Zwart op Wit

Hoofdstuk 18 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 18 van 40

18. Hitte

In de tweede week van juni werd het dertig graden en het bleef dertig graden, ook 's nachts.

Het oude huis hield de warmte vast als een steen. Op de derde verdieping, onder het schuine dak, werd het zo heet dat Esmée om twee uur 's nachts met een natte handdoek op haar buik lag en naar het plafond staarde en luisterde naar de ventilator die ze bij de Action had gekocht, een wit plastic ding dat ratelde als een oude naaimachine. De gracht rook naar algen. De moerbei liet zijn bessen vallen, zwart en rijp, en ze barstten open op het grind en vlekten de stenen paars.

Het uniform was een marteling.

Lange mouwen. Zwart katoen. Kousen. Een schort over alles heen. Om tien uur 's ochtends plakte de jurk al aan haar rug. Om twaalf uur liep het zweet in straaltjes langs de binnenkant van haar dijen, onder het kant van de kousen, waar de jarretelles in haar huid drukten. Ze waste de kousen elke avond met de hand en hing ze in het raam, en 's ochtends waren ze droog en voelden ze als warm papier.

Ze trok het niet uit.

'Je bent gek,' zei Fien aan de telefoon. 'Je krijgt een hitteberoerte. Ik zie het elke dag op de SEH. Oude mensen in vesten. Jij bent een oud mens in een vest.'

'Het is een keuze.'

'Het is een slechte keuze.'

'Dat mag ook,' zei Esmée, en ze hoorde zelf dat ze het zei zoals Sebastiaan het zou zeggen.

* * *

Hij werkte thuis die week. Het veilinghuis had geen airco in de kantoren, alleen in de zaal en het depot, en hij zei dat hij beter kon denken met de ramen open en zijn voeten in een teil koud water, en dat deed hij ook, de eerste middag, tot ze hem zo zag zitten in de studeerkamer, met zijn broekspijpen opgerold en zijn bril op zijn neus, en zo hard moest lachen dat ze het dienblad bijna liet vallen.

'Mijn grootmoeder deed dit,' zei hij, beledigd. 'Elke zomer.'

'Je grootmoeder was zevenentachtig.'

'Ze was een verstandige vrouw.'

Hij keek naar haar. Naar de zweetdruppels op haar slapen. Naar de natte plek op het kraagje. Naar haar benen in de zwarte kousen, die glommen in het middaglicht.

'Trek het uit,' zei hij.

Ze verstijfde.

'Ik bedoel—' Hij nam zijn bril af. 'Ik bedoel het niet zo. Ik bedoel: het is dertig graden. Je hebt gezegd dat het je keuze is. Ik zeg alleen dat je die keuze ook kunt maken als het dertig graden is. Niemand zal het je kwalijk nemen. Ik niet. Verhagen niet. De naaister niet.'

'Ik weet het.'

'Waarom doe je het dan niet?'

Ze zette het dienblad neer op het bijzettafeltje. Ze ging door haar knieën, de linker. Ze kwam overeind.

'Omdat als ik het nu uittrek,' zei ze, 'omdat het warm is, het daarna altijd iets is wat ik draag als het niet warm is. Iets wat voor de koude dagen is. Dan is het weer een kostuum.' Ze veegde een lok haar van haar voorhoofd. 'Ik wil het uittrekken als ik dat besluit. Niet omdat het weer het besluit.'

Hij keek haar lang aan.

'Je bent eigenwijzer dan Verhagen dacht,' zei hij.

'Dat zei hij al.'

'Hij onderschatte je nog.'

* * *

Ze wilde het vragen. Elke dag, die week, wilde ze het vragen, en elke dag slikte ze het in.

Op donderdagavond, in de keuken, vroeg ze het toch.

Het was elf uur en nog steeds achtentwintig graden. Ze had alle ramen opengezet en de tuindeur ook, met het hangslot los, omdat er anders geen lucht was. Hij zat aan de keukentafel in een wit T-shirt met een glas ijswater. Zij stond bij het aanrecht met een bak ijsblokjes die ze net uit de vriezer had gehaald, en ze hield er een tegen haar pols, waar het bloed dicht onder de huid zat, zoals Fien haar had geleerd.

'Die vrouw,' zei ze. 'Na de veiling. Dat was Maud.'

Hij keek op.

'Ja,' zei hij.

'Ze kuste je.'

'Ze kust iedereen. Drie keer. Ze heeft een Belgische moeder.'

'Ze raakte je das aan.'

Hij zette zijn glas neer. Hij keek naar haar, en ze zag dat hij iets in haar gezicht las wat ze niet wilde dat hij las.

'Ze kwam me vertellen dat ze gaat trouwen,' zei hij. 'In september. Met een cardioloog uit Leiden. Ze wilde het zelf zeggen, niet dat ik het uit de krant hoorde.' Hij draaide het glas rond. 'Ze zei: Je ziet er beter uit, Bas. Je ziet eruit alsof je soms eet.'

Esmée voelde haar wangen warm worden, en niet van de hitte.

'En toen?' vroeg ze.

'Toen keek ze naar de achterste rij,' zei hij, 'en zei: Ah. Meer niet. Gewoon: Ah. En ze ging weg.'

Esmée draaide zich om naar het aanrecht. Ze legde het ijsblokje terug in de bak. Haar pols was koud en nat.

'Was je jaloers?' vroeg hij, achter haar.

'Nee.'

'Esmée.'

'Een beetje.'

Ze hoorde zijn stoel schuiven. Ze hoorde zijn blote voeten op de tegels. Hij kwam achter haar staan, zoals bij de koelkast, maar dichterbij. Ze voelde de warmte van zijn lichaam in haar rug, door het zwarte katoen, en het was een andere warmte dan die van de nacht. Hij raakte haar niet aan.

'Ik was ook jaloers,' zei hij zacht. 'Op Floris. Toen hij zijn hand op je knie legde. Ik wilde zijn vingers een voor een breken. Dat is niet beschaafd. Dat is niet wie ik ben.'

'Wie ben je dan?'

'Iemand die wacht,' zei hij. 'Ik heb je gezegd dat ik wacht. Maar dat betekent niet dat het me niets doet.'

Hij stak zijn hand langs haar heen en pakte een ijsblokje uit de bak.

'Mag ik?' vroeg hij.

Ze wist niet waarvoor. Ze knikte toch.

Hij legde het ijsblokje in haar nek. Net boven het kraagje, op de bovenste wervel, waar haar haar in een knot zat en de huid bloot was. Het was zo koud dat ze naar adem hapte. Haar hele lichaam schokte, één keer, van haar nek tot haar stuitje.

'Stil,' zei hij. 'Blijf stil staan.'

Ze bleef stil staan.

Hij hield het ijsblokje daar. Ze voelde het smelten. Ze voelde een druppel ijswater langs haar ruggengraat lopen, onder het katoen, tussen haar schouderbladen, steeds lager, tot het tegen de strik van haar schort aankwam en daar bleef hangen. Ze voelde zijn vingers die het ijsblokje vasthielden, warm tegen haar koude huid, en het verschil was zo scherp dat het bijna pijn deed.

Hij bewoog het ijsblokje. Langzaam. Langs haar hals, naar de zijkant, onder haar oor, naar de plek waar haar hart klopte. Hij hield het daar. Ze voelde haar hartslag tegen het ijs bonzen, wild, als een vogel tegen een raam.

'Je hart,' zei hij. 'Ik voel het door het ijs.'

Ze kon niet praten. Ze stond met haar handen op het aanrecht, haar ogen dicht, haar hoofd een klein beetje opzij, zodat hij erbij kon. Ze had het niet besloten. Haar lichaam had het besloten. Haar tepels waren zo hard dat het pijn deed tegen de stof, en tussen haar dijen, onder de natte kousen, klopte iets wat helemaal niet koud was.

Het water liep van haar hals naar haar sleutelbeen en verdween onder het kraagje, tussen haar borsten.

'Kleur?' vroeg hij zacht.

Ze opende haar ogen. Ze keek naar het donkere raam boven het aanrecht. Ze zag hun spiegelbeeld: zij, in het zwart en wit, met haar hoofd opzij, en hij erachter, groot en donker, met zijn hand aan haar hals.

Ze had hem nooit verteld over de kleuren. Ze hadden het er nooit over gehad. Maar ze wist wat hij bedoelde, zoals je weet wat iemand bedoelt in een taal die je nooit hebt geleerd en toch spreekt.

'Ik weet het niet,' fluisterde ze.

'Dan stop ik.'

Hij nam het ijsblokje weg. Hij legde het in de gootsteen. Hij deed een stap achteruit, en de lucht tussen hen werd warm en leeg.

Ze draaide zich om. Haar hals was nat. Haar kraagje ook. Ze keek naar hem.

'Waarom stop je?' vroeg ze. 'Ik zei niet ophouden.'

'Je zei: ik weet het niet.' Hij keek haar aan. 'Als je het niet weet, is het geen ja. Dan is het oranje. En als het oranje is, dan stop ik en dan vraag ik het later opnieuw.'

'Oranje.'

'Groen is doorgaan. Oranje is wacht, langzamer, ik weet het niet. Rood is stop.' Hij zei het eenvoudig, als iemand die de kleuren van een verkeerslicht uitlegt aan een kind. 'En je woord. Scheveningen. Dat is alles stop, meteen, en dan praten we, en dan is het voorbij voor die avond.'

'Wanneer heb je dat bedacht?'

'Dat bedenken mensen al heel lang,' zei hij. 'Ik heb het gelezen. Na de zweep. Ik wilde weten hoe het moet. Niet hoe het kan. Hoe het moet.' Hij keek naar zijn handen. 'Ik wil het goed doen, Esmée. Als het ooit gebeurt. Ik wil het niet doen zoals ik paardreed in Rotterdam.'

Ze keek naar hem. Naar die man die soep uit de pan at en zeep kocht die niet uitmaakte, en die boeken had gelezen over stoplichten en stopwoorden omdat hij het goed wilde doen.

Ze had nog nooit iemand zo graag willen kussen.

Ze liep langs hem. Ze ging de keuken uit.

* * *

Op de trap, halverwege, bleef ze staan. Op de zeventiende tree, die kraakte. Ze hoorde hem beneden. Hij spoelde de glazen om.

Ze dacht aan Floris. De volgende keer de rest.

Ze pakte haar telefoon uit haar schortzak en opende het gesprek. Ze typte, met duimen die nog nat waren van het ijs:

Ik kom niet in de kluis. Ik ga het niet proberen. Ik geef je geen code. Ik betaal je terug, in termijnen.

Ze keek ernaar. Haar hart klopte. Ze dacht aan de man op de markt. Aan Hanneke was dom. Aan anders vertelt hij de baas hoe hij aan zijn nieuwe huishoudster kwam.

Ze drukte op verzenden.

Het antwoord kwam binnen een minuut.

Jammer, lieverd. Je hebt nog anderhalve week. Denk aan je zus.

Ze staarde naar de laatste drie woorden. Denk aan je zus.

Ze had Fien nooit genoemd. Niet op het Plein. Niet in een bericht. Nooit.

Ze ging op de trap zitten. De zeventiende tree kraakte onder haar. Beneden hoorde ze het water ophouden met stromen, en zijn voetstappen, en daarna stilte. Hij kwam niet naar boven. Hij wachtte, dacht ze. Zoals altijd.

Ze keek naar haar telefoon. Ze dacht aan de man in het windjack, aan de Gauloises, aan Laak, aan de flat op twee hoog met het balkon dat uitkeek op een ander balkon.

Ze belde Fien. Fien nam op, slaperig, na de vierde keer.

'Wat?' mompelde ze.

'Doe je deur op slot,' zei Esmée. 'Ook de grendel. Doe niet open voor iemand die je niet kent.'

'Esmée, het is één uur—'

'Alsjeblieft.'

Het bleef stil.

'Oké,' zei Fien, wakker nu. 'Oké. Wat is er?'

'Morgen,' zei Esmée. 'Ik vertel het je morgen.'

Ze hing op en bleef zitten tot haar benen sliepen. Toen stond ze op, en ging niet naar boven, maar naar beneden. Naar de keuken. Naar de deur van de eetkamer. Naar het dressoir.

Ze legde haar hand op de koperen greep van de bovenste la.

Ze trok hem niet open. Nog niet. Maar ze bleef staan met haar hand erop tot het metaal warm was van haar huid, en ze dacht: als ik het hem vertel, dan vertel ik het hem helemaal. Ook het bericht vanuit het portiek. Ook goed meisje. Ook dat ik heb gelogen over zijn middelvinger.

En dan pas, als hij dat allemaal weet, mag hij mijn polsen vasthouden.

Ze liet de greep los. Ze ging naar boven. Ze lag in zijn trui, hoewel het achtentwintig graden was, en zweette, en sliep.

* * *

Ze ging de volgende ochtend om zeven uur naar Laak, voordat hij wakker was, met een briefje op de keukentafel: Bij Fien. Om twaalf uur terug. Er is koffie. — E.

Fien zat op het balkon in een hemdje met een kop thee en zag eruit alsof ze niet meer had geslapen. Esmée vertelde het haar. Alles, dit keer. Het Plein. Het geld. De berichten. De man op de markt met zijn olijven en zijn Gauloises. Het portiek aan de Herman Costerstraat. Goed meisje. En gisteravond. Denk aan je zus.

Fien luisterde zonder haar te onderbreken. Dat deed ze nooit, en Esmée begreep daardoor hoe ernstig het was.

'Oké,' zei Fien ten slotte. 'Twee dingen. Eén: je gaat dit aan hem vertellen. Vandaag. Niet morgen, niet als je het hebt opgelost, want je gaat het niet oplossen, Esmée, je bent een balletdanseres met een kapotte knie en hij is een man met een jacht en een privédetective.'

'Hij is geen detective.'

'Hij rookt Gauloises en hij weet hoe ik heet. Hij is iets.' Fien zette haar kop neer. 'Twee: ik ga een week bij Margot logeren. Ze heeft een logeerkamer en een kat die me haat, en het is in Rijswijk, en niemand weet dat ik daar ben.'

'Fien—'

'Niet omdat ik bang ben.' Fien keek haar aan, met die grijze ogen met het bruine vlekje. 'Omdat jij bang bent. En als jij bang bent, ga je dingen doen die dom zijn. Dat heb je altijd gedaan. Je bent gaan dansen op een knie die al drie weken pijn deed omdat je bang was dat Lev je rol aan een ander zou geven.'

Esmée zei niets. Het was waar.

'Vertel het hem,' zei Fien. 'Hij heeft een woord met je afgesproken voor als iets te veel wordt. Dit is te veel. Dit is je woord.'

'Het is niet zo'n woord.'

'Elk woord is zo'n woord, als je het meent,' zei Fien, en ze stond op om haar tas te pakken.

Op de terugweg, in de tram, oefende Esmée de zinnen. Ik heb je niet alles verteld. Ik heb hem iets gestuurd over je hand. Hij weet van Fien. Ze zei ze geluidloos, met haar lippen, tegen het raam, tot een oude man tegenover haar ongemakkelijk ging verzitten.

Toen ze om twaalf uur thuiskwam, was het huis leeg. Op haar briefje stond, onder haar eigen woorden, in vulpen:

Spoedafspraak Rotterdam, tot zondagavond laat. Er is iets met het schilderij. Ik leg het uit als ik terug ben. Doe de tuindeur op slot. — S.

Ze ging aan de keukentafel zitten met het briefje in haar hand. Ze had alle zinnen klaar. Er was niemand om ze tegen te zeggen.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst