Zwart op Wit · hoofdstuk 7 van 40
7. Lieverd
Floris belde op vrijdag, om elf uur 's ochtends, op haar eigen telefoon.
Ze stond in de tuin onder de moerbei, de was op te hangen, en ze kende het nummer niet. Ze nam toch op, omdat ze sinds het ziekenhuis elk onbekend nummer opnam; je wist nooit of het de bank was, of de verzekering, of iemand die je iets ging geven in plaats van afpakken.
'Mevrouw Brandt! Floris Kalff hier. Stoor ik?'
Ze hield een witte schort tussen twee vingers, nat, en een wasknijper in haar mond. Ze haalde de wasknijper eruit.
'Hoe komt u aan dit nummer?'
'Het uitzendbureau. Ik ben mede-eigenaar van de werkgever, lieverd, ik heb alle nummers.' Hij lachte, warm en makkelijk, alsof dat een grap was die ze samen deelden. 'Ik wilde u iets vragen. Heeft u vanmiddag een uurtje? Ik zit op het Plein. Het is mooi weer. Ik trakteer op koffie en u vertelt me hoe het gaat.'
'Hoe het gaat met wat?'
'Met alles. Met het huis. Met Bas.' Een pauze. 'Ik maak me zorgen om hem, eerlijk gezegd. Ik denk dat u dat kunt begrijpen.'
Ze keek naar het huis. Naar de ramen van de studeerkamer. Hij was er niet; hij was om zes uur vertrokken, in zijn donkerste pak, met een leren map onder zijn arm.
…niets aan. Wat ze je ook bieden.
'Om drie uur,' zei ze.
* * *
Het Plein lag in de zon. Op de terrassen zaten ambtenaren in overhemden met opgerolde mouwen, en toeristen die foto's maakten van het standbeeld van Willem de Zwijger, en een man met een accordeon die steeds hetzelfde liedje speelde. Floris zat aan een tafeltje bij Dudok, onder een parasol, met een zonnebril op zijn hoofd en een glas witte wijn voor zich, hoewel het pas drie uur was.
Hij stond op toen hij haar zag. Hij keek haar aan, van boven naar beneden, en ze zag een kleine teleurstelling over zijn gezicht trekken voordat hij die kon verbergen. Ze droeg een spijkerbroek en een wit linnen overhemd, en haar haar los.
'Geen uniform,' zei hij.
'Ik ben niet in dienst.'
'Jammer.' Hij trok een stoel voor haar naar achteren. 'Grapje. Ga zitten. Wat wilt u drinken?'
Ze bestelde een cappuccino. Hij bestelde nog een glas wijn en een appeltaart, met twee vorkjes.
Hij was charmant. Dat moest ze hem nageven. Hij praatte over zijn boot, die in Scheveningen lag, over een zeiltocht naar Engeland die hij vorig jaar had gemaakt, over Sebastiaan toen die twintig was, in Leiden studeerde en nog paardreed. 'Hij was onverslaanbaar, lieverd. Hij sprong als een god. Ik zat op de tribune met een fles champagne en ik heb hem nooit zien vallen. Tot die ene keer.'
'In Rotterdam.'
Floris keek op. 'U heeft uw huiswerk gedaan.'
'Het staat op internet.'
'Alles staat op internet.' Hij prikte in de appeltaart en schoof het bordje naar haar toe. 'Hij is nooit meer gaan rijden. Hij heeft het paard laten afmaken en zijn laarzen in de kast gezet en is achter een bureau gaan zitten, en daar zit hij al zeventien jaar. Hij laat niemand meer dichtbij. Maud niet. Mij niet. Niemand.'
'Waarom vertelt u mij dit?'
'Omdat ik denk dat u dichterbij komt dan de meesten.'
Ze nam een slok cappuccino. Ze keek naar het schuim. Ze telde in achten, in haar hoofd, en kwam tot vier.
'Ik maak zijn huis schoon,' zei ze.
'U maakt zijn huis schoon in een uniform waar hij niet naar kan kijken zonder te blozen.' Floris glimlachte breed. 'Ik zag het, lieverd. Vorige week. Ik ken Bas twintig jaar en ik heb hem nog nooit een servet zien laten vallen.'
Haar wangen werden warm. Ze haatte het. Ze haatte dat hij het had gezien, en nog meer dat hij het had benoemd, alsof het van hem was, alsof hij er een etiket op kon plakken en het in een catalogus kon zetten.
'Wat wilt u, meneer Kalff?'
'Floris.'
'Wat wilt u?'
Hij leunde achterover. De glimlach bleef, maar zijn ogen werden anders, scherper.
'Bas heeft een schilderij in huis,' zei hij. 'Dat weet u. Het staat in de kluis in het souterrain. Het is van ons allebei, van het veilinghuis, maar hij behandelt het alsof het van hem is. Hij weigert het te verkopen. Hij doet onderzoek, zegt hij, maar hij laat mij de resultaten niet zien. Hij praat met mensen over wie ik niets weet. Hij heeft een advocaat ingeschakeld zonder het mij te zeggen.' Floris draaide zijn wijnglas rond aan de steel. 'Dat is mijn bedrijf ook. Mijn naam ook. Als hij iets doms gaat doen, dan wil ik het weten voordat het gebeurt, niet erna.'
'Iets doms?'
'Iets wat ons allebei kapot maakt.'
'Zoals?'
'Dat is precies wat ik niet weet.' Hij boog naar voren. 'U bent er elke dag. U ziet wat er op zijn bureau ligt. U hoort wie hij belt. U weet wanneer hij naar beneden gaat, naar de kluis, en hoe lang hij er blijft.'
'U wilt dat ik hem bespioneer.'
'Ik wil dat u een vriend helpt die zichzelf niet kan helpen.' Hij zei het zacht, bijna teder. 'Ik vraag niet veel. Een berichtje af en toe. Als er iemand komt die u niet kent. Als hij papieren meeneemt naar de kluis. Als hij iets zegt over Genève, of over een commissie, of over een familie Mendes.'
De naam viel als een steentje in water. Ze had hem nooit eerder gehoord. Ze sloeg hem op.
'En wat krijg ik daarvoor?'
Ze schrok van haar eigen vraag. Ze had hem niet willen stellen. Hij was eruit gekomen voordat ze hem kon tegenhouden, de vraag van een vrouw met elfduizend euro schuld en een zus in Laak.
Floris glimlachte. Het was een andere glimlach, tevreden, de glimlach van een veilingmeester die ziet dat het bod komt.
'Achtduizend,' zei hij. 'Nu. Contant of overgemaakt, wat u wilt. Als vergoeding voor uw tijd. En daarna, als alles goed afloopt, nog een keer hetzelfde.'
Ze zei niets. Het accordeon speelde hetzelfde liedje voor de vierde keer.
Achtduizend. Dat was de revalidatie. Dat was de fysiotherapeut, die ze nog steeds niet had betaald, en de orthopeed, en het restant van het ziekenhuis dat de verzekering niet had gedekt. Met nog wat er nu op haar rekening stond, was dat bijna alles. Dat was slapen zonder te rekenen.
'Ik moet erover nadenken,' zei ze.
'Natuurlijk.' Hij pakte de rekening, legde er een briefje van vijftig op, stond op. 'Neem de tijd. Een week. U heeft mijn nummer.' Hij boog zich over haar heen en kuste de lucht naast haar wang, en ze rook weer zeewater en zon en dat dure, kruidige parfum. 'En lieverd? Dit blijft tussen ons. Bas zou het niet begrijpen. Hij denkt dat iedereen hem wil bestelen. Laten we hem niet het idee geven dat hij gelijk heeft.'
Ze bleef nog een halfuur zitten, tot haar cappuccino koud was en de accordeonist was opgehouden.
* * *
Fien kwam die avond eten. Het was haar vrije avond en ze had erop gestaan: 'Ik moet dat huis zien. Ik moet hem zien. Ik moet het pakje zien.'
Sebastiaan was er niet, en Esmée had geen uniform aan. Fien was daar duidelijk teleurgesteld over.
'Je bent een saaie zus,' zei ze, terwijl ze in de hal stond en met open mond naar de wenteltrap keek. 'Wauw. Oké. Wauw. Dit is een filmhuis. Hier wordt iemand vermoord in de derde akte.'
'Niemand wordt vermoord.'
'Wat is dát?' Ze wees naar de rijzweep.
'Van zijn grootmoeder.'
'Natuurlijk.' Fien liep ernaartoe en bekeek hem van dichtbij, zonder hem aan te raken. 'Esmée. Er hangt een zweep in de hal.'
'Een rijzweep.'
'Dat is een zweep met een hobby.'
Esmée lachte, en het voelde goed, na de middag op het Plein. Ze aten in de keuken, pasta met tomaat en basilicum, en Fien vertelde over haar stage op de SEH, over een man die met een kaasschaaf in zijn duim was binnengekomen en een vrouw die had geprobeerd haar eigen hoofdwond te hechten met naald en draad van haar oma.
Pas bij de koffie zei Esmée het.
'Ik heb een aanbod gekregen.'
Fien keek op. 'Een nieuwe baan?'
'Nee. Bij deze baan. Van zijn compagnon.' Ze vertelde het, kort, zonder het geld te noemen. Dat het ging om het schilderij. Dat Floris wilde weten wat Sebastiaan deed.
Fien was lang stil.
'En wat zou je ervoor krijgen?'
Esmée zei het bedrag. Fien zette haar kopje neer.
'Esmée.'
'Ik weet het.'
'Dat is bijna je hele schuld.'
'Ik weet het.'
'Dat is ook heel erg duidelijk iets wat je niet moet doen.'
'Ik weet het.' Ze wreef met haar duim over het tafelblad, over een kras die ze er niet uit kreeg. 'Het is niet illegaal. Ik vertel hem dingen die hij als compagnon ook zou kunnen vragen. Het is zijn bedrijf ook.'
'Waarom vraagt hij het dan niet zelf?'
Esmée had geen antwoord.
'Je vindt hem leuk,' zei Fien. 'Niet die Floris. Hem. Sebastiaan.'
'Ik ken hem nauwelijks.'
'Je kende Lev ook nauwelijks, en je hebt drie jaar gedaan alsof je longen van hem waren.'
'Dat is gemeen.'
'Dat is waar.' Fien pakte haar hand over de tafel. 'Luister. Ik heb dat geld niet nodig. Ik red me wel. Mijn stage wordt in september betaald. Als je dit voor mij doet—'
'Ik doe het niet voor jou.'
'—dan wil ik het niet. En als je het voor jezelf doet, dan moet je weten waarom.'
Esmée keek naar hun handen. Ze dacht aan Hanneke, met twee koffers en een bruine envelop, huilend op de stoep. Ik heb iets doms gedaan, en hij weet het.
'Ik heb nog niks gezegd,' zei ze. 'Ik heb gezegd dat ik erover nadenk.'
'Denk dan goed na,' zei Fien.
Voordat ze ging, wilde Fien toch het uniform zien. Esmée nam haar mee naar de derde verdieping en opende de kast. Drie sets hingen naast elkaar, zwart en wit, de schorten gestreken, de kousen opgerold in een la eronder.
Fien keek er lang naar, zonder te lachen.
'Het is mooi,' zei ze verbaasd. 'Ik dacht dat het goedkoop zou zijn. Het is niet goedkoop. Het is... oud.'
'Het patroon is van 1952.'
Fien raakte het kraagje aan, voorzichtig, met één vinger. 'Het lijkt op iets uit een museum,' zei ze. 'Zo'n schilderij met een meisje bij een raam.'
Esmée deed de kast dicht. Ze wist niet waarom haar handen opeens koud waren.
* * *
Hij kwam om tien over twaalf thuis.
Fien was al lang weg. Esmée zat in de keuken met een kop kamillethee die ze niet dronk en een boek dat ze niet las, in haar eigen kleren nog, het linnen overhemd, haar haar in een knot. Ze hoorde de voordeur, de sleutels in de schaal, en verwachtte de trap, de vierde tree, de studeerkamer.
In plaats daarvan kwamen de voetstappen naar beneden, naar het souterrain.
Hij bleef in de deuropening van de keuken staan. Hij zag er moe uit, moe op een manier die verder ging dan slaap. Zijn das was los, zijn colbert hing over zijn arm, er zat een vlek op zijn manchet, inkt of wijn.
'U bent nog op,' zei hij.
'Ik kon niet slapen.'
'U had bezoek.' Het was geen vraag. 'Er staan twee kopjes op het rek.'
'Mijn zus.'
Hij knikte. Hij kwam binnen, legde zijn colbert over een stoel, pakte een glas uit de kast en vulde het aan de kraan. Hij dronk het staand leeg, met zijn rug naar haar toe, en vulde het opnieuw.
Toen zei hij, zonder zich om te draaien:
'Was hij aardig?'
Ze verstijfde.
Haar handen lagen om de theekop, en ze voelde de warmte erin wegtrekken. Haar hart sloeg een keer over, en daarna snel, te snel, in achten zonder tellen.
'Wie?' vroeg ze.
Hij draaide zich om, het glas in zijn hand, en keek haar aan. Kalm. Moe. Er was geen boosheid in zijn gezicht, en geen verwijt. Alleen die taxerende aandacht, die op haar rustte als een hand op een schouder.
'Floris,' zei hij. 'Op het Plein. Vanmiddag.'
'Hoe weet u—'
'Iedereen in deze stad kent Floris. Hij zit elke vrijdag bij Dudok. Een collega zag u samen zitten.' Hij nam een slok water. 'Het is niet verboden, mevrouw Brandt. U mag drinken met wie u wilt. Ik vroeg alleen of hij aardig was.'
Ze kon liegen. Het zou makkelijk zijn. Hij wilde weten hoe het ging met het huis. Dat was niet eens gelogen.
'Hij was charmant,' zei ze.
'Dat is hij altijd.'
'Hij maakt zich zorgen om u.'
Er bewoog iets in zijn gezicht. Geen glimlach. Iets droevigers.
'Dat zal wel,' zei hij.
Hij zette het glas in de gootsteen. Hij pakte zijn colbert. In de deuropening bleef hij staan, zoals hij dat altijd deed, met zijn rug naar haar toe, alsof het makkelijker was om dingen te zeggen tegen een deurpost.
'Mevrouw Brandt. Mag ik u iets vragen? U hoeft niet te antwoorden.'
'Ja.'
'Wat u voor mij doet, met de vaatwasser, de trap, het trapje—' hij zweeg even. 'Doet u dat omdat u het wilt? Of omdat iemand u vraagt het te doen?'
Ze staarde naar zijn rug, naar de schouders onder het witte overhemd, naar de vlek op zijn manchet.
Het was zo'n vreemde vraag dat ze hem eerst niet begreep. En toen begreep ze hem wel, en het voelde alsof iemand haar in haar buik had geslagen.
'Denkt u dat iemand mij heeft gestuurd om—' Ze kon het niet afmaken.
'Ik denk niets. Ik vraag het.'
'Omdat ik het wil,' zei ze. Haar stem trilde, van woede of van iets anders. 'Niemand vraagt mij dat. Niemand zou dat durven. Dat is van mij.'
Hij bleef lang staan. Toen draaide hij zich om en keek haar aan, en in zijn ogen zag ze iets wat ze niet eerder had gezien: opluchting, zo rauw dat het bijna pijn deed om ernaar te kijken.
'Goed,' zei hij zacht. 'Dan is dat van u.'
Hij ging naar boven. Ze hoorde de vierde tree kraken, en de zeventiende, en de deur van de studeerkamer.
Ze bleef nog een uur in de keuken zitten. Ze haalde haar telefoon uit haar zak en keek naar het nummer van Floris, dat ze die middag had opgeslagen. Ze typte niets. Ze wiste het niet.
Dan is dat van u, had hij gezegd.
Het spel was van haar. Dat wist hij nu, en dat had hem opgelucht.
Maar over het andere had hij niets gevraagd.