Zwart op Wit · hoofdstuk 11 van 40
11. Jij
Ze sliep niet. Om zes uur gaf ze het op.
Ze trok het uniform aan omdat ze niet wist wat ze anders aan moest. Als hij haar ontsloeg, dacht ze, dan wilde ze het in dienst horen. Ze trok de kousen op en klikte de nieuwe clipjes vast, alle vier, en haar vingers waren koud. Ze knoopte de schort in haar rug en maakte de strik drie keer opnieuw, en de derde keer was hij nog steeds scheef, en ze liet hem zo.
In de spiegeldeur zag ze een vrouw met donkere kringen onder haar ogen en een mond die strak stond. Ze dacht: zo ziet iemand eruit die iets heeft verkocht.
Beneden rook het naar koffie.
Hij stond in de keuken, bij het raam, met een kop in zijn hand. Hij had zich gedoucht en geschoren en een schoon overhemd aangetrokken, wit, met de mouwen opgerold, maar zijn ogen waren rood en hij droeg nog dezelfde broek als gisteren, met een grijze veeg van het souterrain op de knie. Op de tegels lagen geen modderige voetafdrukken meer. Hij had de vloer gedweild. De omgevallen stoel stond weer op zijn plek. De tuindeur was dicht, de grendel ervoor, en aan de spijker naast de deur hing een nieuw hangslot dat er gisteren niet was.
Hij draaide zich om toen ze binnenkwam.
'Er is koffie,' zei hij.
'Dank u.'
Ze schonk een kop in. Haar hand trilde, en een beetje koffie spatte op het aanrecht, en ze veegde het weg met haar duim. Ze voelde hem kijken.
'Ik heb Verhagen gebeld,' zei hij. 'Om vijf uur. Hij was niet blij. Er komt vandaag om twaalf uur een slotenmaker. Alle sloten. Ook de voordeur. U krijgt nieuwe sleutels.'
U krijgt. Niet u kreeg. Niet u kunt uw sleutels inleveren.
Ze draaide zich om, met de kop tegen haar borst.
'En de politie?'
'Geen politie.'
'Er is ingebroken.'
'Er is iemand binnengekomen met een sleutel en weer vertrokken zonder iets mee te nemen.' Hij zette zijn kop neer. 'Als ik de politie bel, dan schrijven ze dat op, en dan vragen ze waarom iemand om half elf 's nachts in het donker naar mijn souterrain loopt. En dan vragen ze wat er in mijn souterrain staat. En dan staat het in een proces-verbaal, en een proces-verbaal is een openbaar document voor wie de juiste mensen kent.'
'Floris kent de juiste mensen.'
Ze had het niet willen zeggen. Het lag tussen hen op de tafel, als een mes.
Hij keek haar aan. Lang.
'Ja,' zei hij. 'Floris kent iedereen.'
Ze wachtte. Op de vraag. Op het ontslag. Op pak je spullen, of hoeveel heeft hij je betaald, of de koude, beleefde stem waarmee hij tegen Floris had gezegd: Ik weet precies wat je bedoelt.
Het kwam niet.
'Wil je ontbijt?' vroeg hij.
Ze knipperde.
Hij had je gezegd. Niet u. Hij had het gezegd zonder nadruk, zoals hij alles zei, terloops, alsof het altijd zo was geweest, en het sloeg in haar als een steen in een vijver.
'U zei—'
'Ik zei je.' Hij pakte een pan uit de kast. Hij zette hem op de inductieplaat. Hij pakte de eieren uit de koelkast, en boter, en het bieslook dat ze uit de tuin had gehaald en in een glas water had gezet. 'Ik ben gisteren om half elf in het donker met mijn hand op je arm tegen een muur gaan staan. Je hebt mijn haar drooggewreven met een theedoek. Ik vind dat je dan je zegt.'
'Ik werk voor u.'
'Je werkt voor de stichting. Ik woon alleen in het huis.' Hij brak een ei op de rand van de pan. 'En je mag me noemen hoe je wilt. Maar ik noem jou niet meer mevrouw Brandt. Dat kan ik niet meer. Mijn mond weigert.'
Ze stond met haar koffie bij het aanrecht en keek naar hem. Hij bakte eieren. Hij, Sebastiaan Roelofsz, die soep uit de pan at en zeep kocht die niet uitmaakte, stond in zijn eigen keuken roerei te maken voor zijn huishoudster, met dezelfde geconcentreerde precisie waarmee hij een schilderij uit een ezel tilde.
'Het bericht,' zei ze.
Zijn hand met de spatel stopte niet.
'Ik heb het gezien,' zei hij.
'Ik wil uitleggen—'
'Nee.' Hij draaide zich om. 'Niet nu. Ik wil het niet nu horen.'
'Waarom niet?'
Hij keek haar aan, en er was iets in zijn gezicht wat ze niet begreep. Geen boosheid. Geen pijn, of niet alleen. Iets wat leek op berekening, en op iets zachters eronder.
'Omdat je nu bang bent,' zei hij. 'En wat iemand zegt als hij bang is, is zelden de waarheid. Het is wat hij denkt dat hem redt.' Hij schepte de eieren op een bord, met bieslook, en zette het op tafel, op haar plek. 'Ik wil het horen als je het wilt vertellen. Niet als je denkt dat je moet.'
'En tot die tijd?'
'Tot die tijd,' zei hij, 'eet je je ontbijt.'
* * *
De slotenmaker kwam om twaalf uur en bleef tot drie. Hij was een zwijgzame man met een paardenstaart die bij elk slot dat hij eruit haalde zijn hoofd schudde. 'Uit de jaren zeventig,' zei hij, over de tuindeur. 'Met een paperclip open te krijgen.'
'Met een sleutel,' zei Esmée.
'Met een sleutel ook.'
Ze kreeg drie nieuwe sleutels aan een nieuwe ring: voordeur, tuindeur, souterrain. Geen sleutel van de kluiskamer. Die had alleen een code, en de code was veranderd; dat hoorde ze Sebastiaan aan de telefoon tegen Verhagen zeggen, en hij zei het zacht, met zijn rug naar haar toe.
Floris belde om twee uur. Ze nam niet op. Hij belde om half vier. Ze nam niet op. Om vier uur kwam er een bericht. Lieverd? Alles goed? Je maakt me ongerust.
Ze typte: Stroom was uit. Hij was in de kluis toen het licht uitging. Hij heeft het schilderij in een kist gelegd. Ze keek ernaar. Het was waar. Het was allemaal waar.
Ze wiste het.
Ze typte: Alles goed. Stroom was even uit.
Ze verzond het. Toen zette ze haar telefoon uit en legde hem in de la van haar nachtkastje, naast het visitekaartje met reliëf.
* * *
Om half vijf belde mevrouw Lindeman aan. Ze stond op de stoep met de tekkel onder haar arm en iets kleins in haar gehandschoende hand.
'Ik vond dit vanochtend in het steegje,' zei ze. 'Bij de vuilcontainers. Ik dacht: dat is van u.'
Het was een sleutel. Een oude, grote, ijzeren sleutel, aan een ring met een plastic hangertje in de vorm van een mossel. Op de achterkant van de mossel stond in verbleekte letters Groeten uit Yerseke.
De sleutel van de tuindeur. De oude.
'Hanneke kwam uit Zeeland,' zei mevrouw Lindeman, en ze keek Esmée aan met kleine, scherpe ogen. 'Uit Yerseke, als ik me niet vergis. Haar man had een mosselkwekerij.'
Esmée nam de sleutel aan. Hij was koud en een beetje roestig, en er zat modder in de baard.
'Er stond gisteravond een man in de steeg,' zei mevrouw Lindeman. 'Om tien uur, voor het onweer. Ik zag hem vanuit mijn keuken. Ik heb hem eerder gezien, in maart, en in april. Hij rookt Gauloises; dat ruik je tot op mijn balkon. Ik heb het tegen niemand gezegd, want niemand vraagt mij iets.' Ze zette de tekkel op de grond. 'Nu vraagt u het ook niet, maar ik zeg het toch.'
'Dank u,' zei Esmée.
'Geeft u het aan meneer?'
Esmée keek naar de sleutel in haar hand. Ze dacht aan Hanneke op de stoep, huilend, met haar envelop. Ik heb iets doms gedaan en hij weet het. Ze dacht aan een man die Hanneke's sleutel had, en die wist dat er om half elf iemand in de kluis zou zijn, en dat de stroom uit was.
Hoe wist hij dat?
Is Bas thuis? Is hij bij de kluis?
'Ja,' zei ze. 'Ik geef het aan meneer.'
Ze deed het niet meteen. Ze stopte de sleutel in haar schortzak, bij de kaartjes, en ze voelde hem daar de rest van de middag zitten, zwaar en koud tegen haar dij.
* * *
Om zes uur kwam hij in de bibliotheek, waar zij de boekenkast afstofte.
Ze hoorde hem deze keer. Hij liep op schoenen, en hij liep niet zacht. Hij kwam binnen en bleef niet in de deuropening staan. Hij liep naar het bureau in de hoek, het kleine, waaraan hij nooit werkte, en ging erop zitten, op de rand, met één been opgetrokken en zijn armen over elkaar.
'Ga door,' zei hij.
Ze stofte de onderste plank af. Ze deed het zonder te bukken. Ze ging door haar goede knie, de linker, en hield de rechter gestrekt, en het was ongemakkelijk en het zag er waarschijnlijk vreemd uit, maar ze bukte niet.
'Je bukt niet,' zei hij.
'Nee.'
'Waarom niet?'
Ze stond op. Ze draaide zich om. 'Omdat ik niet weet wat u doet.'
'Wat doe ik?'
'Dat weet ik niet. Dat zeg ik.' Ze hoorde haar stem stijgen. 'Ik heb u bespioneerd. U weet het. U heeft het bericht gezien. U weet dat hij me iets heeft gegeven, of u denkt het, en u heeft gelijk, en u bakt eieren voor me en u zegt jij en u zit hier op een bureau en zegt ga door. Dat klopt niet. Dat klopt helemaal niet.'
Hij keek haar aan.
'Jij zei: het spel is van mij,' zei hij langzaam. 'In de keuken. Toen ik vroeg of iemand je had gevraagd het te doen. Je zei: niemand vraagt mij dat, dat is van mij.' Hij liet zich van het bureau glijden. 'Was dat gelogen?'
'Nee.'
'Dan geloof ik je.'
'Waarom?'
'Omdat ik het heb gezien.' Hij kwam dichterbij. Eén stap. Twee. Hij bleef staan op een armlengte. 'Ik heb een maand naar je gekeken, Esmée. Ik weet hoe je eruitziet als je speelt. Ik weet hoe je eruitziet als je bang bent. Ik weet hoe je eruitzag gisteravond, met je hand op mijn hart. Dat was niet van Floris. Wat er ook tussen jou en Floris is, dat was niet van hem.'
Ze kon niet praten.
'Dus ik maak een onderscheid,' zei hij. 'Wat je met Floris hebt, daar praten we over als jij wilt. Dit—' hij gebaarde naar de ruimte tussen hen, die armlengte, '—dit is van jou. En sinds gisteren ook van mij.'
Hij liep langs haar naar de boekenkast. Hij keek naar de onderste plank, die ze half had afgestoft.
En toen bukte hij.
Hij deed het precies zoals zij het deed. Ze zag het en ze kon het niet geloven. Benen gestrekt. Heupen naar achteren. Rug recht. Een buiging vanuit de diepte van zijn lichaam, langzaam, zijn handen plat op de onderste plank. Zijn overhemd trok strak over zijn rug, over de lange spieren naast zijn ruggengraat. Zijn broek spande om zijn billen en de achterkant van zijn dijen. Hij bleef zo staan. Ze zag hem tellen, aan zijn adem. Een-en-twee-en-drie-en-vier.
Vijf-en-zes-en-zeven-en-acht.
Hij kwam langzaam overeind en draaide zich om.
'Zo,' zei hij. 'Zo ziet het eruit.'
Haar gezicht stond in brand. Haar hele lichaam.
'U—' begon ze.
'Jij,' zei hij.
'Jij—'
'Ik wilde weten wat jij zag,' zei hij. 'Al die weken. Wat je zag als je je omdraaide en ik zat aan tafel en kon niet opstaan. Of ik daar stond met mijn servet op de grond.' Hij kwam weer een stap dichterbij. Nu was er geen armlengte meer. Nu was er bijna niets. Ze rook hem: zeep, koffie, het droge hout van het schilderij. 'Nu weet ik het. Je zag iemand die zich niet kon verbergen. Je vond dat mooi.'
Ze zei niets. Haar rug raakte de boekenkast.
'Ik vond het ook mooi,' zei hij zacht. 'Dat je keek. Net. Je keek naar mijn billen, Esmée. Je keek naar de achterkant van mijn dijen. Je was rood tot in je hals.' Zijn ogen gingen langzaam over haar gezicht, haar mond, haar hals, het kraagje, het dunne zwarte katoen over haar borsten, waar haar tepels hard en duidelijk tegen de stof drukten, en hij liet haar zien dat hij het zag. Hij keek niet weg. 'Je bent nu nog rood.'
'Ophouden,' fluisterde ze.
Hij hield op. Onmiddellijk. Hij deed een stap achteruit. Hij hief zijn handen een klein beetje, de palmen naar haar toe.
'Goed,' zei hij. 'Ik houd op.'
Ze stond tegen de boekenkast met haar handen achter zich tegen de ruggen van de catalogi gedrukt. Ze ademde alsof ze had gerend.
Hij was gestopt. Bij één woord. Zonder vraag, zonder discussie, zonder die gekrenkte blik die mannen hadden als je nee zei.
En het rare, het verschrikkelijke, was dat ze niet had gewild dat hij ophield. Ze had ophouden gezegd omdat ze niet wist wat ze anders moest zeggen. Omdat het te veel was, en te snel, en te heet, en omdat ze voelde dat ze op het punt stond om iets te doen wat ze niet kon terugnemen. Ze had het gezegd om tijd te kopen.
Hij had het geloofd. Hij had het gerespecteerd.
En nu stond ze daar en wilde ze het terugnemen.
'Dat—' begon ze.
'Nee.' Hij schudde zijn hoofd, en er was een kleine glimlach, aan één kant. 'Als je ophouden zegt, dan houd ik op. Ook als je het niet meent. Juist als je het niet meent. Anders weet je nooit meer of het werkt.'
Ze staarde hem aan.
'Maar je mag het altijd intrekken,' zei hij. 'Morgen. Volgende week. Als je weet wat je wilt.'
Ze ging de bibliotheek uit.
Ze liep niet. Ze rende bijna. De overloop, de trap, de vierde tree die kraakte en de zeventiende, haar kamer, de deur. Ze leunde ertegen met haar ogen dicht. Ze voelde de kracht van haar hartslag in haar hals, in haar polsen, tussen haar dijen, waar het klopte en brandde en niet wilde ophouden.
Ze was weer weggelopen. De achtste keer.
Maar deze keer had hij haar laten gaan omdat zij dat vroeg, en niet omdat hij niet durfde te blijven.
En dat, besefte ze, met haar rug tegen de deur en haar hand tegen haar mond, was het verschil tussen een spel dat je speelt en een spel dat met jou gespeeld wordt.
Ze wist niet meer welke van de twee dit was.