Zwart op Wit · hoofdstuk 29 van 40
29. Rood
Hij kwam de volgende ochtend terug om acht uur. Ze hoorde de voordeur, en zijn voetstappen, en ze bleef in bed liggen in zijn trui tot ze zijn knokken op haar deur hoorde.
'Mag ik binnenkomen?'
Het was de eerste keer dat hij dat vroeg. Bij haar kamer.
'Ja.'
Buiten scheen de zon al. Ze hoorde een rondvaartboot. Ze hoorde mevrouw Lindeman de tekkel uitlaten. Het gewone leven ging door, alsof er niets was gebeurd, alsof een man niet net had toegegeven dat hij je had aangenomen als lokaas voor een kunstroof.
Hij kwam binnen. Hij droeg nog dezelfde kleren als gisteren. Hij had niet geslapen. Hij ging op de rand van haar bed zitten, niet dichtbij, en keek naar haar.
'Dewi weet het,' zei hij. 'Het tijdstip. We gaan het gebruiken. Half augustus, vier uur, achterdeur. Hij komt, of Ruud komt, of allebei. En dan staat Dewi klaar. Met mensen. Niet in uniform. In burger.'
Ze knikte. Ze zat rechtop tegen het hoofdeinde, met haar knieën opgetrokken onder de trui.
'Is dat alles?' vroeg ze.
'Nee.'
Hij keek naar zijn handen. Hij keek naar haar.
'Ik moet je iets vertellen,' zei hij. 'Iets wat ik je in Antwerpen had willen vertellen. En gisteren. En de dag daarvoor. Iets wat ik al maanden niet zeg.'
Haar maag trok samen.
'Vertel,' zei ze.
Hij haalde adem.
'Ik wist dat Floris je zou benaderen,' zei hij. 'Voordat je hier kwam. Hanneke was niet de eerste die hij omkocht. Er was iemand voor haar, een schoonmaker, twee jaar geleden. Ik liet het gebeuren. Ik verzamelde bewijs. Met Dewi. Sinds de winter werken we samen. Officieus. Zij wilde Floris. Ik wilde het schilderij veilig en Floris weg. Toen Hanneke viel, wist ik dat hij opnieuw zou zoeken. Een nieuwe huishoudster. Iemand met schulden. Iemand die hij kon gebruiken.'
Esmée voelde het bloed uit haar gezicht trekken.
'Het uitzendbureau,' fluisterde ze.
'Ik heb Verhagen gevraagd om iemand te zoeken die past. Niet iemand die schoonmaakt. Iemand die Floris zou kiezen. Jong. Vrouw. Geldproblemen. Ik heb je cv gezien. De schuld. De knie. Het ballet. Ik dacht: zij. Floris kiest haar. En dan hebben we hem.'
Ze staarde hem aan. Het uniform over de stoel. De clipjes. De kaartjes. De Genève-map die altijd open lag. De code op het bureau. In dit huis wordt niets per ongeluk gezien.
'Je hebt me aangenomen,' zei ze, 'om Floris te vangen.'
'Ja.'
'Je hebt me laten bukken. En gekeken. En de zweep op tafel gelegd. En Scheveningen met me afgesproken. En me gekust. En me laten smeken. Terwijl ik een pion was.'
'Nee.' Zijn stem was hard, voor het eerst. 'Niet dat. Het andere was echt. Vanaf de vaatwasser was het echt. Ik had niet gerekend op jou. Ik had gerekend op een huishoudster die Floris zou helpen en die ik kon volgen. Ik had niet gerekend op iemand die me soep liet eten van een bord. Die een deken over me heen legde. Die nog niet zei en oranje zei en ik ben van mij.' Hij keek haar aan. 'Het plan was een val. Jij was geen val. Jij was het enige wat niet volgens plan ging.'
'Floris zei het,' fluisterde ze. 'Gisteren. Vraag hem hoe hij aan zijn nieuwe huishoudster kwam. Hij wist het. Of hij vermoedde het.'
'Floris vermoedt alles. Hij weet niets zeker. Daarom is hij wanhopig.'
Ze lachte. Het klonk als glas.
'Je praatte met mij over vertrouwen,' zei ze. 'Over stopwoorden. Over ik wil het goed doen. En de hele tijd lag er een map open op je bureau die je daar had gelegd zodat ik hem zou lezen. En een code die je had achtergelaten om te kijken of ik hem zou stelen. En een briefje van Hanneke dat toevallig in mijn schort zat.'
Hij zei niets. Hij knikte. Alleen dat.
'Was het briefje van Hanneke ook van jou?'
'Nee. Dat was van haar. Echt. Ik wist niet dat het er zat.'
'En de rest?'
'De rest,' zei hij, 'was van mij.'
Ze zat lang stil. Ze voelde iets in haar borst dat geen verdriet was en geen woede, maar iets kouders. Alsof iemand het licht had uitgedaan in een kamer waar ze dacht dat ze thuis was.
'Ga weg,' zei ze.
'Esmée—'
'Ga weg. Alsjeblieft. Ik kan je nu niet zien.'
Hij stond op. Hij ging naar de deur. Hij bleef staan, met zijn hand op de klink, met zijn rug naar haar toe, zoals hij altijd deed als hij iets moeilijks zei.
'Ik heb je gebruikt,' zei hij. 'Aan het begin. Dat is waar. En daarna heb ik van je gehouden. Dat is ook waar. Ik weet niet of het een het ander ongedaan maakt. Dat mag jij zeggen.'
Hij ging de deur uit. Hij deed hem zacht dicht.
* * *
Na de deur bleef ze lang op bed zitten. Ze keek naar het uniform over de stoel. Zwart. Wit. De schort met de strik die ze altijd opnieuw moest maken. De kousen, opgerold in de schoenen eronder. De jarretellegordel met de acht zilveren clipjes die hij haar had gegeven, in een grijs kartonnen doosje, niet van Verhagen, van mij.
Ze stond op. Ze pakte de clipjes. Ze legde ze terug in het doosje. Ze legde het doosje in de la van haar nachtkastje, naast Floris' visitekaartje, dat daar al weken lag als een klein, scherp geheim. Ze deed de la dicht.
Ze dacht aan de eerste nacht. Wie heeft u gestuurd? Ze had gedacht dat het een rare vraag was. Het was geen rare vraag. Het was de enige vraag. Hij had haar aangenomen als aas. En zij had gebeten. En ergens tussen de vaatwasser en de Chesterfield was het aas gaan houden van de visser, en de visser van het aas, en nu wist niemand meer wie wie ving.
Ze ging onder de douche. Ze zette het water te heet. Ze bleef staan tot haar huid rood was. Ze dacht aan de bibliotheek. Aan de zijde over haar ogen. Aan smeek. Aan hoe ze zijn naam had geroepen. Had hij toen aan de val gedacht? Had hij, terwijl hij in haar kwam, geteld hoe dichtbij Floris was?
Ze braakte in de douchebak. Er kwam bijna niets. Ze spoelde het weg. Ze droogde zich af. Ze trok zijn trui aan, ondanks alles, omdat het enige wat erger was dan zijn geur, de afwezigheid ervan was.
* * *
Ze bleef die dag in haar kamer. Ze kwam niet beneden. Ze at niet. Ze hoorde hem in huis: de trap, de studeerkamer, de keuken, de voordeur, terug. Ze hoorde hem om twaalf uur voor haar deur staan, en weggaan. Om drie uur opnieuw. Om zes uur legde hij een dienblad neer op de overloop: soep, brood, water. Ze liet het staan.
Om zeven uur at ze de soep. Koud. Staand. Bij het raam van haar kamer, kijkend naar de gracht. Het smaakte naar niets. Ze at het toch, omdat hij het had gemaakt, en omdat weigeren te eten een ander soort rood was, een die ze hem niet wilde aandoen.
Om acht uur ging ze naar beneden. Hij zat in de keuken. Hij keek op.
'Ik ga naar Fien,' zei ze. 'Naar Rijswijk. Voor een paar dagen. Misschien langer. Ik weet het niet.'
Hij knikte. Zijn gezicht was wit.
'Het contract,' zei hij. 'Artikel drie. Je salaris. De maand huisvesting. Het staat. Je baan staat. Alles staat.'
'Ik weet het. Verhagen heeft het gestempeld.'
'Neem de trui mee,' zei hij. 'Als je wilt.'
'Nee.'
Het woord viel tussen hen in. Hard. Rond. Rood.
Hij verstijfde. Niet veel. Genoeg.
'Is dat—' begon hij.
'Rood,' zei ze. 'Buiten het spel. Rood. Ik wil niet dat je me aanraakt. Ik wil niet dat je me belt. Ik wil niet dat je me achternakomt. Ik wil denken. Alleen. En als ik klaar ben met denken, dan kom ik terug. Of niet. Dat weet ik nog niet.'
Hij zat heel stil. Zijn handen lagen plat op tafel. Ze zag zijn knokkels wit worden, en weer niet.
'Goed,' zei hij. 'Rood.'
Ze ging naar de eetkamer. Ze opende de bovenste la van het dressoir. De rijzweep lag er, op het groene vilt. Ze keek ernaar. Ze raakte hem niet aan. Ze deed de la dicht. Het slotloos zijn voelde opeens niet als vertrouwen, maar als een val zonder deksel.
Ze pakte haar tas, die ze al had gepakt. Ze liep naar de deur. In de hal, onder de lege haken, bleef ze staan.
Ze liep door de keuken. Ze zag het schrift op de tafel. Open. Bij regel zeven. Hij mag me vragen wat ik denk als ik 's nachts in zijn trui lig. Daaronder zijn vraag, en Antwoord vanavond.
Ze pakte de balpen. Ze schreef, onder alles, in grote letters:
ROOD.
Meer niet. Ze legde de pen neer. Ze ging naar de deur.
'Het tijdstip,' zei ze, zonder zich om te draaien. 'Gebruik het. Vang hem. Dat is het enige wat ik je nog wil geven.'
'Esmée.'
Ze draaide zich niet om.
Ze dacht aan Verhagen. Aan artikel zes, dat ze zelf had opgeschreven: Mevrouw Brandt verklaart dat zij dit alles uit vrije wil aangaat. Had ze het uit vrije wil gedaan? Of had hij de vrijheid zo ingericht dat ze altijd zijn kant op zou lopen, zoals water naar het laagste punt?
'Ik heb je niet aangenomen om van je te houden,' zei hij. 'Maar ik houd van je. Dat had ik eergisteren in Antwerpen willen zeggen. Voordat je ophing. Ik hou—'
'Niet nu,' zei ze. 'Als je het nu zegt, gebruik je het. Net als de map. Net als de code. Bewaar het. Als het nog over is als ik terugkom, zeg je het dan.'
Ze deed de deur open. De avondlucht was warm en rook naar de gracht. Ze stapte naar buiten. Ze deed de deur dicht. Ze hoorde hem niet aan de andere kant. Geen voetstappen. Geen stem.
Buiten op de stoep stond mevrouw Lindeman met de tekkel. Ze keek naar de tas. Ze keek naar Esmées gezicht. Ze zei niets. Ze knikte alleen, één keer, alsof ze iets begreep wat ze niet zou vragen. Esmée knikte terug. De tekkel likte haar schoen.
Ze liep naar de tramhalte. Ze huilde niet. Ze telde haar passen in achten, en kwam bij vier, en begon opnieuw, en hield toen op met tellen, omdat tellen van hem was geworden, en ze wilde niets van hem meenemen behalve wat ze al in haar botten had.
* * *
Fien deed open in Rijswijk, zag haar gezicht, en zei niets. Ze trok haar naar binnen. Ze zette thee. Ze zette haar op de bank. De kat kwam kijken, snoof aan Esmées schoenen, en ging op haar schoot liggen alsof ze haar al jaren kende.
'Hij hield van me,' zei Esmée, na een uur. 'En hij gebruikte me. En ik weet niet welke van de twee het eerst was.'
'Maakt het uit?' vroeg Fien.
'Ja. Als het houden eerst was, dan is het een wonder. Als het gebruiken eerst was, dan is het een leugen die een wonder werd. En ik weet niet of ik in wonderen geloof die uit leugens komen.'
Fien legde haar hoofd op Esmées schouder.
'Dan denk je,' zei ze. 'En ik zit ernaast. En de kat ook. En als je wilt, haal ik de infuuspaal.'
Esmée lachte, een beetje. Het was genoeg voor die avond.
Om elf uur kwam er een bericht. Ze keek ernaar. Ze opende het niet. Het was van hem. Ze legde de telefoon met het scherm naar beneden op tafel, en Fien pakte hem op en legde hem in een la, en deed de la dicht.
'Morgen,' zei Fien. 'Of overmorgen. Of nooit. Maar niet vannacht.'
Margot kwam thuis om half twaalf, zag Esmée op haar bank, en zei alleen: 'Er is ijs. En wijn. En als je over mannen wilt praten, praat ik. Als je wilt zwijgen, zwijg ik beter.'
Ze zwegen. Ze aten ijs uit het bakje, met drie lepels, en de kat kreeg een beetje van de vanille en braakte het later uit op Fiens andere schoen. Fien zei dat dat karma was. Margot zei dat karma een slechte kat was.
Om één uur, toen Margot was gaan slapen, vroeg Fien: 'Wat was het ergste?'
Esmée dacht na.
'Niet dat hij me gebruikte,' zei ze. 'Het ergste was dat het werkte. Dat ik alles deed wat hij nodig had. Bukken. Kijken. Floris aan het lijntje houden. Het tijdstip. Ik was een perfecte pion. En ik dacht dat ik de koningin was.'
'Je was allebei,' zei Fien. 'Dat kan. In schaken ook. Een pion die de overkant haalt, wordt een koningin. Maar dan moet je wel de overkant halen.'
'Ik weet niet of ik dat wil.'
'Dan rust je uit,' zei Fien. 'En dan kijk je. En als hij schrijft, lees je het. Of niet. Maar je beslist het niet vannacht, met ijs op je pyjama en een kat die in je schoenen plast.'
Esmée knikte. Ze trok de deken over zich heen, op Margots bank, met de kat op haar voeten, en ze dacht aan een eettafel, en een zweep, en een man die zei ik zie je, en ze wist niet of hij haar had gezien of alleen het schilderij in haar, en ze sliep, uiteindelijk, met die vraag onbeantwoord.