Zwart op Wit · hoofdstuk 15 van 40
15. Lev
Ze vond Hanneke via de mosselkwekerij.
Het was niet moeilijk. Er waren maar drie mosselkwekers in Yerseke met een website, en één ervan had een foto van een vrouw van in de vijftig met rood haar en een brede lach, die een emmer omhoog hield op een kade. Familiebedrijf De Wit sinds 1911. Hanneke en Kees de Wit. Een telefoonnummer. Ze belde op donderdagmiddag, toen Sebastiaan op kantoor was en het huis stil.
Een man nam op. Op de achtergrond hoorde ze meeuwen en een motor.
'Ik zoek Hanneke,' zei Esmée. 'Ik ben haar opvolger. In Den Haag. Aan de Prinsessegracht.'
Het bleef stil. Toen hoorde ze de man iets roepen, gedempt, met zijn hand over de telefoon. Een deur. Voetstappen. Een andere stem, zachter, met een Zeeuwse tongval die de klinkers rond maakte.
'Met Hanneke.'
'Ik heet Esmée. Ik werk nu bij meneer Roelofsz. Ik heb uw briefje gevonden. In de schort.'
Het bleef zo lang stil dat Esmée dacht dat de verbinding was verbroken.
'Ik dacht dat ze de schorten zouden weggooien,' zei Hanneke ten slotte. 'Ik heb het erin gestopt op de laatste dag. Ik wist niet of iemand het zou vinden. Het was nat geworden, toen ik de schort waste. Ik kon niet meer zien wat ik had geschreven.'
'Er stond: niets aan. Wat ze je ook bieden.'
'Neem niets aan,' zei Hanneke. 'Dat stond er. Neem niets aan van Floris Kalff, wat hij je ook biedt.'
Esmée sloot haar ogen. De F. De hoofdletter die ze niet had kunnen lezen.
'Te laat,' zei ze.
Hanneke zuchtte. Het was een lange, moeie zucht, die klonk alsof hij uit Yerseke kwam en helemaal tot Den Haag reisde.
'Hoeveel?'
'Achtduizend.'
'Bij mij was het vijf.' Een kort, bitter lachje. 'Mijn man Kees had een kwekerij die failliet ging. De bank wilde niet meer. Floris zei dat het niets was. Een beetje opletten. Wie er kwam, wat er werd gezegd aan tafel. Ik dacht: wat maakt het uit. Het is zijn compagnon. Ze zijn vrienden.'
'En toen?'
'Toen wilde hij de code.' Hanneke's stem werd harder. 'Van de kluis. Meneer had toen ook al iets in de kluis staan, een ander schilderij, ik weet niet welk. Floris wilde de code. Ik heb gekeken toen meneer hem intoetste. Ik heb het opgeschreven op een briefje. En ik heb het aan Floris gegeven.'
Esmée hield haar adem in.
'Een week later riep meneer me in de studeerkamer,' zei Hanneke. 'Hij had het briefje. Mijn briefje, in mijn handschrift. Ik weet niet hoe hij eraan kwam. Hij legde het op het bureau en zei: Hanneke, je hebt iets doms gedaan. Meer niet. Hij was niet boos. Dat was het rare. Hij was—' ze zocht naar het woord, '—hij was alsof hij erop had gewacht. Alsof hij het al wist voordat ik het deed.'
Esmée keek naar het aanrecht, naar het nieuwe hangslot aan de spijker naast de tuindeur.
'Hij liet me kiezen,' zei Hanneke. 'Politie, of weg. Ik koos weg. Hij gaf me een envelop met mijn salaris tot de zomer, en een getuigschrift, en hij droeg mijn koffers naar de taxi. Ik heb gehuild als een kind. Niet omdat ik weg moest. Omdat hij zo aardig was.' Ze snoof. 'Hij is geen slechte man, meisje. Hij is een rare man. Maar hij is niet slecht. Floris wel.'
'Hoe weet u dat?'
'Omdat Floris me een week later belde om te vragen of ik mijn sleutels nog had,' zei Hanneke. 'Van het huis. En toen ik zei dat ik ze niet meer wilde gebruiken, zei hij dat ik het geld dan maar terug moest betalen. Vijfduizend. Anders zou hij vertellen dat ik had gestolen. Ik heb hem de sleutels gegeven. Ik schaam me nog elke dag.'
Een sleutel met een plastic mosseltje. Groeten uit Yerseke.
'Bedankt,' zei Esmée. 'Dat u het me vertelt.'
'Meisje,' zei Hanneke. 'Wees voorzichtig. Floris lacht met zijn tanden. En meneer Roelofsz—' ze aarzelde, '—meneer Roelofsz ziet alles. Ook wat je zelf nog niet weet. Ik weet niet wat erger is.'
* * *
Ze dacht die avond aan Lev.
Ze lag op haar bed, in zijn trui, die ze nog niet had teruggegeven en ook niet van plan was terug te geven, en ze dacht aan de laatste repetitie voor de première van Ondine, twee jaar geleden. De laatste keer dat ze echt had gedanst.
