Zwart op Wit · hoofdstuk 8 van 40
8. Nachtwerk
Ze sliep die week slecht, en ze was niet de enige.
Elke nacht hoorde ze hem. Niet de douche meer, niet de vierde tree die kraakte en weer stilviel. Ze hoorde de deur van de kluiskamer, twee verdiepingen onder haar, met dat zuchtende geluid van de luchtsluis. Om twee uur. Om drie uur. Eén keer om kwart over vier, toen het buiten al grijs begon te worden boven de gracht en de eerste meeuwen krijsten op de daken van het advocatenkantoor.
Hij at niet. Het eten dat ze klaarzette, stond 's ochtends nog in de koelkast, onder folie. De kaartjes kwamen niet meer. Op maandag lag er één, met alleen: Excuses. Druk. Op woensdag geen.
Floris belde op dinsdag. Ze liet het gaan. Hij stuurde een bericht: Denk er rustig over na, lieverd. Geen haast. F. Ze las het en legde de telefoon weg. Daarna pakte ze hem weer op en las het nog een keer.
Ze had nog vijf dagen. Dat had hij niet gezegd, maar ze wist het: een week. Hij was een man die deadlines stelde zonder ze te noemen, zodat je ze zelf ging voelen.
Ze maakte het huis schoon. Ze waste de schorten met de hand en streek ze, en ze naaide met een klein zilveren naaldje het oogje van de jarretelle vast die in de bibliotheek was losgeschoten, steviger dan het was geweest. Nieuwe clipjes waren er niet gekomen. Ze vroeg er niet naar.
Ze dacht aan zijn vraag in de keuken. Doet u dat omdat u het wilt? Of omdat iemand u vraagt het te doen?
Hij had het niet uit jaloezie gevraagd, dat begreep ze nu. Ook niet uit achterdocht, niet precies. Hij had het gevraagd zoals hij vroeg naar de herkomst van een schilderij. Waar komt dit vandaan. Wie heeft het eerder in handen gehad. Is het wat het lijkt.
En ze had gezegd: Het is van mij. En dat was waar geweest.
Maar ze had het andere niet gezegd. Dat Floris haar geld had geboden. Dat ze had gezegd dat ze erover zou nadenken. Dat ze, nu, op donderdagavond om half twaalf, met haar telefoon in haar hand in de keuken stond en nog steeds nadacht.
* * *
Om kwart voor twee ging ze naar boven.
Hij was niet in de kluiskamer; de deur beneden was dicht, het lampje van het cijferslot rood. Hij was niet in zijn slaapkamer; de deur op de tweede verdieping stond open, het bed was onaangeroerd, de sprei strak. Onder de deur van de studeerkamer scheen licht.
Ze klopte. Er kwam geen antwoord.
Ze klopte nog een keer, zachter, en opende de deur.
Hij sliep.
Hij zat aan het bureau, of eigenlijk lag hij erop, zijn hoofd op zijn onderarm, zijn andere hand nog om de loep. Zijn bril, die ze hem nog nooit had zien dragen, lag scheef naast zijn gezicht. De daglichtlamp scheen fel op de papieren onder zijn wang, op foto's en uitdraaien en een notitieblok vol met zijn kleine, strakke letters. Zijn adem was diep en langzaam. Zijn haar was in de war, aan één kant platgedrukt.
Ze had hem nog nooit zo gezien. Zonder pak, zonder hoek, zonder die strakke kaak. Hij zag er jonger uit, en ouder tegelijk, zoals mensen eruitzien in ziekenhuisbedden: alleen nog een lichaam dat moe is.
Ze bleef in de deuropening staan. Ze had moeten weggaan. Ze ging niet weg.
Ze liep naar het bureau, op haar sokken, zonder geluid, en keek naar wat onder zijn arm lag.
Het was een foto van het schilderij, maar niet de kleine uit de map. Een grote, op glanzend fotopapier, zo groot als het bureau zelf, zo scherp dat ze de haarscheurtjes in de verf kon zien. De Dienstbode. De vrouw bij het raam, het schuine licht, de zwart-witte tegels.
Ze boog zich voorover, voorzichtig, om niet tegen hem aan te komen.
