Zwart op Wit · hoofdstuk 22 van 40
22. Het contract
Verhagen kwam om elf uur precies, in dezelfde grijze regenjas, hoewel het drieëntwintig graden was en de lucht zo blauw als op een ansichtkaart.
Hij ging aan de eettafel zitten, aan het hoofd, en legde drie documenten voor zich neer in een rij, met een vulpen ernaast die nog duurder was dan die van Sebastiaan. Hij keek naar Esmée, die in uniform tegenover hem zat, en daarna naar Sebastiaan, die naast haar zat in een colbert, en zijn gezicht was als altijd een dichtgeplakte envelop. Maar zijn oren waren een beetje rood.
'Ik heb,' zei hij, 'een aanvulling op de arbeidsovereenkomst opgesteld. Op verzoek van meneer Roelofsz. Ik heb er zelf iets aan toegevoegd. Ik wil dat mevrouw Brandt het eerst leest. Alleen.'
Sebastiaan stond op zonder iets te zeggen en ging naar de tuin. Verhagen wachtte tot de tuindeur dicht was.
'Mevrouw Brandt,' zei hij. 'Ik ga u niet vragen wat er tussen u en meneer Roelofsz is. Dat is—'
'Niet uw terrein.'
'Precies.' Hij schoof het eerste document naar haar toe. 'Maar het is wel mijn terrein dat u beschermd bent. Lees het.'
Ze las het.
Artikel 1. De arbeidsverhouding tussen Stichting Huize Roelofsz en mevrouw E. Brandt staat volledig los van enige persoonlijke verhouding tussen mevrouw Brandt en de bewoner van het pand.
Artikel 2. Mevrouw Brandt kan op ieder moment, zonder opgaaf van redenen, een persoonlijke verhouding beëindigen. Dit heeft geen enkel gevolg voor haar dienstverband, haar salaris, haar huisvesting of haar getuigschrift.
Artikel 3. Indien mevrouw Brandt besluit haar dienstverband te beëindigen, om welke reden dan ook, ontvangt zij een vergoeding gelijk aan drie maandsalarissen, en behoudt zij het recht op huisvesting in het pand gedurende één maand na beëindiging.
Artikel 4. Artikel 7 van het Reglement (het huisuniform) geldt voor mevrouw Brandt als een recht, niet als een plicht. Zij bepaalt zelf of en wanneer zij het draagt.
Artikel 5. Indien mevrouw Brandt zich op enig moment onder druk gezet voelt, kan zij zich rechtstreeks tot de notaris van de stichting wenden. De notaris is in dat geval uitsluitend haar belang verschuldigd.
Ze legde het neer. Ze keek naar Verhagen.
'Artikel vijf,' zei ze. 'Dat heeft hij niet gevraagd.'
'Nee.' Verhagen schroefde de dop van zijn vulpen. 'Dat heb ik toegevoegd. Meneer Roelofsz vond het goed. Hij vond het, als ik hem mag citeren, het verstandigste dat je in achtendertig jaar hebt opgeschreven, Joost.'
'Waarom deed u dat?'
Verhagen keek naar zijn handen.
'Omdat ik Hanneke huilend op de stoep heb zien staan,' zei hij. 'En ik heb toen niets gedaan, want het was niet mijn terrein.' Hij keek op. 'Ik wil niet nog een keer niets doen.'
Ze wist niet wat ze moest zeggen. Ze pakte zijn vulpen.
'Mag ik er iets aan toevoegen?' vroeg ze.
Verhagen trok een wenkbrauw op. 'Natuurlijk.'
Ze schreef, onder artikel vijf, met de dure vulpen die stroever liep dan die van Sebastiaan:
Artikel 6. Mevrouw Brandt verklaart dat zij dit alles uit vrije wil aangaat, en dat zij, als zij het uniform draagt, dat doet omdat zij het wil.
Verhagen las het. Hij keek haar lang aan, over zijn leesbril.
'U hoeft dat niet op te schrijven,' zei hij.
'Ik weet het,' zei ze. 'Daarom doe ik het.'
* * *
Sebastiaan tekende na haar. Hij las alles, elk artikel, twee keer, met zijn wijsvinger langs de regels zoals bij een herkomstdocument. Bij artikel zes bleef zijn vinger stilstaan. Hij keek niet op. Hij tekende.
Verhagen stempelde alle drie de exemplaren, een voor de stichting, een voor Sebastiaan, een voor haar. Hij stopte ze in drie enveloppen en gaf haar de hare.
In de hal, bij de deur, terwijl hij zijn regenjas dichtknoopte, keek hij naar de lege koperen haken.
'Mevrouw Lindeman zal blij zijn,' zei hij. 'Dat er niets is gestolen.'
'Wie zegt dat er niets is gestolen?' zei Sebastiaan.
Verhagen keek van hem naar Esmée en weer terug. Zijn oren werden nog roder.
'Goedemiddag,' zei hij, en vertrok.
* * *
Om half twee stond er een vrouw op de stoep die eruitzag als een lerares aardrijkskunde.
Ze was klein, begin veertig, met kort zwart haar en een bril met een rood montuur, een spijkerjasje en een linnen tas met de opdruk van de Openbare Bibliotheek Den Haag. Ze had een bakje stroopwafels bij zich.
'Dewi Sastro,' zei ze, en ze gaf Esmée een hand, kort en droog. 'Ik ben van de kunst. Niet de mooie kant.'
Ze zaten in de keuken. Sebastiaan bleef staan, met zijn rug tegen het aanrecht. Dewi at een stroopwafel en keek Esmée aan met donkere, rustige ogen die niets misten, en Esmée dacht: zo kijkt hij ook. Ze zijn van dezelfde soort.
'U hoeft niets voor ons te doen,' zei Dewi. 'Ik wil dat eerst gezegd hebben. U bent geen informant, u bent geen getuige, u bent een burger die toevallig in het verkeerde huis werkt. Of het goede, het hangt ervan af.' Ze veegde kruimels van haar vingers. 'Maar als Kalff belt, dan wil ik dat u hem aan het lijntje houdt. Niet liegen als het niet hoeft. Halve waarheden zijn het beste. Die kan hij niet controleren en u hoeft ze niet te onthouden.'
'Hoe lang zijn jullie al met hem bezig?'
Dewi keek even naar Sebastiaan. Het was zo kort dat Esmée het bijna miste.
'Een tijdje,' zei ze. 'Sinds de winter. Er zijn twee schilderijen uit een Belgische nalatenschap via Genève verdwenen die nooit op een veiling zijn verschenen. Er is een restaurator in Rotterdam die de laatste tijd opvallend goed verdient. En er is een man met een honkbalpet die vroeger bij een beveiligingsbedrijf werkte dat vorig jaar failliet ging.' Ze nam nog een stroopwafel. 'Ruud Kooiman. Hij rookt Gauloises omdat hij denkt dat dat chique is.'
'Een restaurator in Rotterdam,' herhaalde Esmée. Ze keek naar Sebastiaan. 'Pim?'
'Pim werkt voor mij,' zei Sebastiaan. 'Al twaalf jaar.'
'Daarom juist,' zei Dewi vriendelijk, en ze stond op. 'Bedankt voor de koffie. Ik heb mijn eigen stroopwafels meegenomen, want mensen met zulke huizen hebben nooit iets lekkers in de kast.'
In de hal draaide ze zich nog om naar Esmée.
'U doet het goed,' zei ze. 'Hij zegt dat u het hem allemaal zelf heeft verteld. Dat is zeldzaam. Houd dat vast.'
Toen ze weg was, stond Sebastiaan nog lang bij het aanrecht. Esmée vroeg niet wat Dewi met daarom juist had bedoeld. Ze zag aan zijn gezicht dat hij het zelf ook niet wilde weten.
* * *
Floris belde om drie uur.
Ze nam op in de bibliotheek, terwijl Sebastiaan in de deuropening stond en luisterde. Dat hadden ze afgesproken, bij het ontbijt. Ze zou hem nooit meer iets laten weten wat Sebastiaan niet wist.
'Lieverd,' zei Floris. 'Vrijdag. Ik hoop dat je goed hebt nagedacht.'
'Het is verschoven.'
Het bleef even stil.
'Wat is verschoven?'
'De voorbezichtiging. Ik hoorde het aan tafel. Hij zei het tegen de notaris. Half augustus. De avond voor de zomerveiling. Het herkomstonderzoek duurt langer.'
Weer een stilte, langer nu. Ze hoorde iets op de achtergrond, wind, en het klapperen van een zeil.
'Waarom?' vroeg Floris.
'Dat weet ik niet. Ik ben de huishoudster.'
'Je bent—'
'De huishoudster,' herhaalde ze. 'Dat zei ik.'
Floris lachte. Het klonk niet geamuseerd.
'Half augustus,' zei hij. 'Goed. Dan heb je tot half augustus. Dan wil ik het tijdstip weten waarop het van het huis naar het Noordeinde gaat. Een tijdstip, lieverd. Geen code. Dat is toch makkelijker?'
'En als ik het niet weet?'
'Dan zorg je dat je het weet.' Zijn stem werd zachter. 'Hoe gaat het met Fien? Zit ze nog in Rijswijk?'
Esmée verstijfde. Ze keek naar Sebastiaan. Hij bewoog niet. Alleen zijn hand, langs zijn zij, balde zich.
'Laat mijn zus erbuiten,' zei ze.
'Natuurlijk, lieverd. Ik vroeg het alleen. Omdat ik om je geef.'
Hij hing op.
Ze liet de telefoon zakken. Ze trilde.
Sebastiaan kwam de bibliotheek in. Hij nam de telefoon uit haar hand en legde hem op de leestafel. Hij pakte haar handen, allebei, en hield ze vast, niet bij haar polsen, gewoon haar handen, tussen de zijne.
'Rijswijk,' zei hij. 'Hij weet van Rijswijk.'
'Dewi zei—'
'Dewi heeft iemand daar. Hij weet het, maar hij kan niets doen zonder dat Dewi het ziet.' Zijn stem was kalm, maar zijn handen om de hare waren dat niet. 'Ik bel haar nu. Ze krijgt een tweede agent. Dag en nacht.'
'Waarom doet hij dit?'
'Omdat hij bang is.' Sebastiaan keek haar aan. 'Floris is nooit bang geweest. Hij heeft altijd gewonnen. Hij heeft schulden die ik nog niet allemaal ken, bij mensen die ik niet wil kennen. Als dit schilderij teruggaat naar de Mendes-familie, valt alles om. Voor hem. En dan is hij niemand meer.'
'Hoe weet je dat van die schulden?'
Weer die fractie van een seconde.
'Ik kijk,' zei hij. 'Dat zei ik toch.'
* * *
Ze maakte die avond geen eten. Ze kon niet. Hij bestelde Indonesisch bij een toko op de Zoutmanstraat en ze aten het uit de bakjes aan de keukentafel, staand, allebei, en hij keek naar haar en zij naar hem, en toen ze zag dat hij uit het bakje at met een plastic vork, moest ze zo hard lachen dat ze sambal op haar schort morste.
'Je eet staand,' zei ze.
'Jij ook.'
'Ik heb je dat afgeleerd.'
'En ik heb het je aangeleerd,' zei hij. 'Dat is eerlijk.'
Om negen uur ging hij naar de studeerkamer. Hij moest Dewi bellen, en de commissie, en iemand in Antwerpen van wie hij de naam niet noemde. Hij zei het zonder op te kijken, en ze liet hem gaan.
Ze ruimde de keuken op. Ze veegde de tafel af. Ze stond lang bij het aanrecht met de envelop van Verhagen in haar hand, die ze nog niet had opengemaakt sinds hij hem haar gaf.
Toen ging ze naar de eetkamer.
Het was schemerig. De gordijnen waren half dicht. Het dressoir stond tegen de muur, donker en zwaar, met de koperen grepen die glommen in het laatste licht. Ze legde haar hand op de greep van de bovenste la. Het metaal was koel.
Ze trok hem open.
De rijzweep lag er, op een stuk groen vilt dat er niet eerder had gelegen. Hij had het neergelegd, ergens in de afgelopen weken. Zodat het leer niet zou krassen tegen het hout. Zodat het mooi zou liggen, voor als ze ooit keek.
Ze pakte hem op.
Hij was lichter dan ze had gedacht. Het leer was soepel en warm, alsof het leefde. De zilveren knop paste precies in haar hand. Het kleine platte tongetje aan het eind bewoog als ze haar pols draaide, een zachte, trillende beweging, als een vinger die wenkt.
Ze sloot de la.
Ze liep de trap op, met de zweep in haar hand. De vierde tree kraakte. Ze sloeg de zeventiende niet over. Ze liet hem kraken, zodat hij wist dat ze kwam.
De deur van de studeerkamer stond open. Hij zat achter het bureau, onder de lamp, met de telefoon tegen zijn oor. Hij keek op toen ze in de deuropening verscheen.
Hij zag de zweep.
'Ik bel je terug,' zei hij in de telefoon, en hing op zonder op het antwoord te wachten.
Ze liep naar het bureau. Ze liep zoals ze op het toneel liep als het licht op haar stond, zonder haast, met haar schouders laag en haar kin licht omhoog. Ze stopte voor het bureau. Ze legde de rijzweep neer op de groene leren inleg, precies in het midden, evenwijdig aan de rand.
Ze liet hem los.
'Ik wil praten,' zei ze.
Hij keek naar de zweep. Daarna naar haar. Hij zei lang niets. Ze zag zijn borst op en neer gaan onder zijn overhemd, sneller dan normaal.
'Ga zitten,' zei hij.
Ze ging zitten, in de stoel tegenover het bureau, de stoel waarin cliënten zaten als ze een schilderij kwamen laten taxeren. Hij stond op, liep om het bureau heen, en ging op de rand ervan zitten, vlak voor haar, met de zweep achter zich.
'Vertel me,' zei hij.
Ze vertelde het. Wat ze wilde. Niet in een schrift, nu, maar hardop, met haar stem die trilde. Dat ze wilde dat hij haar zei wat ze moest doen. Dat ze in het uniform wilde zijn, omdat het van haar was. Dat ze wilde staan, gebogen, zoals bij de vaatwasser, en dat hij keek, en dat hij haar dan aanraakte. Dat ze de zweep wilde voelen, één keer, licht, op de achterkant van haar dijen, om te weten hoe het was. Dat ze bang was dat ze zou huilen, en dat ze niet wist of dat goed of slecht was.
Hij luisterde. Hij onderbrak haar niet. Toen ze klaar was, zat hij lang stil.
'Wil je je ogen dicht?' vroeg hij. 'Of open?'
Ze dacht aan de bank in de bibliotheek. Aan zonder tellen. Aan ik wil dat ik niet hoef te tellen.
'Dicht,' fluisterde ze. 'Maar ik weet niet of ik ze dicht kan houden.'
'Dan help ik je,' zei hij. 'Als je wilt.'
Ze begreep wat hij bedoelde. Haar gezicht werd heet.
'Ja,' zei ze.
Hij knikte langzaam.
'Morgen,' zei hij. 'Om tien uur 's avonds. In de bibliotheek. In uniform, als je wilt. Ik zorg voor de rest.' Hij keek naar haar. 'Je kunt tot het laatste moment nee zeggen. Ook als je al in de deuropening staat. Ook als je al bent begonnen. Dat weet je.'
'Ik weet het.'
'Zeg het.'
'Scheveningen,' zei ze. 'Twee tikken. Rood. Oranje.'
'Goed.' Hij stond op van het bureau. 'Nog één ding.'
'Ja?'
'Je bent me een antwoord schuldig.' Hij keek op haar neer. 'Wat denk je als je 's nachts in mijn trui ligt?'
Ze keek naar hem op. Naar zijn gezicht in het licht van de lamp, de schaduwen, het litteken op zijn lip. Ze dacht aan alle nachten. Aan het schuine plafond. Aan zijn geur in de wol.
'Aan je handen,' zei ze. 'Aan waar ze zouden zijn als je naast me lag.'
Hij hield zijn adem in.
'Waar?' vroeg hij, heel zacht.
'Dat vertel ik je morgen,' zei ze. 'Om tien uur. In de bibliotheek.'
Ze stond op, en liet de zweep op zijn bureau liggen, en ging naar haar kamer. Deze keer liep ze niet weg. Ze liep gewoon, langzaam, met haar rug recht, en ze wist dat hij keek, en ze telde niet.