Zwart op Wit

Hoofdstuk 32 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 32 van 40

32. Terug

Ze lazen niet die middag. Niet meteen.

Ze stonden in de kluiskamer met de zeven schriften op tafel, en Esmée legde haar hand op het bovenste, en voelde het leer van de band, en zei: 'Niet vandaag. Vandaag voorwaarden. Morgen Odile.'

Hij knikte. Hij leek opgelucht en teleurgesteld tegelijk, zoals iemand die een veiling wint en verliest in hetzelfde bod.

Boven, in de eetkamer, legde ze Verhagens contract naast het zwarte schrift. Ze had Verhagen die ochtend gebeld vanuit Rijswijk. Hij kwam om vier uur met nieuwe papieren.

Aanvulling B — Voorwaarden terugkeer.

Ze had ze zelf gedicteerd, in de tram, met Fien als getuige aan de telefoon.

1. Geen geheimen meer over Floris, Dewi, het schilderij of het plan. Alles wat hij weet, weet zij binnen vierentwintig uur.

2. Het spel begint niet opnieuw tot zij de la opent. Niet hij. Zij.

3. Rood en Scheveningen gelden ook buiten de slaapkamer. Als zij rood zegt over een gesprek, stopt het gesprek.

4. Haar kamer blijft van haar. Hij komt er niet in zonder te vragen.

5. Zij mag het huis verlaten wanneer zij wil, zonder uitleg, zonder dat hij volgt.

Verhagen stempelde. Sebastiaan las twee keer. Hij tekende met de vulpen, en bij regel één aarzelde hij een fractie — diezelfde fractie — en toen zette hij zijn naam.

'Dat was de fractie,' zei Esmée.

Hij keek op.

'Op je drempel, in juni. En daarna in mijn hoofd. Elke keer als je iets niet zei. Die fractie. Nu weet ik wat die was.'

'Ja,' zei hij. 'Dat was de fractie.'

Verhagen hoestte, pakte zijn tas, en zei dat dit het merkwaardigste dossier van zijn carrière was, en dat hij het meende als compliment, en vertrok met rode oren.

* * *

Ze aten die avond aan de keukentafel. Van borden. Soep die zij had gemaakt. Hij at langzaam. Zij ook. Het gesprek was voorzichtig, als lopen op ijs dat net dik genoeg is.

'Fien haat me,' zei hij.

'Fien haat je niet. Fien heeft een infuuspaal. Dat is iets anders.'

'En jij?'

Ze legde haar lepel neer.

'Ik hou van je,' zei ze. Het kostte haar alles. 'Dat is niet weg. Het is alleen besmet. Als je iets besmets wilt houden, moet je het schoonmaken. Elke dag. Niet één keer.'

Hij knikte. Zijn ogen waren nat. Hij veegde het weg alsof het stof was.

'Mag ik je iets vragen?' zei hij. 'Niet over het plan. Over ons.'

'Kleur van gesprek: groen,' zei ze. 'Vraag.'

'Wil je vannacht bij me slapen? Alleen slapen. Of in je eigen kamer. Of op de bank. Jij zegt het.'

Ze dacht na. Ze luisterde naar haar lichaam, zoals hij haar had geleerd.

'Bij jou,' zei ze. 'Slapen. En als ik iets anders wil, zeg ik het. En als jij iets wilt, vraag je het. Geen aannames.'

'Geen aannames,' zei hij.

* * *

Na het eten liep ze het huis door alsof ze het opnieuw in bezit nam. Haar kamer op drie. De bibliotheek. De Chesterfield. De leestafel met een kleine wasvlek van kaarsvet die ze niet had weggekregen. Ze opende de bovenste la van het dressoir. De rijzweep lag er. Ze raakte hem niet aan. Ze deed de la dicht.

'Nog niet,' zei ze hardop. 'Eerst Odile. Dan de la.'

Sebastiaan stond in de deuropening van de eetkamer. Hij had het gehoord. Hij knikte.

Ze belde Fien.

'Ik ben terug. Op voorwaarden. Op papier.'

'Goed. Als hij één geheim bewaart, bel je me. Ik kom met Margot en de kat. De kat is gemeen genoeg.'

'De kat houdt van me.'

'De kat houdt van schoot. Dat is iets anders. Ik hou van je. Doe niks doms. Of doe domme dingen die op papier staan.'

Om tien uur goot hij twee glazen wijn in en zette er een weg toen hij zag dat ze water wilde. Kleine dingen. Hij leerde, en zij zag het, en zei er niets van, omdat zeggen het kleiner zou maken.

