Zwart op Wit · hoofdstuk 19 van 40
19. De code
Het huis zonder hem was een ander huis.
Ze had het eerder alleen gehad, natuurlijk. Elke dag, van zeven tot elf. Maar dan wist ze dat hij terugkwam, laat, moe, met soep die op hem wachtte. Nu was het zaterdag, en hij was in Rotterdam tot zondagavond laat, en het huis voelde als een theater na de voorstelling: dezelfde stoelen, hetzelfde decor, maar zonder dat iemand ademde.
Ze maakte schoon omdat ze niet wist wat ze anders moest doen. Ze poetste het zilver dat al glom. Ze wreef de trap in, van boven naar beneden, deze keer. Ze waste de ramen aan de gracht, en zag de toeristen in de rondvaartboten naar haar kijken, een vrouw in zwart en wit achter glas, en ze vroeg zich af of ze dachten dat ze een actrice was, of een spook.
Om drie uur ging ze naar de studeerkamer om af te stoffen.
Het bureau was opgeruimd. Hij was haastig vertrokken, maar zelfs in haast legde hij alles recht. De mappen in de hoek. De loep in de houder. De vulpen, dop erop, precies schuin.
En in het midden van de groene leren inleg, waar nooit iets lag, lag een kaartje.
Het was een van zijn kaartjes, wit karton, en het lag met de beschreven kant naar boven. Ze zag het van de deur af. Ze liep erheen.
Kluis — klimaatbeheersing handmatig bij stroomuitval: schakelaar links onder het display, twee keer drukken.
En daaronder, in dezelfde kleine, strakke letters, zes cijfers.
4 1 1 6 6 1
Ze stond heel stil.
Het was de code. Het moest de code zijn. Hij had het opgeschreven, voor het geval de stroom weer zou uitvallen terwijl hij weg was. Zodat iemand de klimaatbeheersing kon redden. Zodat het eikenhouten paneel niet zou scheuren.
Zodat zij het kon redden.
Ze keek naar de cijfers. 4-1-1-6-6-1. Ze herkende er iets in, en het duurde een paar tellen voordat ze wist wat. 1661. Het jaartal van het schilderij. De Dienstbode, ca. 1661. En ervoor 41. Zijn leeftijd.
Haar handen waren koud, in de hitte.
Ze dacht aan Hanneke. Ik heb gekeken toen meneer hem intoetste. Ik heb het opgeschreven op een briefje. Een week later riep meneer me in de studeerkamer. Hij had het briefje.
Ze dacht aan de map met de Genève-mail, die altijd een beetje open lag. Aan Hanneke's stem: Hij was alsof hij erop had gewacht.
In dit huis wordt niets per ongeluk gezien.
Ze pakte haar telefoon uit haar schortzak. Ze opende de camera.
Ze hield hem boven het kaartje. Ze zag de cijfers op het scherm, scherp, in het zonlicht dat schuin door het raam viel. Eén druk op de knop. Eén bericht. Hier is de rest. En dan was het voorbij. Dan was Floris tevreden, en de man in het windjack zou niet meer bij Fien in de buurt komen, en haar schuld was weg en de tweede achtduizend kwam, en ze kon gaan waar ze wilde.
Haar duim hing boven de knop.
Ze dacht aan de kluiskamer in het donker, en zijn lichaam tussen haar en de deur. Ze dacht aan zijn handen om het schilderij, plat aan de randen, als een slapend kind. Ze dacht aan Scheveningen, een woord om te weten wie je kon vertrouwen.
Ze deed de camera uit.
Ze legde het kaartje om. Met de beschreven kant naar beneden. Ze legde het precies in het midden van de groene leren inleg, recht, zoals hij het zou hebben gelegd.
Toen ging ze de studeerkamer uit, en sloot de deur, en ging op de bovenste tree van de trap zitten met haar hoofd in haar handen, en trilde.
* * *
Floris belde om vijf uur.
'Lieverd,' zei hij. 'Hij is in Rotterdam.'
Ze zei niets.
'Hij is in Rotterdam tot morgenavond,' zei Floris. 'Bij een restaurator. Ik weet het, want het is ook mijn bedrijf en ik zie de declaraties. Je bent alleen in dat huis.' Een pauze. 'Dat is een kans die niet terugkomt.'
'Ik heb je gezegd dat ik het niet doe.'
'Je hebt me gezegd dat je het niet doet,' zei Floris, 'voordat ik je zus noemde.'
'Laat haar erbuiten.'
'Ik heb haar nergens bij betrokken. Ik noemde haar alleen.' Zijn stem was warm, redelijk, vriendelijk. 'Esmée. Ik vraag niet veel. Een code. Zes cijfers. Je hoeft niets te stelen. Je hoeft niemand pijn te doen. Je stuurt me zes cijfers, en ik stuur je achtduizend euro, en je zus kan haar stage afmaken zonder dat ze zich ooit zorgen hoeft te maken. Wat is daar erg aan?'
Ze keek naar de deur van de studeerkamer. Gesloten. Het kaartje erachter, omgekeerd.
'Het is niet van mij,' zei ze. 'De code. Het is niet van mij om te geven.'
'Alles is van iedereen, lieverd. Dat is de eerste les van de kunsthandel.' Hij zuchtte. 'Je hebt tot volgende week vrijdag. Dan is de voorbezichtiging. Daarna maakt het niet meer uit.'
Hij hing op.
Ze bleef zitten met de telefoon in haar hand. Ze hoorde buiten een rondvaartboot langs varen, een stem door een luidspreker in het Engels, and on your left you see one of the oldest canal houses in The Hague, en gelach.
Ze dacht: hij vertrouwt me. Hij heeft het opgeschreven en hij is weggegaan en hij vertrouwt me.
Of hij test me.
Ze wist niet welke van de twee erger was. Ze wist niet eens of het verschil uitmaakte.
* * *
Om zeven uur belde mevrouw Lindeman aan, met de tekkel en een schaal aardbeien.
'U bent alleen,' zei ze. 'Ik zag meneer gisteren met een koffer vertrekken. In dit weer moet niemand alleen zijn.'
Esmée liet haar binnen, omdat ze niet wist hoe ze nee moest zeggen, en omdat ze, tot haar eigen verbazing, blij was met een stem in het huis. Ze zaten in de tuin onder de moerbei, op de ijzeren stoelen, met de aardbeien en ijsthee, en de tekkel likte de paarse moerbeivlekken van het grind.
'Ik heb mevrouw Odile nog gekend,' zei mevrouw Lindeman, na een tijd. 'Mijn moeder was haar naaister. Ik kwam hier als meisje, in de jaren vijftig, als mijn moeder kwam passen. Ik zat in de keuken en kreeg limonade.'
Esmée zette haar glas neer.
'Haar naaister?'
'Ze maakte de uniformen.' Mevrouw Lindeman wees met haar kin naar Esmées jurk. 'Die. Het patroon is van mijn moeder. Mevrouw Odile kwam met een foto, ik weet het nog, ik was zeven. Een foto van een schilderij. Ze legde hem op de keukentafel en zei: Precies zo, Truus. Precies zo, maar zonder het borduursel in de kraag. Mijn moeder vroeg waarom zonder. En mevrouw Odile zei—' mevrouw Lindeman zweeg, en keek naar de moerbei, '—ze zei: Dat borduursel was van haar. Dat mag niemand anders dragen.'
Esmée voelde de haartjes op haar armen overeind gaan, in de hitte.
'Van wie?'
'Dat heb ik nooit begrepen. Ik was zeven.' Mevrouw Lindeman pakte een aardbei. 'Mijn moeder zei later dat mevrouw Odile het een keer had gehad over een meisje. Een dienstmeisje van vroeger, van voor de oorlog. Niet hier. Ergens anders. Een meisje dat niet meer thuiskwam.' Ze haalde haar schouders op. 'Mijn moeder vond het geen gesprek voor een kind. En mevrouw Odile was niet het soort vrouw dat je dingen vroeg.'
'Waarom vertelt u mij dit?'
Mevrouw Lindeman keek haar aan met die kleine, scherpe ogen.
'Omdat u het draagt,' zei ze. 'Hanneke droeg het als een schort. U draagt het alsof het iets betekent. Dan moet u ook weten dat het iets betekende, voor iemand. Voor u er was.'
Ze bleven zitten tot de zon achter de daken van het advocatenkantoor zakte. Toen mevrouw Lindeman weg was, met haar lege schaal en haar tekkel, ging Esmée naar boven en bekeek haar kraagje in de spiegeldeur. Klein, wit, rond als een maansikkel. In de punt, waar op het schilderij dat donkere motiefje zat, was niets. Alleen een paar gaatjes in de stof, zo klein dat je ze alleen zag als je het tegen het licht hield. Alsof daar ooit, op een eerder exemplaar, iets was ingenaaid en weer uitgehaald.
Dat mag niemand anders dragen.
Ze dacht aan de zwarte schriften, beneden in de kluis. Achter een deur met zes cijfers, die omgekeerd op een bureau lagen.
Ze ging niet naar beneden.
* * *
Ze sliep niet. Om twee uur 's nachts zat ze in de keuken met de deuren op slot en de grendel ervoor en het hangslot aan de tuindeur, en elk geluid in het huis klonk als een voetstap. De ventilator ratelde. De gracht rook naar algen. Om drie uur ging ze naar het raam van de bibliotheek en keek naar het steegje, en er stond niemand, en ze rook geen Gauloises, en ze voelde zich belachelijk.
Om half vier stuurde ze hem een bericht. Het eerste dat ze hem ooit stuurde zonder dat hij eerst had geschreven.
Je hebt de code op je bureau laten liggen.
Het antwoord kwam na vier minuten. Hij was wakker.
Ik weet het. Voor de klimaatbeheersing. In geval van stroomuitval.
Ze staarde ernaar.
Waarom ik? schreef ze.
Het bleef lang stil. Ze zag de drie puntjes verschijnen, en verdwijnen, en weer verschijnen.
Omdat er niemand anders is aan wie ik het zou willen geven.
Ze legde de telefoon op tafel. Ze legde haar hoofd op haar armen. Ze bleef zo zitten tot de meeuwen begonnen te krijsen.
* * *
Fien belde zondagochtend om negen uur vanuit Rijswijk. Op de achtergrond hoorde Esmée Margot iets roepen over croissants, en een kat die blies.
'Ze haat me echt,' zei Fien. 'De kat. Ze heeft in mijn schoen geplast.'
'Ben je veilig?'
'Ik ben veilig en mijn schoen niet.' Een pauze. 'Heb je het hem verteld?'
'Hij is in Rotterdam.'
'Esmée.'
'Hij komt vanavond terug.'
'En dan vertel je het.'
'Ja.'
Fien was even stil. 'Je klinkt anders,' zei ze toen. 'Wat is er gebeurd?'
Esmée keek naar het plafond, naar de studeerkamer twee verdiepingen lager, naar een kaartje dat met de beschreven kant naar beneden lag.
'Hij heeft me iets gegeven,' zei ze. 'Iets wat ik aan Floris had kunnen verkopen. En ik heb het niet gedaan.'
'Goed zo.'
'Het voelde niet als goed. Het voelde als—' ze zocht het woord, '—als die val. In de bibliotheek. Ik heb het je verteld. Op de bank. Zonder te tellen.'
'En?'
'En niemand heeft me opgevangen. Ik ben gewoon geland.' Esmée trok haar knieën op. 'Ik wil dat iemand me opvangt, Fien.'
'Dan moet je hem eerst laten zien waar je valt,' zei Fien. 'Anders weet hij niet waar hij moet gaan staan.'
Ze hing op om de croissants te redden. Esmée bleef met de telefoon in haar hand zitten en dacht dat haar zus, die met naald en draad van andermans oma's hoofdwonden had leren hechten, soms de wijste persoon was die ze kende.
* * *
Zondag was het nog heter. Ze droeg het uniform. Ze waste de kousen twee keer.
Om half twaalf 's avonds hoorde ze de voordeur.
Ze stond in de keuken. Ze hoorde de sleutels in de schaal. Ze hoorde zijn voetstappen op het marmer. Hij kwam niet naar beneden. Hij ging de trap op. De vierde tree. De zeventiende. Zijn slaapkamer op de tweede verdieping, de deur, en daarna de douche.
Ze wachtte. Ze telde. Ze kwam tot zesentachtig keer acht, en de douche hield op.
Ze ging naar boven.
Ze liep niet langs de studeerkamer, maar ze zag dat de deur dicht was. Ze liep de tweede trap op, naar de tweede verdieping, waar ze alleen kwam om schoon te maken als hij er niet was. De overloop was donker. Onder zijn slaapkamerdeur scheen een smalle streep geel licht.
Ze bleef ervoor staan.
Ze was nog in uniform. Ze had het niet uitgetrokken. Ze voelde de kousen strak om haar dijen, de clipjes zwaar, de schort met de strik in haar rug. Ze voelde het zweet op haar huid, en daaronder haar hartslag, overal.
Ze dacht aan alles wat ze hem moest vertellen. Het portiek. Goed meisje. De middelvinger. Fien. Ze dacht aan de code, omgekeerd op het bureau, en aan er is niemand anders.
Ze hief haar hand en klopte.
Eén keer. Zacht.
Ze hoorde hem bewegen, binnen. Een stoel die verschoof, of een bed dat kraakte. Voetstappen op het hout, naar de deur toe.
En ze kon het niet.
Ze kon het niet, nu, met haar huid gloeiend en haar hart in haar keel en al die woorden in haar mond die niet in de goede volgorde wilden staan. Als hij de deur opendeed, in zijn badjas, met nat haar en die ogen, dan zou ze hem niets vertellen. Dan zou ze hem kussen, of hem vragen haar polsen vast te houden, of op haar knieën gaan liggen op zijn vloer, en het zou allemaal echt zijn en allemaal gebouwd op iets wat ze niet had gezegd.
Ze draaide zich om. Ze liep naar de trap. Ze liep zo zacht als ze kon, op haar kousen, en sloeg de krakende treden over, en was op de derde verdieping voordat ze hoorde dat zijn deur openging.
Ze bleef staan op haar overloop, in het donker, met haar hand tegen de muur.
Beneden, op de tweede verdieping, was het stil. Hij riep haar niet. Hij kwam niet naar boven. Ze hoorde hem daar staan, in zijn deuropening, luisterend naar het lege huis.
Toen hoorde ze zijn deur weer dichtgaan. Zacht. Niet op slot.
Ze ging haar kamer in. Ze ging op de rand van haar bed zitten, in het uniform, en keek naar haar handen.
Haar telefoon lichtte op.
Ik heb je gehoord. Je hoeft het niet uit te leggen. De deur zit niet op slot. Niet vannacht, niet morgen. — S.
En daarna, een minuut later:
De restaurator in Rotterdam heeft iets gevonden onder de verf. Ik vertel het je als je wilt. Maar eerst wil ik horen wat jij me wilt vertellen. Ik zag het aan je gezicht, de laatste dagen. Ik weet dat er iets is. Ik vraag niet wat. Ik wacht.
Ze las het drie keer.
Toen stond ze op. Ze trok het uniform niet uit. Ze haalde haar handen door haar haar en maakte de strik van haar schort opnieuw, en deze keer was hij in één keer goed.
Ze keek naar zichzelf in de spiegeldeur. Een vrouw in zwart en wit, met rode wangen en ogen die niet meer zo groot waren als ze waren geweest.
'Morgen,' zei ze tegen de spiegel. 'Morgen vertel je het hem. Alles.'
De spiegel zei niets terug. Maar de vrouw erin knikte.