De jurk. Op de kleine foto had ze gedacht: het lijkt op. Nu, zo groot, zag ze het. Het was niet lijkt op. De jurk van de vrouw was zwart, met lange mouwen, tot net boven de knie, korter dan je zou verwachten voor de zeventiende eeuw. De schort was wit, met een brede strik in de rug, de twee lussen precies symmetrisch. Het kraagje was klein en rond, een maansikkel. En onder de zoom, waar de vrouw haar gewicht op één been had gezet, net zichtbaar in het schuine licht, een donkere kous met een smalle, lichtere rand, alsof er iets omheen gebonden zat.
Het was haar uniform. Het was precies haar uniform, op één ding na: het kraagje van de vrouw op het schilderij had een klein borduursel, een donker motiefje in de punt, dat op haar eigen kraagje ontbrak.
Ze ging rechtop staan. Haar hart klopte in haar keel.
Bijlage C. Een zwart-witfoto uit 1952 van een jonge vrouw voor een deur. Mevrouw Odile Roelofsz, die nooit een schilderij in dit huis had opgehangen, die er niet naar kon kijken. Die elke avond had geschreven in zwarte schriften die beneden in de kluis lagen.
Ze keek naar Sebastiaan. Hij sliep. Zijn wimpers lagen op zijn wangen als die van een kind.
Wist hij het? Hij moest het weten. Hij keek al weken naar dit schilderij, door een loep, centimeter voor centimeter. Hij keek elke dag naar haar.
Dat uniform is een vergissing van mijn grootmoeder.
Ze stak haar hand uit en nam voorzichtig de loep uit zijn vingers. Hij bewoog niet. Ze legde de loep in de houder. Toen pakte ze de deken die over de leunstoel bij het raam hing, een oude wollen plaid in groen en grijs, en legde die over zijn schouders.
Hij werd wakker.
Niet geschrokken. Zijn ogen gingen gewoon open, en hij keek naar de foto onder zijn wang, en toen, langzaam, naar haar. Hij knipperde. Hij kwam overeind, en de plaid gleed van zijn schouder, en hij ving hem op voordat hij viel.
'Hoe laat is het?' Zijn stem was rauw van de slaap.
'Twee uur.'
'U zou moeten slapen.'
'U ook.'
Hij keek naar de plaid in zijn handen. Toen naar haar. Toen naar de foto. Hij zag waar ze naar had gekeken. Ze zag dat hij het zag.
Hij zei niets. Hij vouwde de plaid op, keurig, in vieren, en legde hem op de rand van het bureau. Toen zette hij zijn bril af en wreef met duim en wijsvinger over zijn ogen.
'Ik heb honger,' zei hij.
* * *
Ze maakte eieren voor hem. Roerei met boter en bieslook uit de tuin, en geroosterd brood, en thee, omdat koffie om twee uur 's nachts een slecht idee was, en hij protesteerde niet. Hij zat aan de keukentafel in zijn overhemd met de mouwen opgerold en at alles op, langzaam, en zij zat tegenover hem met haar eigen thee en keek naar zijn handen.
'U werkt te hard,' zei ze.
'Dat zegt iedereen.'
'En u verandert het niet.'
'Nee.' Hij legde zijn vork neer. Evenwijdig aan zijn mes. 'Het is het enige wat ik kan, mevrouw Brandt. Als ik werk, weet ik wat er gebeurt. Ik kijk naar iets, ik meet het, ik schrijf het op, en dan weet ik het. Een schilderij liegt niet. Het kan vervalst zijn, of overgeschilderd, of gestolen, maar het liegt niet. Als je goed genoeg kijkt, vertelt het je alles.'
'En mensen?'
'Mensen liegen altijd.' Hij zei het zonder bitterheid, als een feit. 'Daarom moet je ze nooit laten zien dat je kijkt. Dan gaan ze voor je spelen.'
'Ik speel ook.'
'Ja.' Hij keek haar aan. 'Maar u speelt in het licht. Dat is iets anders.'
Ze dacht aan het Plein. Aan de appeltaart met twee vorkjes. Aan haar telefoon in de zak van haar ochtendjas, met het nummer van Floris erin.
'Waarom heeft u het nooit veranderd?' vroeg ze. 'Uw leven. Als u weet dat het zo niet goed is.'
Hij dacht lang na. Buiten reed een fietser over de brug, een bel die tinkelde, en daarna weer stilte.
'Toen ik viel,' zei hij langzaam, 'in Rotterdam, met Sirocco, dat was mijn paard—ik had hem zelf opgeleid, vanaf zijn vierde jaar. Ik wist precies wat hij kon. Ik wist wat ik kon. Bij de vijfde hindernis wist ik dat hij moe was, en ik wist dat de afstand niet klopte, en ik heb hem toch laten springen. Omdat ik wilde winnen. Omdat ik dacht dat ik het onder controle had.' Hij draaide zijn theekop rond op het schoteltje. 'Hij brak zijn voorbeen. Ik brak drie ribben en mijn sleutelbeen. Ik ben beter geworden. Hij niet.'
Ze zei niets. Ze wist dat er niets te zeggen was.
'Sindsdien laat ik niets meer gebeuren wat ik niet kan meten,' zei hij. 'Geen paarden. Geen vrouwen die ik niet begrijp. Geen beslissingen die ik niet eerst tien keer heb doorgerekend.'
'Maud?'
Hij keek op. 'Wie heeft u over Maud verteld?'
'Internet.'
'Natuurlijk.' Iets wat bijna een glimlach was. 'Maud zei dat ik nooit thuis was, zelfs als ik thuis was. Ze had gelijk. Ik zat aan tafel en ik rekende. Ik lag naast haar en ik rekende. Op een dag heeft ze haar koffers gepakt, en ik heb haar geholpen ze naar de taxi te dragen, omdat dat logisch was.'
'Dat is het treurigste wat ik ooit heb gehoord.'
'Ja,' zei hij. 'Dat zei zij ook.'
Ze keek naar hem over de tafel, naar de schaduwen onder zijn ogen, naar het litteken op zijn onderlip, en voelde iets wat geen begeerte was, of niet alleen. Iets zachters en gevaarlijkers.
'En ik?' vroeg ze. 'Kunt u mij meten?'
Hij keek haar heel lang aan.
'Nee,' zei hij. 'Dat is het probleem. Ik heb het geprobeerd. Elke avond. U doet dingen die niet kloppen. U poetst een trap van onder naar boven. U trekt uw schoenen uit voor een trapje. U legt een deken over een man die u nauwelijks kent. U daagt me uit terwijl ik uw werkgever ben, en u bent niet bang, en dan bent u opeens wel bang, om een clipje.' Hij legde zijn handen plat op tafel. 'Ik weet niet wat u gaat doen. Ik weet het nooit. Ik word er gek van.'
'Is dat erg?'
'Het is,' zei hij, en zijn stem werd lager, 'het spannendste wat me in zeventien jaar is overkomen.'
* * *
Ze stond op om de borden af te ruimen. Hij bleef zitten.
Ze zette de borden in het aanrecht. Ze spoelde de pan om. Ze voelde hem kijken; ze had geen uniform aan, alleen haar ochtendjas, een oude zijden kimono in donkerblauw die tot haar knieën kwam, met daaronder een kort katoenen nachthemd. Haar benen waren bloot. Haar voeten ook.
De theedoek lag op de grond. Ze had hem laten vallen, niet expres, of misschien wel. Ze wist het zelf niet meer.
Ze bukte.
Ze deed het zoals altijd, vanuit haar heupen, benen gestrekt, haar rug recht. De kimono gleed omhoog over de achterkant van haar dijen, en ze voelde de koele lucht van de keuken op haar huid, hoger dan bij het uniform, waar geen kousen waren en geen jarretelles, alleen huid en het korte zoompje van het nachthemd net onder haar billen. Ze telde. Een-en-twee-en-drie-en-vier. Ze pakte de theedoek op. Ze kwam langzaam overeind.
Ze draaide zich om, en verwachtte de vertrouwde dingen: de bewegende kaak, de gebalde handen, de stoel die achteruit schoof, de deur.
Hij was niet opgestaan.
Hij zat precies zo aan tafel, achterovergeleund nu, één arm over de rugleuning van de stoel naast hem. Zijn ogen waren donker en heel rustig op haar gericht. Hij deed geen moeite om weg te kijken. Hij deed ook geen moeite om te verbergen wat zij met hem deed; ze zag de duidelijke vorm van zijn erectie in zijn broek, en hij liet het haar zien, kalm, zonder schaamte, zoals je een bod laat zien op een veiling, een kaartje omhoog.
En hij glimlachte. Voor het eerst echt. Langzaam, aan beide kanten van zijn mond.
Haar adem stokte.
'Mevrouw Brandt,' zei hij.
'Ja.'
'Ik heb nu een maand gekeken hoe u dit doet. Ik heb elke keer gedaan wat u verwachtte. Ik ben weggelopen. Ik heb mijn servet laten vallen. Ik ben van een brandtrap gesprongen, op eenenveertigjarige leeftijd, met een afspraak bij de Raad van State.' Hij liet zijn arm van de stoel glijden. 'U heeft gewonnen. Elke ronde.'
'Dat weet ik.'
'Dat weet ik ook.' Hij stond op, langzaam. Hij liep om de tafel heen, en bleef staan op een meter afstand van haar. Niet dichterbij. Ze rook hem, warm van de slaap en de thee, en ze voelde de hitte die van zijn lichaam kwam, en ze stond met haar rug tegen het aanrecht, de theedoek tegen haar borst geklemd, en ze kon niet bewegen.
Hij raakte haar niet aan.
'Maar ik heb ook iets geleerd,' zei hij zacht. 'U doet het omdat u wilt dat ik kijk. Maar u wilt het alleen zolang ik wegloop. Zolang ik verlies. U weet niet wat u moet doen als ik blijf.'
Ze opende haar mond. Er kwam niets uit.
'Dat dacht ik al,' zei hij.
Hij pakte de theedoek uit haar handen, voorzichtig, zonder haar vingers aan te raken. Hij vouwde hem in vieren en legde hem op het aanrecht, naast haar heup, precies recht.
'Ga slapen, Esmée,' zei hij.
Het was de eerste keer dat hij haar voornaam zei. Hij zei het zoals je iets uitspreekt dat je al heel lang in je mond hebt gehad.
Hij liep naar de deur. Deze keer draaide hij zich om voordat hij de deurpost bereikte. Hij keek haar aan, recht, met die nieuwe glimlach.
'En morgen,' zei hij, 'speel ik mee.'
* * *
Ze stond nog lang in de keuken.
Haar knieën waren slap. Haar huid gloeide, van haar nek tot haar enkels, en haar tepels stonden hard en gevoelig tegen het katoen van haar nachthemd, en tussen haar dijen was een warm, kloppend gewicht dat ze niet kon negeren. Ze had haar handen tegen het aanrecht gedrukt, achter haar, om zichzelf overeind te houden.
Hij had haar niet aangeraakt. Niet één keer.
Ze dacht aan de vrouw op het schilderij, met haar rug naar de kijker, het hoofd licht gebogen, luisterend naar iets buiten het beeld. Ze dacht aan het geborduurde motiefje in het kraagje dat zij niet had. Ze dacht aan de achtduizend euro, en aan een bruine envelop, en aan een man in een windjack in het steegje achter het huis.
En ze dacht aan zijn stem. Morgen speel ik mee.
Ze ging naar boven. Op de derde verdieping, in haar kamer, haalde ze het uniform uit de kast. Ze hing het aan de deur, waar ze het kon zien vanuit bed. Zwart en wit in het maanlicht, de schort als een witte vlag.
Ze haalde haar telefoon tevoorschijn en opende het bericht van Floris.
Denk er rustig over na, lieverd. Geen haast.
Ze typte: Ja.
Ze keek ernaar tot het scherm op zwart sprong. Toen maakte ze het weer wakker, en haar duim zweefde boven de verzendknop, en buiten sloeg de klok van de Kloosterkerk drie uur.
Ze drukte.
Daarna lag ze tot de ochtend wakker, met haar ogen op het uniform aan de deur, en het voelde niet als winnen.