Zwart op Wit

Hoofdstuk 17 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 17 van 40

17. De veiling

Ze leende een jurk van Margot.

Margot had er drie, uit de tijd dat ze nog naar premières ging, en ze legde ze alle drie op haar bed in haar flat in Rijswijk en keek ernaar alsof het oude vrienden waren. 'De groene is voor als je wilt dat iedereen naar je kijkt,' zei ze. 'De rode is voor als je wilt dat één iemand naar je kijkt. De zwarte is voor als je wilt dat ze zich afvragen waarom ze niet kijken.'

Esmée nam de zwarte.

Hij was eenvoudig, van zware zijde, tot op de knie, met smalle bandjes en een rug die tot onder haar schouderbladen open was. Ze droeg er geen beha onder; dat kon niet. Ze droeg haar eigen zwarte panty, geen kousen. Ze deed haar haar in een lage knot en droeg het zilveren enkelbandje van haar moeder, dat ze sinds het ziekenhuis niet meer had omgedaan.

In de spiegel van Margot zag ze iemand die ze niet kende. Geen danseres. Geen huishoudster. Een vrouw van negenentwintig op weg naar een veiling.

'Je ziet er gevaarlijk uit,' zei Margot.

'Dat is de bedoeling niet.'

'Dat is altijd de bedoeling,' zei Margot, en ze kuste haar op haar wang.

* * *

Het veilinghuis aan het Noordeinde was een voormalig herenhuis dat van binnen was uitgehold tot één grote zaal, met een glazen dak en wanden in diep grijsblauw. Er stonden rijen klapstoelen, misschien tweehonderd, en ze waren bijna allemaal bezet. Mannen in pak, vrouwen in mantelpakjes, een paar jonge mensen met laptops op hun knieën. Achterin, langs de wand, een rij tafeltjes met telefoons en vrouwen met koptelefoons die voor bieders aan de andere kant van de wereld spraken.

Vooraan stond de lessenaar. Donker hout, verhoogd, met een kleine lamp en een houten hamer.

Ze ging achterin zitten, aan het eind van een rij. Ze had een catalogus gekregen bij de ingang, dik en glanzend. Voorjaarsveiling Oude Meesters. 112 kavels. Ze bladerde erdoor. Landschappen, stillevens, een portret van een man met een plooikraag die eruitzag alsof hij last had van zijn maag. Geen Dienstbode.

Om half acht werd het stil.

Hij kwam van de zijkant, door een deur die ze niet had gezien. Hij droeg een zwart pak, wit overhemd, een donkerblauwe das. Hij liep niet snel en niet langzaam. Hij liep naar de lessenaar alsof hij een kamer binnenliep die van hem was, en de zaal werd nog stiller.

Hij legde zijn hand op het hout. Hij keek de zaal in.

Hij zag haar. Ze wist het meteen. Zijn blik ging over de rijen, systematisch, van voor naar achter, en bleef een halve seconde op haar hangen. Niets in zijn gezicht veranderde. Alleen zijn hand, op de lessenaar, spreidde zich een klein beetje.

'Goedenavond,' zei hij. 'Kavel één.'

* * *

Ze had nooit een veiling gezien. Ze had gedacht dat het snel zou gaan, en luid, met een man die getallen afratelde als een marktkoopman. Het was niets van dat alles.

Hij sprak rustig. Hij noemde het kavel, de kunstenaar, het jaartal, in één zin. Hij noemde het startbod. En dan wachtte hij. Hij keek de zaal in, en de zaal keek terug, en ergens ging een hand omhoog, of een kaartje met een nummer, of een vrouw aan de telefoontafel tilde haar vinger op. Hij zag het. Hij zag alles. Hij noemde het nieuwe bedrag. Hij wachtte weer.

Het was een dans, besefte ze na het derde kavel. Het was precies een dans. Hij leidde, en tweehonderd mensen volgden, en ze wisten niet dat ze volgden. Hij wist wanneer hij moest versnellen en wanneer hij moest wachten. Hij wist wie er nog wilde en wie er bijna was opgehouden. Hij keek naar een man op de derde rij die al twee keer had geboden, en hij zei niets, hij keek alleen, en de man stak zijn hand nog een keer op.

