Zwart op Wit

Hoofdstuk 13 van 40

Alleen voor volwassenen

Dit boek is voor mensen van 18 jaar en ouder.

Terug

Zwart op Wit · hoofdstuk 13 van 40

13. Kat

Ze kwam zaterdagochtend terug, met verse broodjes van de bakker op de hoek als zoenoffer, en ze wist niet aan wie.

Hij zat in de tuin onder de moerbei, op een van de ijzeren stoelen die ze nooit iemand had zien gebruiken. Iemand had de gebroken tak weggezaagd; het verse hout was wit en rook naar sap. Hij las de krant. Hij droeg een linnen overhemd, lichtblauw, open aan de hals, en hij was op blote voeten in het grind.

Hij keek op toen ze naar buiten kwam.

'Goedemorgen,' zei hij.

'Ik heb broodjes.'

'Dat zie ik.'

Ze zette de zak op het ijzeren tafeltje. Ze bleef staan. Ze wist niet wat ze met haar handen moest doen. Ze droeg het uniform. Ze had zich in Laak omgekleed in Fiens badkamer, en daarna weer aangekleed, en de strik was voor het eerst in weken in één keer goed geweest.

'Hij ligt in de la,' zei hij, zonder dat ze iets had gevraagd. 'De bovenste. Ik heb de muur gelaten zoals hij was. De haken zitten er nog. Mevrouw Lindeman zal denken dat hij is gestolen.'

'Laat haar maar denken.'

'Ze gaat Verhagen bellen.'

'Laat haar maar bellen.'

Hij glimlachte. Hij vouwde de krant dicht en legde hem op zijn knieën.

'Ga zitten,' zei hij. 'Als je wilt.'

Ze ging zitten. De ijzeren stoel was koud door het dunne katoen van haar jurk, en ze voelde het tegen de achterkant van haar dijen, boven de kousen, waar de huid bloot was. Ze sloeg haar benen over elkaar. Ze zag zijn ogen meegaan, naar haar knie, naar de zoom, naar het smalle streepje kant dat zichtbaar werd. Hij keek. Hij keek niet weg. Ze voelde het als zon op haar huid.

Ze pakte een broodje uit de zak en brak het open.

'Floris heeft gebeld,' zei ze. 'Gisteren. Twee keer. En een bericht vanochtend. Hij wil weten waar het schilderij is. Of het nog in het huis staat.'

'Wat heb je gezegd?'

'Nog niets.'

Hij knikte langzaam. Hij keek naar de moerbei, naar het witte wondje waar de tak had gezeten.

'Zeg hem dat het maandag naar het depot van het veilinghuis gaat,' zei hij. 'Aan het Noordeinde. Dat ik het daar wil laten fotograferen onder infrarood.'

'Is dat waar?'

'Nee.'

Ze keek hem aan. 'Je wilt dat ik lieg.'

'Ik wil dat je hem iets vertelt wat ik je vertel.' Hij pakte een broodje. 'Of je het doet, bepaal jij. Dat zei ik.'

'Waarom het depot?'

'Omdat ik wil zien of hij daar maandag om half acht 's avonds bij de achteringang staat.' Hij zei het zo rustig dat ze het bijna niet hoorde. 'Er hangt daar een camera die hij niet kent.'

Ze legde het broodje neer.

'Je laat hem volgen.'

'Ik laat niemand volgen. Ik kijk.' Hij keek haar aan. 'Dat is het enige wat ik kan, Esmée. Ik ben geen politieman. Ik ben een man die naar dingen kijkt tot ze vertellen wat ze zijn.'

Ze pakte haar telefoon uit haar schortzak. Ze typte, terwijl hij toekeek. Gaat maandag naar het depot. Noordeinde. Infrarood. Ze hield het scherm naar hem toe.

Hij las het. Hij knikte.

Ze drukte op verzenden.

Het voelde niet als verraad. Het voelde als iets wat ze samen deden. En ze wist niet of dat beter was of erger.

* * *

Het begon die middag, en ze begon het zelf.

Ze stond in de eetkamer het dressoir af te stoffen. De bovenste la was dicht. Ze had er niet in gekeken. Ze stofte het blad af, de koperen grepen, de poten. Ze wist dat hij in de bibliotheek zat, aan de andere kant van de open schuifdeuren, met een boek. Ze kon hem zien in de spiegel boven het dressoir: zijn profiel, zijn hand die een bladzijde omsloeg.

Ze liet de stofdoek vallen.

Ze deed het expres. Ze wist het, en ze vond het niet erg dat ze het wist. Ze keek naar de doek op het parket, en daarna, in de spiegel, naar hem. Hij keek op.

Ze bukte.

Langzaam. Zoals hij had gezegd. Niet tot vier, maar tot acht. Benen gestrekt, heupen ver naar achteren, haar rug een rechte lijn, haar handen naar de vloer. Ze voelde de jurk omhoog glijden over de achterkant van haar dijen, over het kant, over de strakke bandjes met de zware nieuwe clipjes, tot de koele lucht van de eetkamer haar huid raakte, hoog, waar haar billen begonnen. Ze telde. Vijf-en-zes-en-zeven-en—

'Esmée.'

Zijn stem kwam niet uit de bibliotheek. Hij kwam van dichtbij. Van de schuifdeuren.

Ze bleef staan. Gebogen. Ze kon hem niet zien; ze keek naar de vloer, naar de stofdoek, naar haar eigen handen.

'Als je dat nog één keer doet,' zei hij, heel zacht, heel kalm, 'dan kom ik achter je staan, en dan leg ik mijn hand op je rug, hier—' en ze voelde het, hoewel hij haar niet aanraakte, ze voelde precies waar hij bedoelde, de holte onderaan haar ruggengraat, net boven de strik van de schort, '—en dan blijf je zo staan tot ik zeg dat je overeind mag komen.'

Haar adem stopte.

Haar hele lichaam werd heet, van haar kruin tot haar enkels, in één golf. Ze voelde het tussen haar dijen, plotseling en zwaar en kloppend. Ze voelde haar tepels hard worden tegen de stof. Ze voelde haar knieën trillen, ook de goede.

Ze kwam overeind. Te snel. Ze draaide zich om.

Hij stond in de opening van de schuifdeuren, zijn boek in zijn hand, een vinger tussen de bladzijden. Hij was niet dichterbij gekomen. Hij stond daar alleen, en keek.

'Dat mag je niet zeggen,' zei ze.

'Waarom niet?'

'Omdat—' Ze wist het niet. 'Omdat ik voor je werk.'

'Je bukte voor me.'

'Dat is anders.'

'Hoe?'

Ze opende haar mond. Er kwam niets uit.

'Ik zei dat ik zou meespelen,' zei hij. 'Dit is meespelen. Jij doet iets, ik zeg wat het met me doet, en wat ik zou willen doen. Ik doe het niet. Ik zeg het alleen. Jij beslist wat er daarna gebeurt.' Zijn mondhoek bewoog. 'Je mag ook ophouden zeggen.'

Ze zei niets.

Ze raapte de stofdoek op, door haar knieën deze keer, haar rechterbeen gestrekt, onhandig. Ze liep langs hem, door de schuifdeuren, de bibliotheek in, de overloop op. Ze voelde zijn blik in haar rug tot ze de hoek om was.

Ze ging naar de keuken en dronk een glas water, en daarna nog een, en haar handen trilden zo dat het water over de rand klotste.

* * *

Zondag, in de tuin. Ze hing de was op. Hij zat onder de moerbei.

Ze rekte zich uit om een laken over de lijn te gooien. De lijn hing hoog; ze moest op haar tenen staan. Ze wist dat haar jurk omhoog kroop, aan de voorkant nu, en dat de zon door het katoen scheen, en dat hij vanaf zijn stoel haar silhouet kon zien door de dunne stof, de lijn van haar heupen en haar borsten. Ze bleef op haar tenen staan. Ze telde.

'Als je je zo uitrekt,' zei hij, achter haar, met zijn krant op zijn knieën, 'dan denk ik aan je polsen. Aan hoe ze eruit zouden zien boven je hoofd. Vastgehouden. Door mij.'

Ze liet het laken vallen. Het gleed van de lijn in het gras.

Ze raapte het op, en hing het nooit op. Ze liet de mand staan en ging naar binnen.

* * *

Zondagavond rook de keuken naar chocola.

Ze kwam om half elf naar beneden voor een glas water, in haar eigen kleren, een oud T-shirt en een joggingbroek, met haar haar nat van de douche. Hij stond aan het fornuis, met zijn rug naar haar toe, en roerde in een steelpannetje. Op het aanrecht lag een reep pure chocola, in stukjes gebroken, en een vijzel met iets erin wat ze niet herkende.

'Kardemom,' zei hij, zonder zich om te draaien. Hij had haar gehoord. 'Mijn grootmoeder maakte dit als ik van het paard was gevallen. Elke keer. Ik viel vaak.'

'Je viel nooit, zei Floris. Tot Rotterdam.'

'Floris zat op de tribune met champagne. Hij zag alleen de wedstrijden.' Hij goot de chocolademelk in twee mokken, zette er één voor haar neer op de tafel en ging zelf tegenover haar zitten. 'Ik viel elke week. Bij de training, in de bak, in de modder. Ik brak mijn pols toen ik tien was. Mijn grootmoeder zette me in de keuken, maakte dit, en ging naast me zitten tot ik ophield met huilen. Ze zei niets. Ze bleef gewoon zitten.'

Esmée vouwde haar handen om de warme mok. Het rook zoet en scherp tegelijk, naar iets ouds en veiligs.

'Waarom maak je het nu?'

Hij dacht na.

'Omdat je vandaag drie keer bent weggelopen,' zei hij. 'En omdat ik dacht dat je misschien nog wakker zou zijn. Na zoiets lig je niet makkelijk stil.'

Ze nam een slok. Het was dik en heet en bitter, en de kardemom brandde zacht op haar tong.

'Het is lekker,' zei ze.

'Het is chocolademelk.'

'Dat is me opgevallen,' zei ze, en hij keek op, en ze zag dat hij het herkende, die eerste nacht, de soep, de opscheplepel, en hij lachte, echt, met zijn hoofd een beetje achterover.

Ze dronken hun mokken leeg zonder nog veel te zeggen. Hij spoelde ze om. Hij zei goedenacht. Hij raakte haar niet aan.

Ze lag die nacht in bed met de smaak van kardemom in haar mond, en ze dacht: zo zou het zijn. Daarna. Als ik ooit die la opentrek. Hij zou naast me zitten tot ik ophield met trillen, en hij zou niets zeggen.

Het was die gedachte, meer dan alle andere, waardoor ze tot twee uur wakker lag.

* * *

Maandag, op de trap. Ze poetste de leuning. Hij kwam naar beneden, om zes uur 's ochtends, in zijn pak, op weg naar kantoor. Hij moest langs haar. De trap was smal. Ze bleef staan, met haar rug tegen de muur, de doek in haar hand, haar borst vooruit omdat er geen ruimte was voor iets anders.

Ze keek hem aan. Ze daagde hem uit. Ze wist het, en ze liet het hem zien.

Hij bleef staan op de tree boven haar. Hij boog zich voorover, zijn ene hand op de leuning naast haar heup, zijn andere naast haar schouder tegen de muur. Hij raakte haar niet aan. Zijn gezicht kwam vlak bij het hare, zo dichtbij dat ze de koffie op zijn adem rook en de scheerzeep op zijn kaak.

'Je hart klopt in je hals,' zei hij. 'Ik zie het. Hier.' Hij keek naar de plek onder haar oor. 'Als ik daar mijn mond op legde, zou je ophouden met tellen.'

Ze hield op met ademen.

Hij bleef nog een tel zo staan. Toen ging hij rechtop staan, liep langs haar naar beneden, pakte zijn sleutels uit de schaal in de hal en vertrok.

Ze zat op de trap. Ze wist niet hoe ze daar terecht was gekomen. Haar benen hadden haar gewoon in de steek gelaten. Ze zat op de zeventiende tree, die kraakte, met de poetsdoek in haar schoot en haar hand tegen haar hals, op de plek waar haar hart klopte.

* * *

Floris belde maandagavond om negen uur. Ze nam op.

'Lieverd! Eindelijk.' Hij klonk opgewekt, maar onder de opgewektheid zat iets scherps. 'Het depot. Vandaag. Je zei maandag.'

'Dat zei hij,' zei ze. 'Misschien is het verschoven.'

'Het is niet aangekomen.'

Ze hield haar adem in. Hoe wist hij dat? Was hij er geweest?

'Hij vertelt me niet alles,' zei ze. 'Ik ben de huishoudster.'

'Je bent meer dan dat, lieverd. Dat weten we allebei.' Een pauze. 'Is het nog in huis?'

Ze keek naar het plafond van de keuken. Twee verdiepingen boven haar zat Sebastiaan in de studeerkamer. Eén verdieping onder haar stond een grijze deur met een nieuw cijferslot.

'Ik weet het niet,' zei ze. 'Ik kom niet in de kluis.'

'Kun je erachter komen?'

'Misschien.'

'Doe dat.' Zijn stem werd zachter, warmer. 'Er komt nog een keer hetzelfde, Esmée. Dat beloofde ik je. En daarna kun je gaan waar je wilt. Weg uit dat sombere huis. Weg van die man die alleen maar naar oude verf kijkt.'

'Hij kijkt niet alleen naar oude verf,' zei ze, voordat ze zich kon inhouden.

Het bleef stil aan de andere kant. Toen lachte Floris, zacht.

'Nee,' zei hij. 'Dat geloof ik graag.'

Hij hing op.

Ze ging naar boven, naar de studeerkamer. Ze klopte.

'Ja.'

Ze opende de deur. Hij zat achter het bureau, onder de lamp, met de loep. Hij keek op.

'Hij weet dat het niet in het depot is aangekomen,' zei ze. 'Hij was er. Of iemand was er.'

Sebastiaan knikte langzaam, alsof ze een bod had gedaan dat hij had verwacht.

'Om twintig over half acht,' zei hij. 'Bij de achteringang. In een donkere windjack. Hij rookte.' Hij draaide zijn laptop naar haar toe. Op het scherm een stilstaand beeld, korrelig, zwart-wit: een man bij een deur, een honkbalpet, een gloeiend puntje bij zijn mond. 'Het is niet Floris. Floris rookt niet en Floris staat nooit zelf ergens in de regen.'

'Wie is het dan?'

'Iemand die Floris betaalt.' Hij klapte de laptop dicht. 'Dank je.'

Ze bleef in de deuropening staan.

'Ik heb hem verteld dat ik niet in de kluis kom,' zei ze. 'Hij vroeg of ik erachter kon komen.'

'En?'

'Ik zei misschien.'

Hij keek haar aan, lang.

'Dat was goed,' zei hij. 'Dat was precies goed.'

Ze wilde weggaan. Ze ging niet weg. Ze stond in de deuropening, in het uniform, met haar hand op de klink, en ze keek naar hem achter zijn bureau, onder de lamp, en ze dacht aan de trap, en aan zijn hand naast haar heup, en aan hier.

'Zeg het nog eens,' fluisterde ze.

Hij hoefde niet te vragen wat.

'Je hart,' zei hij zacht. 'In je hals. Als ik daar mijn mond op legde.'

'Dan zou ik ophouden met tellen.'

'Ja.'

Ze sloot haar ogen. Ze stond daar, en haar hart klopte precies waar hij zei, en ze voelde het alsof zijn mond er al lag.

Toen deed ze haar ogen open, en draaide zich om, en ging naar haar kamer.

Achter haar hoorde ze hem zacht lachen. Niet spottend. Blij. Als iemand die een veiling verliest en toch weet dat hij het mooiste stuk van de avond heeft gezien.

Alle hoofdstukken
  1. 1 De clausule
  2. 2 Het bureau
  3. 3 Achttellen
  4. 4 De Dienstbode
  5. 5 Briefjes
  6. 6 De jarretelle
  7. 7 Lieverd
  8. 8 Nachtwerk
  9. 9 Het geld
  10. 10 Onweer boven de gracht
  11. 11 Jij
  12. 12 De rijzweep
  13. 13 Kat
  14. 14 Muis
  15. 15 Lev
  16. 16 Polsen
  17. 17 De veiling
  18. 18 Hitte
  19. 19 De code
  20. 20 Groen
  21. 21 Spelregels
  22. 22 Het contract
  23. 23 Blinddoek
  24. 24 Oranje
  25. 25 Polsboeien
  26. 26 Pim
  27. 27 Maud
  28. 28 Twintigduizend
  29. 29 Rood
  30. 30 Afstand
  31. 31 1943
  32. 32 Terug
  33. 33 Odiles dagboek
  34. 34 De Genève-map
  35. 35 Pion
  36. 36 De wissel
  37. 37 Voorbezichtiging
  38. 38 Scheveningen
  39. 39 Hamerslag
  40. 40 Vrij van dienst