Om elf uur stond ze in de deuropening van zijn slaapkamer. Ze droeg het uniform. Niet omdat het moest. Omdat zij de la nog niet had geopend, en dit geen spel was uit de la, maar iets wat zij koos, rechtop, met open ogen.

Hij zat op de rand van het bed. Hij keek op. Hij zei niets. Hij wachtte.

'Rood is voorbij,' zei ze. 'Voor aanraken. Voor vanavond. Groen. Maar ik leid. Jij volgt. Begrepen?'

'Sebastiaan,' zei hij, en toen, met een kleine glimlach: 'Ja, Esmée.'

'Zeg je woord.'

'Scheveningen.'

'Goed. Ga op je rug liggen. Handen op het hoofdeinde. Je mag ze niet loslaten tot ik het zeg.'

Hij ging liggen. Hij legde zijn handen om de spijlen van het hoofdeinde. Hij keek naar haar. Ze zag zijn borst sneller gaan. Ze zag, in zijn broek, dat hij hard werd, alleen van haar stem, en ze liet zich dat zien, en ze genoot ervan, niet als wraak, als waarheid.

Ze kwam over hem heen, met één knie aan weerszijden van zijn heupen. Ze maakte de knoopjes van haar jurk zelf open, langzaam, een voor een, tot het zwarte katoen viel en haar borsten vrij waren in het lamplicht. Ze pakte zijn handen niet. Ze liet ze waar ze waren. Ze boog zich voorover tot haar tepels bijna zijn mond raakten, en trok zich terug toen hij zijn hoofd ophief.

'Niet,' zei ze. 'Ik zeg wanneer.'

'Ja, Esmée.'

Ze kuste hem. Diep. Op haar tempo. Ze beet zacht in zijn onderlip, op het litteken, en voelde hem kreunen in haar mond. Haar handen gingen over zijn borst, zijn buik, de gesp van zijn broek. Ze opende die. Ze schoof de stof weg. Ze zag hem — zijn penis, hard, voor haar — en ze hield hem niet vast. Ze liet hem wachten. Ze streelde zijn heupen, zijn dijen, alles behalve waar hij haar wilde, tot zijn handen wit werden om de spijlen.

'Kleur?' vroeg ze.

'Groen,' zei hij, schor. 'Alsjeblieft.'

'Smeek,' zei ze, en het woord smaakte anders in haar mond, zoeter, gevaarlijker.

'Alsjeblieft, Esmée. Ik wil je. Ik wil je zo erg. Laat me je aanraken. Of niet. Alleen — alsjeblieft.'

Ze glimlachte. Ze liet zich zakken. Ze nam hem in zich op, langzaam, met haar ogen open en de zijne open, en ze zag zijn gezicht openbreken, en ze hield haar handen plat op zijn borst, en ze zei: 'Blijf zo. Kijk naar me. Alleen kijken.'

Hij keek. Hij kon niets anders. Zijn handen bleven om het hout. Zij bewoog zoals zij wilde — niet mechanisch, niet geteld, alleen gevoeld — en ze voelde de macht en de tederheid door elkaar, en ze boog zich voorover en gaf hem eindelijk haar borst, zijn mond om haar tepel, en ze kreunde zijn naam, niet als smeken, als bevel en cadeau tegelijk.

Ze liet hem wachten tot hij beefde. Ze streelde zijn kaak, zijn mond, ze duwde twee vingers tussen zijn lippen en voelde zijn tong, en ze zei: 'Dit is van mij. Jij ook. Voor zolang ik het geef.' Hij knikte, met haar vingers in zijn mond, en zijn ogen waren zwart en nat.

Ze nam zijn overhemd helemaal open. Ze kuste het litteken op zijn sleutelbeen — Sirocco, Rotterdam — en voelde hem inhouden. 'Adem,' beval ze. Hij ademde. 'Goed zo.'

Toen ze dichtbij was, zei ze: 'Nu. Handen. Op mijn heupen. Houd me vast.'

Zijn handen lieten het hout los alsof ze verbrand waren en vonden haar heupen, groot en warm, en hij hield haar vast terwijl ze losliet, hard, met haar hoofd achterover en zijn naam in haar keel, en hij volgde, met een geluid dat half een snik was, en ze zakte op hem neer met haar wang tegen zijn hals en zijn hart die door het overhemd bonsde.

* * *

Na afloop, onder de plaid, masseerde hij haar knie zonder dat ze het vroeg. Ze liet het.

'Wat was goed?' vroeg ze. Het was de eerste keer dat zij de vraag stelde.

Hij lachte, zacht, tegen haar haar.

'Dat je leidde,' zei hij. 'Dat ik mocht smeken. Dat ik mijn handen niet mocht gebruiken tot jij het zei. Ik heb in zeventien jaar niet zo stilgelegen.' Hij kuste haar kruin. 'En wat was niet goed?'