Hij hield de hamer omhoog. Niet hoog. Net boven het hout. Hij wachtte.

'Eenmaal,' zei hij. 'Andermaal.'

De zaal hield zijn adem in. Zij ook.

Tik.

'Verkocht. Aan nummer zevenenveertig.'

Ze voelde het tot in haar tenen. Dat kleine, droge tikje van de hamer op het hout. Het was het meest beheerste geluid dat ze ooit had gehoord. Het was een beslissing, en hij nam haar, en niemand twijfelde eraan.

Ze dacht aan de rijzweep. Een tik op de schouder, licht, op het juiste moment. Zodat het paard weet: ik zie je.

Ze sloeg haar benen over elkaar en weer terug. Haar huid gloeide onder de zijde. Ze voelde de koele lucht van de zaal op haar blote rug, en tegelijk een warmte die van binnenuit kwam en zich verspreidde, van haar borst naar haar buik naar haar dijen. Haar tepels stonden hard tegen de dunne stof, zichtbaar, wist ze, voor wie keek. Ze sloeg haar armen niet over elkaar. Ze liet het.

Hij keek. Niet vaak. Bij elk kavel één keer, een halve seconde, over de hoofden van tweehonderd mensen heen, naar haar. Alsof hij een bod controleerde.

* * *

In de pauze, na kavel vijftig, ging Floris naast haar zitten.

Ze had hem niet zien aankomen. Hij was er opeens, op de stoel naast haar, die leeg was geweest, in een lichtgrijs pak en een roze das, met een glas champagne in zijn hand en een tweede voor haar.

'Lieverd,' zei hij. 'Je ziet er onweerstaanbaar uit.'

'Dank je.'

'Heeft hij je uitgenodigd?'

'Ja.'

'Interessant.' Hij gaf haar het glas. Ze nam het aan, omdat je dat deed. 'Hij nodigt nooit iemand uit. Maud is hier in vijf jaar huwelijk twee keer geweest.' Hij nam een slok. 'Je doet het goed.'

'Ik doe niets.'

'Je doet precies genoeg.' Hij boog naar haar toe. Zijn adem rook naar champagne. 'Over drie weken is er een besloten voorbezichtiging. Hier. Alleen genodigden. Twintig, dertig mensen. Een avond voor de zomerveiling. Hij wil De Dienstbode dan laten zien aan een paar mensen van een commissie. Restitutie, lieverd. Weet je wat dat is?'

'Nee.'

'Dat je iets teruggeeft wat je eerlijk hebt gekocht omdat iemand zich daar tachtig jaar later schuldig over voelt.' Floris glimlachte. 'Hij wil het weggeven. Een schilderij van vier miljoen. Aan mensen die hij niet kent. Het veilinghuis gaat eraan kapot. Mijn huis. Zijn huis. Alle mensen die hier werken.'

Ze keek naar de lessenaar, waar Sebastiaan niet meer stond. De hamer lag op het hout.

'Waarom vertel je me dit?'

'Omdat je moet weten waarom ik het doe.' Hij legde zijn hand op haar knie. Op de zijde, net boven haar knie. Het was een lichte aanraking, vriendelijk bijna. Ze verstijfde. 'Ik ben de slechterik niet, Esmée. Ik probeer een bedrijf te redden van een man die zich schuldig voelt over zijn grootvader.'

Ze keek naar zijn hand. Ze keek naar hem.

'Haal je hand van mijn knie,' zei ze.

Hij keek haar aan, even verrast. Toen lachte hij, en haalde zijn hand weg, en hief hem op, speels.

'Natuurlijk, lieverd. Sorry.' Hij stond op. 'De code. Ik heb hem nodig voor de voorbezichtiging. Dan gaat het schilderij van het huis naar hier, en dan is het te laat.' Hij keek op haar neer. 'Je hebt nog drie weken. Daarna wil ik mijn geld terug. Dat weet je.'