Lev had haar laten herhalen. Een pas de deux met een jongen die Mischa heette en die naar sinaasappels rook. Ze moest zich laten vallen, achterover, en Mischa ving haar op. Het was een eenvoudige val. Ze had hem honderd keer gedaan.
Maar die middag kon ze het niet. Ze viel, en haar lichaam verkrampte, en haar handen grepen naar Mischa's schouders voordat hij haar had. Ze viel niet. Ze klampte zich vast.
'Nog een keer,' zei Lev.
Ze deed het nog een keer. Weer klampte ze zich vast.
'Nog een keer.'
Zeven keer. Acht. Bij de negende keer zei Lev, op die zachte, bedachtzame toon: 'Waarom vertrouw je hem niet?'
'Ik vertrouw hem wel.'
'Je lichaam niet.' Hij kwam naar haar toe. Mag ik? Hij legde twee vingers tussen haar schouderbladen. 'Hier. Je houdt het vast. Je laat niet los. Je wilt dat iedereen kijkt, maar je wilt niet dat iemand je vasthoudt. Dat is te veel, Esmée. Je kunt niet allebei.'
Ze had het die avond gedanst. Ze had zich laten vallen, en Mischa had haar gevangen, en het publiek had geklapt. Maar ze had het gedaan door haar ogen dicht te doen en te tellen, en niet te voelen. En twee weken later, in een voorstelling in Utrecht, was ze uit een sprong neergekomen op een knie die het niet meer hield.
Ze had altijd gedacht dat haar knie het had opgegeven omdat ze moe was. Nu, liggend in zijn trui, dacht ze iets anders. Ze dacht dat haar lichaam het had opgegeven omdat ze nooit had geleerd om los te laten. Ze had alles vastgehouden. Haar schouders. Haar adem. De blik van het publiek. Ze had geteld in plaats van gevoeld.
Je wilt dat iedereen kijkt, maar je wilt niet dat iemand je vasthoudt.
Op het strand had ze tegen Sebastiaan gezegd: dat jij het tegen mij zei. Ze wist nu wat ze bedoelde. Ze wilde iemand die haar opving. Niet omdat ze viel, maar omdat ze koos om te vallen.
Ze wist ook waarom ze het nog niet kon.
Omdat ze niet wist of je je kon laten vallen in de armen van iemand die altijd al wist wat je ging doen.
* * *
Om vijf uur 's ochtends stond ze op en ging naar de bibliotheek.
Het huis sliep. Hij sliep, voor één keer; ze had hem om half een de trap op horen gaan, en de deur van zijn slaapkamer, en daarna niets. Het eerste grijze licht viel door de hoge ramen over de rolladder en de leestafel en de oude Chesterfield-bank tegen de achterwand, diep en zacht en gebarsten.
Ze ging met haar rug naar de bank staan, een meter ervandaan. Ze droeg zijn trui en haar eigen ondergoed en verder niets. Haar voeten waren bloot op het koude parket.
Ze sloeg haar armen over haar borst, zoals bij een vertrouwensval op een teambuildingdag. Ze voelde zich belachelijk.
Ze liet zich achterover vallen.
Haar lichaam weigerde. Halverwege, bij de eerste centimeters, kwamen haar knieën uit zichzelf naar voren, haar armen schoten opzij, haar voet zette een stap naar achteren. Ze ving zichzelf op voordat ze iets raakte. Ze stond. Haar hart bonsde.
Ze probeerde het nog een keer. Hetzelfde. Haar spieren deden het vanzelf. Twintig jaar ballet hadden haar geleerd om nooit te vallen tenzij iemand haar ving, en als er niemand was, viel je niet.
De derde keer telde ze. Een-en-twee-en-drie-en. Bij vier liet ze zich gaan, en haar lichaam gehoorzaamde, maar het was haar hoofd dat het deed, niet de rest van haar. Ze viel stijf als een plank, met haar ogen dicht, en kwam met een plof in de kussens van de bank neer, en het leer kraakte, en een wolk stof steeg op in het grijze licht.
Ze lag daar. Het was niet wat ze wilde. Het was precies wat ze bij Lev had gedaan: ogen dicht, tellen, niet voelen.
De vierde keer telde ze niet.
Ze stond voor de bank met haar ogen open en keek naar het plafond, naar de stucrozet in het midden, en ademde. Langzaam. Ze dacht niet aan vallen. Ze dacht aan een stem. Zo is het goed. Ze dacht aan zijn trui om haar schouders op het strand, die hij niet had gevraagd.
Ze liet haar knieën los.
Ze viel. Het duurde een eeuwigheid en een halve seconde. Haar maag draaide om. Haar armen bleven gekruist. En ze landde, zacht, in het oude leer, en het rook naar stof en sigaren van lang geleden, en ze lag daar met haar ogen open en lachte hardop, zo hard dat ze haar hand voor haar mond moest slaan om het huis niet wakker te maken.
Het was maar een bank. Er had niemand gestaan.
Maar ze had het gedaan zonder te tellen.
* * *
Op vrijdag stond de man in het windjack op de markt.
Ze was naar de Haagse Markt gegaan, in haar eigen kleren, voor groente en kaas. Het was druk en lawaaiig en het rook naar vis en kruiden en verbrand suikerspin. Ze stond bij een kraam met Turkse olijven toen ze de sigaretten rook. Gauloises. Ze kende de geur niet, maar mevrouw Lindeman had het gezegd, en ze wist het meteen.
Hij stond naast haar. Een man van in de veertig, gezet, met een rood gezicht en kleine ogen onder de klep van de honkbalpet. Hij keek niet naar haar. Hij keek naar de olijven.
'Floris vindt het traag gaan,' zei hij.
Ze verstijfde.
'Ik heb hem gezegd dat ik niet in de kluis kom.'
'Dan kom je er maar in.' Hij pakte een olijf van een schaaltje waar proeven bij stond en stopte hem in zijn mond. 'Meneer Kalff wil weten of het ding er nog staat. En hoe hij erbij kan. Een code. Een moment. Een avond dat de baas er niet is.'
'Ik weet de code niet.'
'Je woont met hem.' Hij spuugde de pit in zijn hand. 'Mensen die met iemand wonen, weten dingen. Hoe hij zijn koffie drinkt. Wanneer hij slaapt. Welke vingers hij gebruikt als hij een code intikt.' Hij keek haar nu wel aan, kort, met die kleine ogen. 'Hanneke wist het ook.'
'Hanneke is ontslagen.'
'Hanneke was dom. Jij bent slim. Dat zegt meneer Kalff.' Hij gooide de pit in een bak. 'Je hebt tot het eind van de maand. Daarna wil hij zijn geld terug. Of hij vertelt de baas hoe hij aan zijn nieuwe huishoudster kwam.'
Hij liep weg, de menigte in, en was verdwenen voordat ze iets kon zeggen.
Ze stond nog lang bij de olijven. De kraamhouder vroeg drie keer of ze iets wilde. Ze kocht een bakje zwarte olijven die ze niet lustte en liep naar huis met haar hart in haar keel.
Hoe hij aan zijn nieuwe huishoudster kwam.
* * *
Ze vertelde het Sebastiaan die avond, in de keuken. Over Hanneke. Over de man op de markt. Bijna alles.
Ze vertelde niet wat ze aan Floris had geschreven, die middag, na de markt, met trillende handen in een portiek aan de Herman Costerstraat. Hij gebruikt zijn rechterhand. Middelvinger. De code heeft zes cijfers. Ik zie de eerste twee niet.
Het was niet waar. Hij gebruikte zijn wijsvinger, die met het litteken. Ze had het nooit goed gezien, en de code was veranderd na het onweer. Het was een halve waarheid, een stuk informatie dat niets betekende. Ze had het gestuurd omdat ze bang was. Omdat ze tijd wilde kopen.
Ze vertelde het hem niet, omdat ze zich schaamde.
Hij luisterde. Hij vroeg niets over Hanneke wat ze niet wist. Toen ze klaar was, zat hij lang stil.
'Hij gaat het niet vertellen,' zei hij ten slotte. 'Hoe je hier kwam. Daar heeft hij te veel bij te verliezen.'
'Hoe weet je dat?'
'Omdat ik het al weet,' zei hij. 'En dat weet hij niet.'
Ze keek hem aan. 'Hoe kwam ik hier?'
Hij hield haar blik vast. Iets in zijn gezicht ging dicht, als een luik.
'Via een uitzendbureau,' zei hij. 'En een notaris die zijn werk goed doet.'
Het was geen antwoord. Ze wist dat het geen antwoord was. Maar ze had zelf net iets niet verteld, en ze wist niet of ze het recht had om door te vragen.
Dus ze vroeg niet door. Ze stond op en zette de olijven in de koelkast.
'Ik lust ze niet,' zei ze.
'Waarom koop je ze dan?'
'Omdat iemand naast me stond die ik niet durfde aan te kijken.'
Hij stond op. Hij kwam achter haar staan, bij de koelkast. Ze voelde zijn warmte in haar rug. Hij raakte haar niet aan.
'Ik heb niemand laten volgen,' zei hij zacht, bij haar oor. 'Niet jou. Nooit. Ik wil dat je dat weet.'
'Waarom zeg je dat?'
'Omdat je eruitziet alsof je denkt dat ik alles weet,' zei hij. 'En dat is niet zo. Ik weet niet wat je denkt als je 's nachts in mijn trui ligt.'
Ze draaide zich om. Ze stonden heel dichtbij, tussen de open koelkast en hem in. Het koude licht van de koelkast scheen over haar rug, zijn adem over haar gezicht.
'Hoe weet je dat ik in je trui slaap?' fluisterde ze.
Zijn mondhoek bewoog.
'Dat wist ik niet,' zei hij. 'Tot nu.'
Ze sloeg de koelkastdeur dicht, glipte onder zijn arm door en ging naar boven, en ze hoorde hem lachen in de keuken, zacht en verrast, en ze lag die nacht in zijn trui en dacht aan Hanneke, die had gezegd: Hij ziet alles. Ook wat je zelf nog niet weet.
En ze dacht aan het bericht dat ze die middag had gestuurd, en dat hij niet had gezien.
Dacht ze.