank stil te houden. Hij heeft ons gered. En hij heeft me nooit gebeld. Nooit gevraagd of ik het wist. Hij heeft alleen betaald, en gekeken, en verder niets.'
Esmée keek naar het water.
'Houdt hij van me?'
Hanneke lachte, kort.
'Meisje. Ik heb hem zes jaar 's nachts soep zien eten uit een pan. Ik heb hem zien slapen aan zijn bureau. Ik heb hem zien kijken naar dat schilderij alsof het hem aankloeg. En toen jij kwam, in dat pakje, met die ogen, is hij gaan eten van een bord. Dat is liefde. Of honger. Bij hem is dat hetzelfde.'
* * *
Ze ging terug naar Rijswijk met zout op haar huid en een beslissing die nog geen vorm had. Die avond, toen Fien thuiskwam, zei ze: 'Ik wil een van de enveloppen.'
Fien haalde de schaal. Zeven. Esmée pakte de eerste. De oudste. Ze woog hem in haar hand. Ze opende hem niet. Ze legde hem terug.
'Nog niet,' zei ze.
'Oké.'
'Maar bijna.'
'Oké.'
* * *
In de trein terug van Yerseke schreef ze een brief. Op een blocnote die ze bij de stationskiosk had gekocht. Ze schreef drie bladzijden. Over de soep. Over de vaatwasser. Over oranje. Over de belofte die ze had gebroken, en de val die hij had gezet, en over Rachel Mendes in een jurk met een geborduurd kraagje. Ze schreef: Ik weet niet of ik terugkom. Ik weet dat ik je mis. Dat is niet hetzelfde, en het is ook niet niets.
Op Rotterdam Centraal verscheurde ze de brief en gooide de snippers in een prullenbak. Ze was nog niet klaar. Bijna. Niet helemaal.
* * *
Op de tiende dag belde Verhagen.
'Mevrouw Brandt,' zei hij. 'Ik bel niet namens meneer Roelofsz. Ik bel namens de stichting. Uw salaris is overgemaakt. Uw kamer blijft van u. Artikel drie geldt. Ik wil dat u dat weet.'
'Dank u.'
'En mevrouw Brandt—' Verhagen schraapte zijn keel. 'Ik heb hem gezien. Gisteren. Hij vroeg me of artikel vijf nog gold. Of u zich nog tot mij kon wenden. Ik zei ja. Hij zei: Zeg haar dat. Als ze belt. Zeg haar dat ik het niet heb veranderd.' Een pauze. 'Hij ziet eruit alsof hij soep uit een pan eet. Weer.'
Esmée slikte.
'Dank u, meneer Verhagen.'
'Joost,' zei Verhagen. 'In deze omstandigheden mag u Joost zeggen.'
Hij hing op. Ze glimlachte, voor het eerst in dagen, naar de kat.
* * *
Ze ging die middag met Margot mee naar de studio. Niet om te dansen. Om te kijken. Margot deed haar oefeningen aan de barre, en Esmée zat op de grond met haar rug tegen de spiegel, en keek naar de andere vrouwen: de enkel, de heup, de twee kinderen, de vrouw die niet meer gewogen wilde worden. Ze deden pliés. Ze telden in achten. Ze lachten als iemand viel.
'Je mist het,' zei Margot, na afloop, zwetend, met een fles water.
'Het dansen?'
'Het erbij horen.' Margot ging naast haar op de grond zitten. 'Je hebt altijd ergens bij gehoord. Het gezelschap. Het ziekenhuis, op een rare manier. En toen hij. En nu zit je op mijn bank en hoor je bij een kat. Dat is niet genoeg voor jou.'
'Ik weet niet of ik bij hem hoor. Of bij zijn plan.'
'Dat zijn twee dingen,' zei Margot. 'Ik heb twintig jaar op het podium gestaan met mannen die me tilden omdat het in de choreografie stond. En één man die me tilde omdat hij bang was dat ik viel. Raad eens wie ik nog steeds mis.'
Esmée keek naar haar.
'De tweede,' zei ze.
'De tweede,' bevestigde Margot. 'Ook als hij me soms liet vallen. Omdat hij het probeerde.'
* * *
Die nacht, op de bank, met Fien slapend in de logeerkamer en Margot snurkend achter een deur, pakte ze de schaal. Zeven enveloppen. Ze legde ze op datum. Ze opende de eerste.
Zijn handschrift. Klein. Strak. Regels zo recht als een liniaal.
Esmée,
Je zei rood. Ik respecteer dat. Ik schrijf omdat zwijgen erger is dan schrijven, en omdat ik beloofd heb te blijven, ook als je weggaat. Stoppen ≠ weggaan. Dat staat in het schrift.
Ik heb je gebruikt. Aan het begin. Dat is de waarheid. De andere waarheid is dat ik vanaf de avond met de soep niet meer wist wie wie gebruikte. Je bukte, en ik viel. Dat was geen plan. Dat was het einde van elk plan dat ik had.
Ik ga hier niet om je vragen terug te komen. Ik vraag je alleen dit: lees de dagboeken van Odile niet alleen. Als je ze leest, lees ze met mij. Of lees ze niet. Maar lees ze niet alleen. Sommige dingen moet je samen dragen.
Ik eet weer uit de pan. Dat dacht je wel.
— S.
Ze las ook, onderaan, een PS die ze eerst had gemist, zo klein geschreven dat ze hem bijna oversloeg:
PS. De clipjes liggen in je nachtkastje. Ik heb ze niet aangeraakt. De trui hangt over de stoel in mijn kamer. Als je terugkomt, is hij daar. Als je niet terugkomt, blijft hij daar. Ik eet hem niet op. (Grap. Slechte grap. Ik weet het.)
Ze lachte, hardop, op Margots bank, om half twee 's nachts, en de kat keek haar aan alsof ze gek was, en ze lachte nog harder, met tranen, en drukte de brief tegen haar mond.
Ze las het drie keer. Ze vouwde het terug. Ze legde het in de envelop. Ze opende de tweede niet. Ze legde de schaal terug op het dressoir. Ze ging op de bank liggen met zijn brief onder haar kussen, en de kat op haar voeten, en ze huilde, stil, niet van woede, niet van verdriet, maar van iets wat op herkenning leek. Hij at weer uit de pan. Hij schreef in rechte regels. Hij vroeg haar de dagboeken niet alleen te lezen.
Hij was nog steeds hij.
En zij, op een bank in Rijswijk, in een T-shirt dat niet van hem was, was nog steeds de vrouw die een rijzweep uit een la had gehaald en op een bureau had gelegd en had gezegd: ik wil praten.
Bijna, dacht ze. Bijna.
* * *
De volgende ochtend belde Dewi opnieuw.
'Half augustus is over een paar weken,' zei ze. 'We hebben een plan. Bas wil dat je het weet. Niet omdat je moet helpen. Omdat je het recht hebt te weten wat er gebeurt met het tijdstip dat je hebt gegeven. Mag ik langskomen?'
Esmée keek naar de schaal met de enveloppen. Naar de kat. Naar Fien, die in de deuropening stond met twee koppen koffie en een gezicht dat vroeg: nou?
'Ja,' zei Esmée. 'Kom. En Dewi—'
'Ja?'
'Zeg tegen hem dat ik de eerste brief heb gelezen. Meer niet. Alleen dat.'
'Dat zeg ik,' zei Dewi. 'En Esmée? Hij glimlacht niet. Maar hij zal het doen. Vanbinnen. Ik ken die man inmiddels. Hij glimlacht vanbinnen alsof hij een veiling wint.'
Ze hing op.
Esmée nam de koffie van Fien aan. Ze ging op het balkon zitten. De zon kwam op over Rijswijk. Ergens in Den Haag, aan de Prinsessegracht, zat een man aan een keukentafel met een pan soep en een vulpen, en schreef waarschijnlijk de achtste brief, in regels zo recht als een liniaal, en wachtte.
Ze wist nog niet of ze terugging.
Maar ze wist, voor het eerst sinds de zeventiende tree, dat ze wilde weten wat er in de andere zes enveloppen stond.
En dat was een begin.
* * *
Die middag, voordat Dewi kwam, ging ze naar de schaal. Ze pakte de tweede envelop. Ze woog hem. Ze legde hem terug. Ze pakte de zevende, de nieuwste. Ze opende hem niet. Ze hield hem tegen het licht. Ze zag de schaduw van zijn handschrift, dicht beschreven, meer dan één bladzijde.
Ze legde hem terug.
'Bijna,' zei ze tegen de kat. 'Nog niet. Maar bijna.'
De kat knipperde. In katentaal betekende dat ja. Of waar is mijn eten. Bij katten was dat hetzelfde.