Zwart op Wit · hoofdstuk 2 van 40
2. Het bureau
In de eerste week leerde Esmée dat Sebastiaan Roelofsz geen man was die in een huis woonde, maar een man die er af en toe doorheen trok, zoals weer door een landschap.
Hij vertrok tussen zes en zeven. Soms hoorde ze hem, soms niet. Soms stond er een kop koffie half leeg op het aanrecht, met een kring op het marmer die ze met citroen moest wegpoetsen. Soms was er niets, en wist ze alleen dat hij weg was omdat zijn colbert niet meer over de stoel hing. Hij kwam terug tussen elf en twee. Eén keer, op donderdag, kwam hij om half vijf 's middags binnen, liep zonder iets te zeggen naar boven, en vertrok drie kwartier later in een ander pak.
Ze zag hem in die week vier keer, en sprak hem drie keer. Hun gesprekken waren kort en praktisch.
'Er is geen zeep meer voor de vaatwasser.'
'Koop zeep.'
'Welke?'
'Maakt niet uit.'
'Het maakt altijd uit.'
Hij keek op van zijn telefoon. 'Koop de duurste. Dan hoeven we er niet meer over te praten.'
Ze kocht de goedkoopste, omdat de duurste naar seringen rook en de keuken al naar hem rook: naar koffie en scheerzeep en iets droogs en houtachtigs dat ze pas later zou herkennen als de geur van oud doek en vernis.
Hij zei er niets van. Of hij merkte het niet, of hij merkte het en vond het niet de moeite waard. Ze wist niet welke van de twee haar meer stoorde.
* * *
Op dinsdag maakte ze voor het eerst de studeerkamer schoon.
Ze klopte, hoewel ze wist dat hij er niet was, en wachtte drie tellen voor ze de deur opende. Binnen was het schemerig; de zware gordijnen waren half dicht. De kamer was groter dan ze had verwacht, met twee hoge ramen op de gracht en wanden die van vloer tot plafond met boeken waren bedekt. Geen romans. Catalogi. Honderden, misschien duizenden, op rug geordend, op jaartal. Christie's Amsterdam 1998. Sotheby's Old Masters 2004. Dorotheum Wien. Lempertz Köln. Daartussen dikke monografieën met namen die ze kende van de musea waar ze als kind met haar moeder naartoe was gegaan: Vermeer, De Hooch, Ter Borch, Steen.
Het bureau was een donker, massief ding met een groene leren inleg. Er lagen stapels papier op, maar niet rommelig. Alles lag in rechte hoeken, de randen van de mappen evenwijdig aan de rand van het bureau. Een loep in een houder. Een lamp met een daglichtlamp. Een vulpen, dop erop, precies schuin.
Niets verplaatsen. Hij weet waar alles ligt.
Ze stofte rondom. Ze tilde de lamp op, veegde eronder en zette hem terug op het afdrukje dat hij in het stof had achtergelaten. Ze raakte de papieren niet aan. Alleen de bovenste map, in de rechterhoek, lag een beetje open, en ze kon niet anders dan zien wat erop stond: een foto van een schilderij, een interieur met een geblokte vloer, een vrouw bij een raam. Daaronder getypte tekst, in het Engels, met in de kantlijn potloodnotities in diezelfde kleine, strakke letters.
Herkomst 1938–1946 ONDUIDELIJK, stond er, twee keer onderstreept.
Ze liet de map liggen, precies zoals hij lag, en ging verder met de vensterbank.
Toen ze de volgende ochtend weer schoonmaakte, lag dezelfde map op dezelfde plek, in dezelfde hoek, op dezelfde manier een beetje open. Er waren andere papieren verschoven, er stond een nieuwe kop koffie op de onderzetter, de vulpen lag nu andersom. Maar die ene map lag er nog precies zo. Alsof iemand had gewild dat hij gezien werd.
Ze dacht er niet lang over na. Een man die zo leefde, dacht ze, legde dingen neer en vergat ze. Dat was het makkelijkste antwoord en ze nam het.
* * *
Het gebeurde op vrijdagavond, en het gebeurde per ongeluk. Dat zou ze later steeds benadrukken, tegen zichzelf en tegen hem: de eerste keer was echt per ongeluk.
Hij was om negen uur thuis, wat voor zijn doen vroeg was. Ze had een ovenschotel met aardappel en prei gemaakt, omdat dat iets was wat hij uit één bord kon eten zonder dat het eruitzag als een kantoorlunch. Ze had een bord en bestek op de keukentafel gelegd, met het kaartje ernaast: Bord. Zoals gevraagd.
Hij at zittend. Dat was het eerste wat haar opviel. Hij zat aan het hoofd van de keukentafel, zijn jasje uit, zijn das los, en at met een langzaamheid die ze niet van hem kende, alsof hij voor het eerst sinds dagen proefde wat hij at.
'Het is goed,' zei hij, zonder op te kijken.
'Dank u.'
'Waar heeft u leren koken?'
'Op tournee. Als je met twintig danseressen in een hotel in Lyon zit en het restaurant sluit om negen uur, leer je wat er in een waterkoker kan.'
Hij keek op. 'Danseressen.'
'Ik zat bij het Nationale Ballet.'
'Zat.'
'Mijn knie had andere plannen.'
Hij knikte, langzaam, en ze zag dat hij iets in zichzelf opsloeg, zoals hij een notitie in een kantlijn zou zetten. Hij vroeg niet verder, en ze was hem daar dankbaar om, en tegelijk een beetje teleurgesteld.
Ze begon de vaatwasser in te ruimen. Het was een oud model, laag, en het onderste rek liep stroef. Ze moest bukken om het eruit te trekken. Ze deed het zoals ze alles deed sinds haar operatie: haar rechterbeen gestrekt, de knie op slot, en dan vanuit haar heupen voorover, rug recht, zoals een danseres een buiging maakt. Het was efficiënter dan door haar knieën gaan, en het deed geen pijn.
Ze dacht er niet bij na. Ze dacht aan het rek, dat klemde, en aan een vork die tussen de wieltjes was geschoten.
Pas toen ze de vork eruit had en overeind kwam, zag ze zijn gezicht in de donkere ruit van de ovendeur.
Hij keek naar haar. Niet naar haar gezicht. Hij keek naar de plek waar ze net nog had gestaan, gebogen, en waar de zoom van haar jurk omhoog moest zijn gekropen tot ver boven het kant van haar kousen. Ze voelde nu pas de koele lucht op de achterkant van haar dijen, op de huid tussen de kousen en haar ondergoed, waar de dunne bandjes van de jarretelles strak hadden gestaan.
Ze draaide zich om.
Hij keek meteen weg, naar zijn bord, maar niet snel genoeg. En ze zag nog iets anders, iets wat hij niet kon verbergen omdat hij zat en zijn servet op tafel lag in plaats van op zijn schoot. In de donkere stof van zijn broek, tegen de binnenkant van zijn dij, tekende zich een duidelijke vorm af. Zijn penis, stijf, onmiskenbaar. Een erectie die er twee minuten geleden niet was geweest.
Hij merkte dat ze het zag. Zijn kaak bewoog weer, die kleine spier onder zijn oor. Hij legde zijn vork neer, langzaam, precies evenwijdig aan zijn mes. Toen stond hij op, met zijn rug naar haar toe, en pakte zijn colbert van de stoel.
'Het was erg lekker,' zei hij, tegen de deur. 'Goedenacht.'
En hij was weg.
* * *
Ze stond lang in de keuken. Haar wangen waren warm, en haar nek, en de achterkant van haar dijen, alsof daar nog steeds iemand naar keek.
Ze had zich moeten schamen. Dat was de eerste gedachte, de gedachte die ze geleerd had: je had je moeten schamen, je had moeten opletten, je hebt jezelf laten zien zonder toestemming te vragen, en nu weet je niet wat hij van je denkt.
Maar het was niet wat ze voelde.
Ze voelde iets wat ze kende van de seconde voor het doek opging. Een zoemen in haar huid. De wetenschap dat er duizend mensen in het donker zaten en dat geen van hen zou kunnen wegkijken als zij haar arm hief.
Hij was weggegaan. Hij, Sebastiaan Roelofsz, die om half vier thuiskwam en om zes uur vertrok, die "maakt niet uit" zei over zeep en "ik verwacht nooit iets" over mensen, die zijn bestek recht legde en zijn mappen in rechte hoeken. Hij was opgestaan en weggegaan omdat zij zich had gebukt om een vork te pakken.
Ze keek naar de vaatwasser.
Ze lachte, kort en hardop, in de lege keuken, en sloeg toen haar hand voor haar mond.
Ze pakte haar telefoon en typte een bericht aan Fien. Hij is weggelopen omdat ik me bukte bij de vaatwasser.
Ze keek ernaar en wiste het. Ze typte: Eerste week overleefd. Hij eet nu van een bord. Dat verstuurde ze.
Fien antwoordde binnen een minuut, zoals altijd, ook midden in een nachtdienst: Een bord!!! Je bent een wonderdoener. Is hij knap?
Esmée keek lang naar de vraag. Ze dacht aan de grijze slapen, aan de schaduwen onder zijn ogen, aan de manier waarop hij zijn vork evenwijdig aan zijn mes had gelegd voordat hij opstond, alsof hij zelfs zijn vlucht netjes wilde achterlaten.
Hij is moe, typte ze.
Dat is geen antwoord.
Dat is het enige antwoord dat je krijgt.
Fien stuurde een emoji van een aapje dat zijn ogen bedekte, en daarna: Doe niks doms.
Esmée legde de telefoon met het scherm naar beneden op het aanrecht en veegde het blad schoon, ook al was het al schoon. Daarna deed ze het licht uit en bleef nog even in het donker staan, luisterend naar het huis boven haar, naar de stilte op de tweede verdieping die nu anders klonk dan gisteren. Gespannen, dacht ze. Zoals een zaal klinkt vlak voordat het orkest inzet.
* * *
Die nacht lag ze lang wakker.
Het huis praatte weer. De leiding die tikte. De klok die het kwartier sloeg. En om kwart over twee hoorde ze iets wat ze nog niet eerder had gehoord: de douche op de tweede verdieping, recht onder haar kamer. Het water liep lang. Langer dan iemand nodig had om zich te wassen.
Ze staarde naar het schuine plafond en dacht aan zijn handen. Ze had ze maar even gezien, toen hij de vork neerlegde: lang, met vierkante nagels, een litteken over de knokkel van zijn wijsvinger. Handen die schilderijen vasthielden alsof ze konden breken. Ze vroeg zich af hoe ze iets anders zouden vasthouden.
Ze draaide zich op haar zij. Onder het laken was haar huid warm, en tussen haar dijen voelde ze een zachte, zeurende hitte die ze niet had uitgenodigd en die ook niet wegging. Ze dacht aan de vorm in zijn broek, aan hoe hij zijn vork had neergelegd, aan hoe hij "Goedenacht" had gezegd tegen een deur.
Hij had haar niet aangeraakt. Hij had niets gezegd wat ongepast was. Hij was weggegaan.
En juist dat, dacht ze, juist dat ene feit, dat hij was weggegaan in plaats van iets te zeggen, was het spannendste wat iemand in twee jaar voor haar had gedaan.
* * *
Zaterdagochtend lag er een kaartje op de keukentafel.
Ze herkende de vulpen, de strakke letters. Ze verwachtte een verontschuldiging, of een opmerking over de jurk, of een officieel verzoek via Verhagen om voortaan door de knieën te gaan.
Het onderste rek van de vaatwasser loopt stroef, stond er. Ik laat iemand komen. Tot die tijd hoeft u het niet te gebruiken.
Niets anders. Geen dank u deze keer.
Ze las het drie keer. De eerste keer als een praktische mededeling. De tweede keer als een terechtwijzing. De derde keer zag ze dat de pen bij het woord stroef even was blijven staan, zodat er een klein vlekje inkt in de r was gelopen, alsof hij daar had getwijfeld.
Ze vouwde het kaartje dubbel en stopte het in haar schortzak, bij het eerste kaartje en bij het verbleekte briefje van haar voorgangster.
Het was de eerste zaterdag dat hij thuisbleef, of in elk geval tot de middag. Ze hoorde hem praten in de tuin en zag hem door het keukenraam onder de moerbeiboom staan, telefoon tegen zijn oor, zijn andere hand in de zak van een grijze trui die hem jonger maakte en tegelijk vermoeider. Hij liep heen en weer over het grind, vier passen, draaien, vier passen, als een dier dat de omvang van zijn hok kent.
Het raam stond op een kier. Ze had niet willen luisteren. Ze stond de spinazie te wassen en het water liep, en toch hoorde ze zijn stem boven het water uit, laag en beheerst.
'Nee, Floris. Nee. Het blijft hier tot het onderzoek klaar is.'
Een pauze.
'Omdat ik het zeg. Omdat het mijn naam is op de deur, en omdat ik niet ga tekenen voor iets wat ik niet heb gezien.'
Weer een pauze, langer nu. Hij bleef staan onder de boom, met zijn rug naar het huis, en ze zag zijn schouders zakken.
'Ik weet dat ze wachten. Laat ze wachten. Mensen die een schilderij van drie eeuwen oud willen kopen, kunnen ook drie weken wachten.' Hij lachte, maar het was geen lach die ergens vandaan kwam. 'Ja. Ja, lieverd, jij ook. Zondag.'
Hij hing op en stond nog een tijd stil. Toen bukte hij, raapte een onrijpe moerbei van het grind en bekeek hem tussen duim en wijsvinger, met dezelfde aandacht waarmee hij haar had bekeken, die eerste nacht in de keuken, van boven naar beneden. Hij gooide hem weg.
Toen hij zich omdraaide naar het huis, zag hij haar door het raam.
Ze had kunnen wegkijken. Ze deed het niet. Ze hield de vergiet met spinazie omhoog, als een bewijsstuk, en trok haar wenkbrauwen op: ik was groente, meneer, niets meer.
Hij keek haar een lange seconde aan. Toen knikte hij, één keer, kort, en liep om het huis heen naar de zijdeur, zodat hij niet door de keuken hoefde.
Ze zette het water uit. Haar hart klopte sneller dan het gesprek rechtvaardigde. Floris, dacht ze. Lieverd. Ze wist niet wie Floris was. Ze wist alleen dat er iets in dit huis was wat hier moest blijven tot het onderzoek klaar was, en dat de man die het zei niet sliep.
Een uur later hoorde ze de voordeur. Zijn colbert was weg.
Toen ze die middag de studeerkamer schoonmaakte, lag de map met het schilderij er nog. Precies in de hoek, precies een beetje open. Ze keek naar de vrouw op de foto, bij het raam, met haar rug naar de kijker. Ze droeg iets donkers met iets wits erover, maar de foto was te klein om te zien wat.
Ze stofte de vensterbank af, en de catalogi, en het lampje. Toen ze bij de deur stond, draaide ze zich nog één keer om en keek naar de kamer, naar het grote lege bureau met de groene leren inleg, naar de stoel waarin hij nachten doorbracht.
Ze dacht: De vaatwasser hoeft niet. Maar er zijn meer dingen in dit huis die laag staan.
Ze schaamde zich onmiddellijk voor die gedachte.
En toen ze de trap af liep, langs de rijzweep in de hal, en de vierde en zeventiende tree oversloeg, merkte ze dat ze glimlachte.