Hij liep weg, met zijn champagne, terug naar de voorste rijen.

Ze zette haar glas onder haar stoel. Ze had er niet uit gedronken. Haar knie brandde waar zijn hand had gelegen, maar het was een andere brand. Koud.

Toen keek ze op, en zag Sebastiaan.

Hij stond in de deuropening aan de zijkant, de deur waar hij uit was gekomen. Hij keek naar haar. Hij had alles gezien. De stoel. De champagne. De hand op haar knie.

Zijn gezicht was volkomen uitdrukkingsloos. Maar zijn kaak bewoog, die kleine spier onder zijn oor, en hij keek niet naar Floris. Hij keek alleen naar haar.

* * *

Het laatste kavel was een klein stilleven met een citroen en een zilveren beker, en het ging voor drie keer de schatting naar een telefoonbieder in Hongkong. De zaal klapte. Hij knikte, één keer, legde de hamer neer en stapte van de lessenaar.

Mensen stonden op, praatten, zochten hun jassen. Esmée bleef zitten. Ze keek naar hem, vooraan bij het podium, waar mensen om hem heen kwamen staan: een oudere man die hem op de schouder klopte, twee vrouwen met catalogi, een jongen die iets vroeg en een visitekaartje kreeg.

En een vrouw.

Ze was lang, langer dan Esmée, met blond haar tot op haar schouders en een camelkleurige jas over een witte jurk. Ze was misschien veertig. Ze liep niet naar hem toe zoals de anderen, wachtend op haar beurt. Ze liep recht door het groepje heen, en de anderen gingen opzij, en ze legde haar hand op zijn arm en kuste hem op zijn wang. Links. Rechts. Links.

Hij bewoog niet weg.

Ze zei iets, met haar mond dicht bij zijn oor. Hij antwoordde kort. Ze lachte, met haar hoofd een beetje achterover, en raakte met twee vingers de knoop van zijn losgemaakte das aan, alsof ze hem wilde rechttrekken, en deed het toen niet.

Esmée voelde iets in haar borst samentrekken. Koud en scherp en volkomen onredelijk.

Ze wist wie het was voordat ze het wist. Ze had haar gezicht gezien, klein en glimlachend, in een trouwaankondiging uit 2014.

Maud van Rhijn.

De vrouw draaide zich om, en haar blik ging door de zaal, onverschillig, over de lege rijen klapstoelen, en bleef heel even op Esmée hangen. Op de zwarte zijde. Op het zilveren enkelbandje. Op haar gezicht. Er gebeurde iets in haar ogen, een klein, nieuwsgierig oplichten, zoals bij iemand die een onbekend schilderij ziet in een bekende kamer.

Toen liep ze weg, door de zijdeur, en was verdwenen.

Sebastiaan keek haar niet na. Hij keek naar de achterste rij. Naar Esmée.

Ze stond op en liep naar de garderobe, en ze voelde haar wangen gloeien, en ze vertelde zichzelf dat het van de champagne was die ze niet had gedronken.

* * *

Na de veiling liep ze naar de garderobe.

Het was een smalle gang achter de zaal, met kapstokken en een balie waar niemand meer achter stond. De jassen waren bijna allemaal opgehaald. Het licht was gedimd. Ze zocht haar eigen jas, de zwarte trenchcoat, tussen de laatste paar.

'Esmée.'

Ze draaide zich om.

Hij stond aan het eind van de gang. Hij had zijn das losgemaakt. Zijn haar was in de war, alsof hij er met zijn handen doorheen was gegaan. Hij kwam naar haar toe, langzaam, en bleef staan op een armlengte.

'Je was goed,' zei ze, voordat hij iets kon zeggen. 'Ik bedoel—je bent goed. Heel goed. Ik snap het nu. Waarom ze kijken.'

'Waarom keken ze?'

'Omdat je weet wat ze willen voordat ze het zelf weten. En je wacht. Je wacht tot ze het durven.' Ze slikte. 'Dat is wat je met mij doet.'

Hij zei niets. Hij keek naar haar. Naar de zwarte zijde. Naar haar blote schouders, haar armen, de diepe uitsnijding in haar rug die hij niet kon zien maar die hij, wist ze, had gezien toen ze naar de garderobe liep. Naar haar tepels, die zich nog steeds aftekenden tegen de stof. Hij liet haar zien dat hij keek. Hij keek niet weg.

'Hij raakte je aan,' zei hij.

'Ik heb gezegd dat hij moest ophouden.'

'Dat zag ik.' Zijn stem was laag en rauw. 'Ik zag je gezicht. Je was niet bang. Je was boos.' Hij kwam een halve stap dichterbij. 'Ik heb er vierenvijftig kavels over gedaan om hem niet van zijn stoel te trekken.'

'Dat had je niet gedaan.'

'Nee. Ik doe nooit iets als ik boos ben.' Zijn mondhoek bewoog. 'Dat heeft mijn grootmoeder me geleerd. Met paarden.'

Ze stond met haar rug tegen de kapstok. De laatste jassen hingen om haar heen, zwaar en wollig, en ze rook ze: parfum van vreemden, regen, sigarenrook. En hem. Hij was zo dichtbij dat ze de warmte van zijn lichaam voelde door de zijde.

Hij hief zijn hand. Hij hield hem naast haar gezicht, net als in de keuken na het onweer. Hij raakte haar niet aan.

'Mag ik?' vroeg hij.

Ze knikte.

Hij legde zijn hand op haar hals. Niet op haar wang. Op haar hals, aan de zijkant, onder haar oor, op precies de plek waar haar hart klopte. Zijn handpalm was warm en droog. Zijn duim lag op haar kaak. Ze voelde haar hartslag tegen zijn vingers bonzen, snel en hard, en ze wist dat hij het voelde.

'Je telt niet,' zei hij zacht.

'Nee.'

Hij boog zich naar haar toe. Langzaam. Zo langzaam dat ze elke centimeter voelde. Ze zag zijn ogen, donkerbruin met die lichtere rand. Ze zag het kleine litteken op zijn onderlip. Ze voelde zijn adem op haar mond, warm, met een vleug van de whisky die hij na de veiling had gedronken.

Ze sloot haar ogen.

Zijn lippen waren een ademtocht van de hare. Ze voelde ze bijna. Ze voelde de warmte ervan, het elektrische trillen van de lucht ertussen. Haar hele lichaam strekte zich naar hem uit, van haar borst tot haar heupen, als een bloem naar licht.

En toen zag ze, achter haar gesloten ogen, haar telefoon. Het bericht. Goed meisje. Blijf kijken. De volgende keer de rest.

Ze opende haar ogen.

'Nee,' fluisterde ze. 'Niet—niet nu.'

Hij stopte. Een ademtocht van haar mond. Hij bewoog niet verder.

Ze dook onder zijn arm door. Ze pakte haar jas van de kapstok. Ze liep de gang uit, de zaal door, langs de lege klapstoelen en de lessenaar met de hamer, de voordeur uit, het Noordeinde op, in de koele lucht van de meinacht.

Ze liep tot ze bij het paleis was. Ze bleef staan bij het hek, met haar handen om de koude spijlen, en ademde.

Haar mond brandde. Hij had haar niet eens gekust.

Achter haar, op het Noordeinde, hoorde ze voetstappen. Ze draaide zich om. Hij was het niet. Het was een jongen met een hond.

Ze stond nog lang bij het hek. Toen pakte ze haar telefoon en schreef hem.

Het spijt me. Het ligt niet aan jou.

Het antwoord kwam binnen een minuut.

Ik weet het. Ik wacht. Ik heb je gezegd dat ik dat kan.

En daarna, een minuut later:

Maar Esmée: wat het ook is dat je eerst moet oplossen, je hoeft het niet alleen te doen.

Ze huilde, bij het hek van het paleis, met de tranen koud op haar wangen in de nachtwind.

Ze wist niet hoe ze hem moest vertellen dat het iets was wat ze zelf had kapotgemaakt.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst