Zwart op Wit · hoofdstuk 3 van 40
3. Achttellen
Op zondag had ze vrij, en ze ging naar de studio.
Het was geen echte studio meer, alleen een zaaltje boven een fietsenmaker in de Schilderswijk dat een oud-collega op zondagochtend huurde voor danseressen die niet meer dansten. Een barre langs de muur, een spiegel met een barst in de linkerhoek, een speaker die kraakte bij de lage tonen. Er kwamen vier, vijf vrouwen. Een had haar heup verloren, een haar enkel, een had twee kinderen gekregen en was niet teruggekomen, een was gewoon op een ochtend wakker geworden en had besloten dat ze niet meer wilde dat iemand haar gewicht controleerde.
Esmée deed haar oefeningen aan de barre. Pliés in de eerste positie, de tweede, de vijfde. Haar rechterknie protesteerde bij de diepe plié en ze luisterde ernaar, zoals de fysiotherapeut haar had geleerd. Je knie is geen vijand. Het is een collega die soms nee zegt.
Ze telde in achten. Dat deed ze altijd, ook als er geen muziek was. Een-en-twee-en-drie-en. Het was het eerste wat ze had geleerd, op haar zesde, in een gymzaal in Zoetermeer, en het was het laatste wat ze zou vergeten. Als ze nerveus was, telde ze in achten. Als ze niet kon slapen. Als ze bij de bank zat.
'Je bent anders,' zei Margot, die naast haar stond. Margot was de enkel. Ze was vijfendertig en werkte nu bij een verzekeraar en had nog steeds de nek van een zwaan.
'Anders hoe?'
'Je staat rechter. Je kijkt in de spiegel.'
'Ik kijk altijd in de spiegel.'
'Nee.' Margot strekte haar arm boven haar hoofd en boog opzij. 'Sinds je gestopt bent, kijk je naar je knie. Vandaag kijk je naar jezelf.'
Esmée zei niets. Ze maakte een port de bras, liet haar arm langzaam zakken, en zag in de gebarsten spiegel een vrouw van negenentwintig met donker haar in een slordige knot, een smal gezicht, een mond die te groot was voor haar kin. De mond die haar moeder "eigenwijs" had genoemd en Lev "onrustig".
Lev.
Ze liet haar arm vallen.
* * *
Lev Abramov had haar uitgekozen voor een solo toen ze tweeëntwintig was. Ze herinnerde zich de repetitiezaal, het namiddaglicht, de manier waarop hij om haar heen liep terwijl ze een arabesque aanhield tot haar standbeen trilde. Hij raakte haar nooit aan zonder te vragen, dat was het rare. Hij vroeg altijd: Mag ik? En dan legde hij twee vingers onder haar kin, of op haar heup, of tussen haar schouderbladen, en duwde haar een centimeter. Hij was zacht. Hij was respectvol. Hij was de beste choreograaf die ze ooit had meegemaakt.
En op een dag, in de laatste week voor de première, had hij haar laten stoppen midden in een frase, en gezegd, op die vriendelijke, bedachtzame toon waarop hij alles zei:
'Je bent te veel, Esmée. Je wilt te graag dat ik kijk. Het publiek ruikt dat. Ze willen een danseres die zich geeft, niet een die vraagt.'
Ze had het jaren geleden kunnen loslaten. Hij had het waarschijnlijk zelf allang vergeten. Maar het was in haar gaan zitten zoals water in hout gaat zitten: onzichtbaar, tot het gaat zwellen.
Te veel. Je wilt te graag dat ik kijk.
Ze had daarna geleerd om nooit meer te vragen. Ze had geleerd om zelf te bepalen wanneer iemand keek. Een blik die je zelf uitlokt, kan niet afwijzen wat hij ziet. Hij kan alleen reageren. En een reactie, dat was iets wat je kon meten.
Ze dacht aan de vaatwasser. Aan de vork die hij evenwijdig had gelegd. Aan het water van de douche om kwart over twee.
'Je glimlacht,' zei Margot.
'Ik heb een nieuwe baan.'
'Dat is fijn.'
'Het is een rare baan.'
Margot keek haar via de spiegel aan. 'Rare banen zijn de enige die we nog krijgen, lieverd. Wij kunnen alleen maar mooi staan en hard werken.'
* * *
Na de studio ging ze naar Fien.
Fien woonde op twee hoog in Laak, in een flat met een balkon dat uitkeek op een ander balkon. Ze deed de deur open in een joggingbroek met een vlek erop, haar haar in een handdoek, en trok Esmée naar binnen alsof ze haar uit het water haalde.
'Laat zien,' zei ze.
'Wat?'
'Foto's. Van het huis. Van hem. Van het pakje.'
'Ik heb geen foto's.'
'Dan heb je niks.'
Fien had drie maanden achterstand gehad toen Esmée het ontdekte. Een brief van de corporatie, verstopt onder een stapel studieboeken. Een opleiding tot verpleegkundige was voltijds, en de stages waren onbetaald, en haar studiefinanciering was opgegaan aan een tandarts toen ze een kies brak op een stuk nougat. Ze had het niet durven zeggen. Esmée was haar grote zus, en grote zussen hadden zelf al genoeg problemen: een knie, een carrière die voorbij was, elfduizend euro aan revalidatie, ziekenhuisrekeningen en de huur van haar eigen kamer die ze nu niet meer nodig had.
'Ik heb vorige maand de huur overgemaakt,' zei Esmée, terwijl Fien thee zette.
'Weet ik. Dank je.'
'Deze maand ook.'
'Esmée—'
'En de maand erna. Tot je stage betaald wordt.'
Fien zette de mokken neer en keek haar aan. Ze hadden dezelfde ogen, grijs met een bruin vlekje in de linker iris, van hun vader die vertrokken was toen Fien twee was en van wie ze verder niets hadden gehouden.
'Ik wil niet dat je dat doet voor mij,' zei Fien.
'Ik doe het niet voor jou. Ik doe het omdat ik niet wil dat mama in haar graf ligt te draaien omdat haar jongste dochter onder een brug slaapt.'
'Mama ligt niet in een graf. Mama is verstrooid boven de Noordzee.'
'Dan draait ze boven de Noordzee.'
Fien lachte, en toen huilde ze een beetje, en toen dronken ze thee. Het was een zondag zoals alle zondagen, en het was goed.
Pas toen Esmée haar jas al aanhad, vroeg Fien: 'En hij? Echt. Is hij oké?'
Esmée dacht na.
'Hij werkt,' zei ze. 'Hij slaapt niet. Hij eet staand. Hij heeft een rijzweep aan de muur die hij nooit aanraakt en een kantoor vol boeken over schilderijen die hij nooit ophangt. Hij praat als een notaris en schrijft kaartjes als een monnik.' Ze aarzelde. 'En hij kijkt naar me alsof ik iets ben wat hij moet taxeren.'
Fien keek haar lang aan.
'Dat vind je leuk,' zei ze.
'Nee.'
'Je vindt het leuk.'
'Ik vind het interessant.'
'O god,' zei Fien. 'Dat is erger.'
* * *
Op maandagochtend, toen de bedden waren verschoond en de badkamers glommen, ging ze met haar laptop aan de keukentafel zitten en deed wat ze zich had voorgenomen niet te doen. Ze typte zijn naam in.
Roelofsz & Kalff, veilinghuis voor oude kunst, Noordeinde, Den Haag. Opgericht 1921. Een website in grijs en goud, met foto's van zalen vol mensen op klapstoeltjes en een man op een podium met een houten hamer. Ze vergrootte de foto. Hij was het, een paar jaar jonger, minder grijs bij de slapen. Hij stond niet achter de lessenaar zoals de anderen, leunend, maar rechtop, één hand op het hout, de hamer omhoog, en de hele zaal keek naar hem alsof hij het weer bepaalde.
Onder Over ons stonden twee portretten. Sebastiaan, ernstig, in zwart-wit. En naast hem een man met een gebruind gezicht, blond haar dat naar achteren was geveegd, een glimlach die zijn tanden liet zien en zijn ogen niet bereikte. Floris Kalff, directeur Relaties & Private Sales. Floris is uw eerste aanspreekpunt voor discrete aan- en verkoop.
Lieverd, dacht ze. Zondag.
Ze scrolde verder. Een artikel uit NRC uit 2019: Veilinghuis wint zaak om omstreden Ter Borch. Een interview in een glossy over "de stilste veilingmeester van Nederland". Een kort bericht uit 2009 in een regionale krant: Haagse springruiter zwaargewond bij concours in Rotterdam. Paard moest worden afgemaakt. Een foto van een wit springpaard, zijn voorbenen gevouwen boven een balk, en een jongeman op zijn rug, gezicht verborgen onder de cap.
En een trouwaankondiging, 2014. Sebastiaan Roelofsz en Maud van Rhijn. Er was geen scheidingsaankondiging. Mensen kondigden het begin aan, niet het eind.
Ze klapte de laptop dicht. Ze voelde zich betrapt, hoewel er niemand was, en ze voelde nog iets: een kleine, scherpe steek, toen ze aan het paard dacht. Ze wist hoe het was als je lichaam ophield met doen wat je vroeg. Ze wist hoe het was als je moest kiezen tussen stoppen en kapotgaan.
Ze keek naar de rijzweep in de hal toen ze de trap op ging. Hij is gestopt, had Verhagen gezegd. Ook dat is niet mijn terrein.
Het was ook niet het hare. Maar ze bleef die dag vaker in de hal staan dan nodig was.
* * *
Op maandagavond was hij om tien uur thuis.
Ze hoorde hem binnenkomen, zijn sleutels in de schaal op de hal leggen, de deur van de studeerkamer opengaan en weer dichtgaan. Om half elf ging ze naar boven met een dienblad: thee, een bord met brood en kaas, een appel in partjes, want hij had sinds het ontbijt niets gegeten, dat wist ze inmiddels zeker.
Ze klopte.
'Ja.'
Hij zat achter het bureau, in het licht van de daglichtlamp, met de loep in zijn hand. Voor hem lag een vergrote foto van een stuk schilderij, zo dichtbij dat het geen schilderij meer leek maar een landkaart: barstjes in de verf als rivieren, een veeg wit als een gletsjer. Hij keek niet op.
'Ik heb u niet gevraagd,' zei hij.
'U heeft niet gegeten.'
'Dat weet u niet.'
'De koelkast weet het.'
Hij legde de loep neer. Hij keek naar het dienblad, daarna naar haar.
'Zet het daar maar neer.' Hij wees naar het bijzettafeltje bij het raam, een laag, rond ding met een marmeren blad, nauwelijks hoger dan haar knieën.
Het tafeltje stond laag. Dat had ze vanmiddag al gezien, toen ze het afstofte, en ze had zichzelf betrapt op een gedachte die ze toen had weggeduwd.
Ze liep erheen. Ze deed het niet snel, en niet langzaam. Ze liep zoals ze op het toneel liep als ze wist dat het licht op haar stond: zonder haast, met haar schouders laag en haar kin licht omhoog. En toen ze bij het tafeltje was, zette ze het dienblad neer zoals ze de vork uit de vaatwasser had gehaald. Benen gestrekt. Heupen naar achteren. Rug recht. Een buiging, maar dan zonder publiek, of eigenlijk: met één toeschouwer.
Ze telde. Een-en-twee-en-drie-en-vier.
Ze schoof de theepot een centimeter naar links. Het bord een centimeter naar rechts. Ze legde het servet recht, met de punt naar de rand van het tafeltje, zoals hij zijn vulpen legde.
Vijf-en-zes-en-zeven-en-acht.
Ze voelde de zoom van haar jurk tegen de achterkant van haar dijen strijken, en daarna niet meer. Ze voelde de koele lucht op de huid boven de kousen. Ze voelde de jarretelles strak staan, alle vier, als snaren van een instrument.
Ze kwam overeind en draaide zich om.
Hij had zich niet bewogen. Hij zat nog precies zo achter het bureau, de handen plat op de groene leren inleg, maar zijn ademhaling was anders. Ze kon het zien aan zijn borst, aan het witte overhemd dat sneller op en neer ging. Zijn ogen waren donker en strak op haar gericht. En onder het bureau, in de schaduw maar niet genoeg, zag ze dat het weer gebeurd was. De stof van zijn broek strak over zijn kruis, de duidelijke lijn van zijn erectie tegen zijn dij. Hij deed geen moeite meer om het te verbergen. Misschien wist hij dat het geen zin had.
Ze keek ernaar. Ze keek er openlijk naar, twee tellen, drie, en toen keek ze hem in de ogen. Ze wist dat haar wangen rood waren. Het kon haar niet schelen.
'Is er nog iets?' vroeg ze.
Zijn kaak bewoog.
'Dat uniform,' zei hij, en zijn stem was lager dan anders, schor aan de randen, 'is een vergissing van mijn grootmoeder.'
'Het reglement zegt iets anders.'
'Het reglement is vierenzeventig jaar oud.'
'Dan is het een oude vergissing.'
'Dat zijn de hardnekkigste.'
Ze liep naar de deur. Ze liep langzamer dan nodig was. Bij de deur bleef ze staan, haar hand op de klink, en keek over haar schouder.
'Als u wilt dat het wordt gewijzigd,' zei ze, 'kunt u met meneer Verhagen praten.'
'Dat weet ik.'
'Wilt u dat?'
Het bleef lang stil. Buiten op de gracht reed een tram over de brug, een lange, metalen zucht. Hij keek naar haar, naar het kraagje, de strik, de zoom, de streep huid boven het kant. Zijn handen lagen nog steeds plat op het bureau, zo plat dat ze zag dat zijn knokkels wit waren.
'Goedenacht, mevrouw Brandt,' zei hij.
Ze glimlachte. Ze had haar antwoord.
* * *
In haar kamer trok ze het uniform niet meteen uit.
Ze ging op de rand van het bed zitten en keek naar haar benen in de zwarte kousen, naar de clipjes van de jarretelles die in de stof drukten. Ze dacht aan zijn handen, plat op het bureau. Wit bij de knokkels. Alsof hij zich vasthield aan het hout om niet op te staan.
Ze voelde haar hart, snel en licht. Ze voelde de hitte die tussen haar dijen was gaan zitten en daar bleef, warm en zwaar, en haar tepels die tegen de stof van haar beha schuurden, gevoelig, alsof hij ze had aangeraakt terwijl hij niets anders had gedaan dan kijken. Ze dacht: Dit is gevaarlijk. En meteen daarna: Nee. Dit is van mij.
Want zo was het. Hij had niets gevraagd. Hij had haar niet aangeraakt. Hij was niet opgestaan. Zij had bepaald wanneer hij keek, en hoe lang, en hoeveel. Zij had geteld. Zij had de theepot een centimeter verschoven en het servet rechtgelegd. Het was een choreografie, en ze had hem zelf geschreven.
Je wilt te graag dat ik kijk, had Lev gezegd.
Nee, dacht ze. Ik wil niet dat je kijkt. Ik wil bepalen dát je kijkt.
Dat was het verschil, en het verschil was alles.
Ze maakte de jarretelles los, een voor een, en luisterde naar het huis. Er kwam geen douche deze keer. Er kwam niets. Alleen, om tien over één, het zachte gekraak van de vierde tree van de wenteltrap, en daarna niets meer, alsof iemand halverwege was blijven staan op weg naar boven en had besloten om terug te gaan.
Ze lag in het donker met haar ogen open.
Een-en-twee-en-drie-en-vier.
Ze kwam niet verder dan acht voor ze sliep.