'Niets,' zei ze. 'Vanavond niets. Dat is eng.'

'Eng is oranje,' zei hij. 'Niet rood.'

'Oranje dan. Ik ben bang dat dit te makkelijk voelt. Na alles.'

'Dan maken we het morgen weer moeilijk,' zei hij. 'Met Odile. Met de waarheid. Vannacht mag het makkelijk.'

Ze sliep in zijn bed, in het open uniform, met zijn hand op haar heup. Om drie uur werd ze wakker en voelde ze hem wakker. Ze zeiden niets. Ze lagen alleen, ademend, tot de meeuwen begonnen, en toen sliepen ze weer, en haar knie deed geen pijn.

* * *

's Ochtends lag er een kaartje op het kussen.

Je leidt nog. Tot jij zegt dat het anders mag. Chocolademelk staat klaar. Kardemom. — S.

Ze ging naar beneden in zijn trui. Hij stond bij het fornuis. Twee mokken. Hij gaf haar de zijne eerst, en wachtte tot zij nipte, en toen dronk hij.

'Odile,' zei ze.

'Odile,' zei hij.

Ze gingen naar beneden, hand in hand, voor het eerst sinds rood, en de sleutel om haar nek tikte tegen het enkelbandje van haar moeder, als een klein, metalen ja.

* * *

Verhagen belde om negen uur, alsof hij had aangevoeld dat er getekend was.

'Mevrouw Brandt. Is het naar wens?'

'Het is naar wens, Joost.'

Hij was even stil. 'U noemt me Joost. Dat betekent meestal trouble of vertrouwen. Wat is het dit keer?'

'Tweeën,' zei ze. 'Houd artikel vijf warm.'

'Artikel vijf is altijd warm,' zei Verhagen, en voor de tweede keer in zijn carrière lachte hij, en hing op.

Sebastiaan keek haar aan over zijn mok.

'Je vertrouwt hem meer dan mij.'

'Hij heeft me nooit een map laten openliggen,' zei ze. 'Dat helpt.'

Hij slikte het. Letterlijk. Koffie. En de waarheid.

'Vandaag Odile,' zei ze. 'Ik wil alles. Ook de delen die jou aanklagen. Vooral die.'

'Die zijn er,' zei hij. 'Ik heb één schrift opengeslagen. Eén bladzijde. Toen dichtgedaan. Het was genoeg om te weten dat ik mijn grootvader niet ben, en toch zijn erfgenaam.'

Ze zette haar mok neer. Ze pakte zijn hand. Niet groen, niet rood. Gewoon menselijk.

'Dan lezen we tot het genoeg is,' zei ze. 'En als het te veel is, zeg je oranje. Jij ook. Regel zes. Staat in het schrift.'

Hij kneep in haar hand. Kort. Dankbaar. Bang.

Buiten begon het te regenen, zacht, een zomerregen over de gracht, en ergens in het souterrain wachtten zeven zwarte schriften alsof ze al tachtig jaar op twee paar handen hadden gewacht.

Later die ochtend stond ze voor de spiegeldeur in haar kamer en trok het uniform aan. Niet voor hem. Voor Rachel. Voor Odile. Voor zichzelf. Ze maakte de strik in één keer goed. Ze klikte de acht zilveren clipjes vast. Ze keek naar de gaatjes in de punt van het kraagje en dacht: vandaag krijgen jullie gezelschap van de waarheid.

Op de trap, bij tree zeventien, bleef ze staan. Hij stond beneden in de hal, wachtend, zonder haar te haasten. Ze daalde af. Bij hem bleef ze staan.

'Kleur voor vandaag?' vroeg hij.

'Groen,' zei ze. 'Met oranje in de aanslag. Voor ons allebei.'

'Voor ons allebei,' herhaalde hij, en ze gingen naar beneden, naar Odile.

Ze hadden nog geen woord van Odile gelezen en toch voelde de lucht in het souterrain al zwaarder, alsof de schriften ademden. Esmée dacht aan Fien, aan de infuuspaal, aan rood dat voorbij was maar niet vergeten. Ze dacht aan Rachel die lachte op een foto in 1939, en aan zichzelf die bukte bij een vaatwasser in 2026, en ze wist dat die lijn — van Antwerpen naar Den Haag, van een jurk naar een uniform — door haar heen liep, of ze wilde of niet.

Hij opende de deur. Zij ging eerst naar binnen. De schriften lagen te wachten.

Morgen was geweest. Nu was het vandaag, en vandaag heette Odile.

Eindelijk.

Nu.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst