Zwart op Wit

Hoofdstuk 10 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 10 van 40

10. Onweer boven de gracht

Het onweer kwam op dinsdagavond, na drie dagen van een hitte die niet bij mei hoorde.

Ze had het de hele dag voelen aankomen. In haar knie, eerst, het oude zeurende gevoel van druk die verandert. Daarna in de lucht, die geel werd boven de daken van het advocatenkantoor en daarna paars. De meeuwen hielden op met krijsen. Mevrouw Lindeman haalde om vier uur haar tekkel binnen en deed de luiken dicht, en dat had Esmée haar nog nooit zien doen.

Sebastiaan kwam om zes uur thuis, ongewoon vroeg, en ging meteen naar het souterrain. Ze hoorde het cijferslot, het zuchten van de deur.

Ze hadden sinds die avond in de keuken nauwelijks gepraat. Niet omdat ze elkaar ontliepen, maar omdat elke zin geladen was geworden, als lucht voor onweer. Hij keek. Dat had hij beloofd, en hij hield zich eraan. Als ze bukte, keek hij, openlijk, met die rustige, donkere aandacht. Als ze de zoom van haar jurk rechttrok, keek hij. Als ze 's ochtends de koffie neerzette, keek hij naar haar handen, en daarna naar haar mond.

En ze was weggelopen. Elke keer. Op zaterdag uit de bibliotheek, toen hij was blijven staan in de deuropening terwijl zij op het trapje stond. Op zondag uit de tuin, toen ze zich bukte om onkruid te trekken en hij zei: 'Nog één.' Op maandag uit de eetkamer, toen ze over zijn schouder had geleund om in te schenken en hij heel zacht, zonder op te kijken, had gezegd: 'Uw adem gaat sneller dan de mijne.'

Ze was zeven keer weggelopen in vier dagen. Ze had geteld.

Hij was nooit gevolgd.

* * *

Om tien uur viel de eerste druppel. Om tien over tien was het alsof iemand een emmer boven de stad had omgekeerd. Het water kwam niet naar beneden; het sloeg. Tegen de ramen, tegen het dak, tegen het water van de gracht, dat opsprong als kokende melk. De bliksem was wit en dichtbij, en de donder kwam meteen erna, zonder pauze, een klap die ze in haar borst voelde.

Ze stond in de keuken bij het raam en keek naar de tuin. De moerbei zwiepte. Een tak brak, met een geluid als een schot.

Om tien voor half elf ging het licht uit.

Niet flikkerend. In één keer. De keuken werd zwart, de koelkast hield op met zoemen, het groene lampje op de waterkoker ging uit. Buiten, op de gracht, waren ook de lantaarns uit. Het hele blok. De hele straat, misschien.

Ze stond in het donker. Ze hoorde de regen, en haar eigen adem, en daaronder iets wat ze nog nooit had gehoord: een hoog, aanhoudend piepen, van beneden, uit het souterrain.

De kluiskamer.

Ze vond haar telefoon op het aanrecht en deed de zaklamp aan. Een smalle witte bundel over de tegels. Ze liep de gang in, naar de grijze deur aan het eind. Het lampje van het cijferslot was niet rood en niet groen. Het knipperde oranje. Het piepen kwam van daarachter.

De deur stond op een kier.

'Sebastiaan?'

Het was de eerste keer dat ze zijn naam zei. Ze merkte het pas toen het al uit haar mond was.

'Hier,' zei hij. Zijn stem was gespannen. 'Kom niet binnen. Nee, wacht. Kom binnen. Ik heb licht nodig.'

Ze duwde de deur open. De kluiskamer was zwart, op het schijnsel van haar telefoon na. Het apparaat aan de muur gaf geen cijfers meer; het piepte alleen, een alarm op een noodbatterij. In het midden van de kamer stond de ezel, en op de ezel het schilderij, en voor het schilderij stond hij, zijn jasje uit, zijn overhemd half uit zijn broek, met een grote zwarte doos in zijn armen.

Ze richtte het licht op het doek, en daarna, met een schok, op de vrouw.

Ze had het nog nooit in het echt gezien. Het was kleiner dan ze dacht, en duizend keer levendiger. Het licht van het raam op het schilderij was niet geschilderd, het was er gewoon, warm en geel, alsof de zon van driehonderdvijfenzestig jaar geleden nog steeds door het glas viel. De vrouw stond met haar rug naar Esmée toe, het hoofd licht gebogen, en de witte schort leek te bewegen in het trillende licht van de telefoon. Zwarte jurk. Wit kraagje. Een donkere kous onder de zoom.

Ze stond in de deuropening in precies dezelfde jurk.

'Licht hier,' zei hij. 'Op de ezel. Ik moet het in de kist hebben. Als de klimaatbeheersing uitvalt, gaat de luchtvochtigheid omhoog, en het paneel—' Hij brak af. 'Het is eikenhout. Het werkt. Het kan scheuren.'

Ze hield het licht op de ezel. Hij zette de zwarte doos neer, een soort koffer met schuimrubber vanbinnen, en tilde het schilderij van de ezel. Hij deed het met een tederheid die ze nog nooit bij iemand had gezien, zijn handen plat aan de randen, zijn armen gebogen, alsof hij een slapend kind uit een bed tilde.

Ze keek naar zijn handen. Ze keek naar de vrouw. Ze keek naar zijn gezicht, dat in het harde witte licht bleek was en geconcentreerd en bang.

Het schilderij lag in de koffer. Hij sloot het deksel. Hij klikte de sloten dicht, een, twee, drie, vier.

Toen hoorde ze het.

Niet de donder. Niet de regen. Iets anders. Een metalen geluid, scherp, van boven. Van achter het huis.

De tuindeur.

Hij hoorde het ook. Hij verstijfde, met zijn handen op de koffer.

'Doe het licht uit,' fluisterde hij.

Ze deed het licht uit.

Het was volkomen donker. Zo donker dat ze haar eigen hand niet kon zien. Het alarm piepte, hoog en dun. De regen roffelde op de stoep boven het souterrainraam. En daarboven, door het plafond, door de keuken, door het hele oude huis, hoorde ze het geluid weer: metaal op metaal. Iemand die aan een slot werkte. Iemand die de tuindeur probeerde, het oude slot met de grote ijzeren sleutel dat ze elke avond om tien uur dichtdraaide.

Ze had het vanavond dichtgedraaid. Toch? Ze had het dichtgedraaid. Ze wist het niet meer.

Een hand vond haar arm in het donker.

Hij trok haar naar zich toe, zacht maar beslist, weg van de deur, de kamer in, tot ze met haar rug tegen de koele witte muur stond. Hij stond voor haar. Ze voelde hem meer dan ze hem zag: de warmte van zijn borst tegen de hare, zijn adem bij haar slaap, zijn hand nog om haar bovenarm. Zijn andere hand lag plat op de muur naast haar hoofd.

'Stil,' ademde hij, bij haar oor.

Ze was stil.

Boven hen klonk een klik. En daarna, heel duidelijk, het piepen van de scharnieren van de tuindeur, die ze vorige week nog had willen oliën en het toen was vergeten.

Iemand was binnen.

Voetstappen. Zacht, voorzichtig, op de tegels van de keuken. Natte schoenen. Ze hoorde het piepen van rubber. Iemand bleef staan. Iemand luisterde, zoals zij luisterden.

Haar hart bonsde zo hard dat ze zeker wist dat het boven te horen was. Ze voelde zijn hart ook, door zijn overhemd, tegen haar borsten: snel en zwaar, maar regelmatiger dan het hare. Hij was banger dan zij, dacht ze, en hij hield het beter in bedwang.

De voetstappen kwamen dichterbij. De gang. De trap naar het souterrain, zes treden van steen.

Zijn hand op haar arm verstrakte. Ze voelde hem bewegen, een kleine verschuiving van zijn gewicht, en ze begreep dat hij zich tussen haar en de deur had gezet. Tussen haar en de koffer. Tussen de deur en alles.

Ze deed iets waar ze later lang over na zou denken. Ze legde haar hand op zijn borst, plat, over zijn hart. Niet om hem tegen te houden. Om hem te laten weten dat ze er was.

Hij hield zijn adem in.

De voetstappen stopten op de onderste tree. Iemand stond in de gang, nog geen vier meter van de deur, die op een kier stond. Ze hoorde ademhaling. Ze rook iets: regen, natte wol, sigarettenrook.

Windjack, dacht ze. Honkbalpet.

Het alarm piepte. Hoog, dun, onophoudelijk.

En toen, met een schok die door de hele straat ging, sprong het licht weer aan.

Niet in de kluiskamer; het licht daar bleef uit, het moest eerst opnieuw worden ingeschakeld. Maar in de gang. De tl-buis boven de souterraintrap flikkerde, sprong, en scheen. Een rechthoek van wit licht viel door de kier van de deur over de vloer, tot vlak voor hun voeten.

En in de gang draaide iemand zich om en rende.

Ze hoorde het: schoenen op de stenen treden, de keuken, een stoel die omviel, het piepen van de tuindeur en een klap toen hij tegen de muur sloeg. Daarna alleen de regen.

Sebastiaan was al weg. Ze had hem niet voelen gaan. Het ene moment was hij er, warm en dichtbij en ademloos, het volgende was er alleen nog een koude plek tegen haar borst en zijn voetstappen op de trap.

'Niet doen!' riep ze. 'Sebastiaan, niet—'

Ze rende hem achterna. De keuken was licht en leeg. De stoel lag op de grond. De tuindeur stond open, en de regen sloeg naar binnen, en de tegels waren nat en vol modderige afdrukken van grote schoenen met een diep profiel. Buiten, in het licht van de keukenramen, zag ze hem staan, midden in de tuin, onder de gebroken tak van de moerbei, in zijn witte overhemd dat binnen een paar seconden doorweekt was en tegen zijn schouders plakte.

Hij keek naar de achtermuur. Naar het steegje. Er was niemand.

'Kom binnen,' riep ze vanuit de deuropening. 'Alsjeblieft. Kom binnen.'

Hij bleef nog een paar tellen staan. Toen draaide hij zich om en kwam terug, langzaam, met zijn armen langs zijn lichaam, en het water stroomde over zijn gezicht.

* * *

Ze deed de tuindeur dicht en draaide de sleutel twee keer om. Ze schoof de grendel ervoor, die bovenaan zat en die ze nog nooit had gebruikt, omdat hij stroef was. Hij was nu niet stroef.

Hij stond in de keuken te druipen op de tegels.

'Hij had een sleutel,' zei hij. Zijn stem was vlak. 'Het slot is niet geforceerd. Kijk.' Hij wees naar het slot. Er zat geen kras op. 'Hij had een sleutel van de tuindeur.'

'Wie heeft er een sleutel?'

'Ik. U. Verhagen.' Hij zweeg. 'En Hanneke. Zij heeft haar sleutels nooit ingeleverd. Ze is vertrokken in februari en ik heb de sloten niet laten vervangen, omdat—' Hij brak af en wreef met zijn hand over zijn gezicht. 'Omdat ik het niet nodig vond.'

'Dat was dom.'

'Ja.'

Ze pakte een theedoek, en daarna een tweede, en gaf ze hem. Hij nam ze aan zonder ze te gebruiken. Hij stond daar met twee theedoeken in zijn handen en water dat uit zijn haar droop, en zijn overhemd was doorzichtig van de regen, en ze zag de vorm van zijn schouders erdoorheen, en zijn borst, en een litteken dat schuin over zijn sleutelbeen liep, wit en glad.

Sirocco. Rotterdam.

'Het schilderij,' zei ze.

'Het ligt in de kist. De kist is vochtbestendig. Het is goed.' Hij haalde diep adem, en het kwam er trillerig uit. 'Het is goed.'

'En u?'

Hij keek haar aan.

'U stond tussen mij en de deur,' zei ze. 'In het donker. U wist niet wie het was. U wist niet of hij een wapen had.'

'U ook niet.'

'Ik stond niet tussen iemand en een deur.'

'U legde uw hand op mijn hart.' Zijn stem werd zachter. 'Ik weet niet wat erger was.'

Ze stonden tegenover elkaar in de keuken. De regen roffelde op de ramen. Ergens boven hen sloeg de klok half twaalf. Het licht van de tl-buis was hard en wit, het licht van een ziekenhuis, en ze zag alles van hem: de schaduwen, het litteken, zijn handen die nog steeds de theedoeken vasthielden, zijn ogen, die op haar gericht waren alsof hij haar voor het eerst echt zag.

Ze deed een stap naar voren. Ze pakte een van de theedoeken uit zijn hand. Ze legde hem over zijn hoofd, en wreef, voorzichtig, door zijn natte haar, zoals ze dat bij Fien deed toen ze klein was en uit bad kwam.

Hij bewoog niet. Hij boog alleen zijn hoofd een beetje, zodat ze erbij kon.

Ze wreef zijn haar droog. Zijn slapen. Zijn nek. Ze voelde zijn huid onder de stof, koud van de regen en daaronder warm. Ze voelde zijn adem tegen haar pols. Ze wist dat ze moest ophouden, en ze hield niet op.

Toen ze de doek wegnam, keek hij haar aan van heel dichtbij. Zijn haar stond alle kanten op. Hij zag er belachelijk uit en hij was het mooiste wat ze ooit had gezien.

'Esmée,' zei hij.

'Ja.'

Hij hief zijn hand. Hij hield hem vlak naast haar gezicht, zonder haar aan te raken, zo dichtbij dat ze de warmte van zijn handpalm op haar wang voelde.

'Mag ik?' vroeg hij.

Het waren dezelfde woorden die Lev altijd had gezegd. Mag ik? En toch klonk het zo anders dat ze er bijna om moest huilen. Bij Lev was het een formaliteit geweest, een beleefdheid voordat hij haar een centimeter verplaatste naar waar hij haar hebben wilde. Bij hem was het een vraag. Ze zag het aan zijn hand, die trilde. Hij zou hem laten zakken als ze nee zei. Hij zou zich omdraaien. Hij zou niet weglopen, dat had hij beloofd, maar hij zou wachten.

Ze legde haar eigen hand over de zijne en drukte hem tegen haar wang.

Zijn handpalm was ruw en koud en groot. Zijn duim lag op haar jukbeen. Ze sloot haar ogen. Ze voelde zijn duim bewegen, een heel klein stukje, langs de rand van haar onderlip.

Ze hoorde hem ademen. Ze voelde hoe dichtbij hij was, de warmte van zijn lichaam door de natte stof, zijn heup bijna tegen de hare. Ze wist dat als ze haar ogen opendeed, hij haar zou kussen, of zij hem, en dat er daarna geen weg meer terug was.

Ze opende haar ogen.

En haar telefoon, op het aanrecht, lichtte op.

Ze zagen het allebei. Het scherm, fel in de keuken. Een bericht. De afzender in vetgedrukte letters.

Floris Kalff.

Alles goed daar, lieverd? Hoorde dat de stroom uit is in het centrum. Is Bas thuis? Is hij bij de kluis?

Sebastiaans hand viel van haar wang.

Hij keek naar het scherm. Hij las het. Ze zag hem lezen, elk woord, langzaam, zoals hij een herkomstdocument las. Ze zag zijn gezicht niet veranderen. Dat was het ergste. Er gebeurde niets met zijn gezicht.

Toen keek hij haar aan.

Ze kon niets zeggen. Haar mond ging open en er kwam niets uit.

'Ga slapen,' zei hij. Heel zacht. Heel kalm. 'Ik blijf vannacht beneden bij de kist.'

Hij pakte zijn natte jasje van de stoel en liep naar het souterrain. Hij liep niet weg. Dat had hij beloofd. Hij liep alleen naar beneden, langzaam, met rechte schouders, de zes stenen treden af, de gang in, naar de grijze deur.

Ze hoorde de deur van de kluiskamer niet dichtgaan. Hij liet hem openstaan.

Ze bleef in de keuken staan tot de regen ophield, en dat duurde tot drie uur.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst